Ruis in de verbinding.

Je ex joeg ons ’t huis uit. We kropen door een knoop strevend naar een thuis,
vier voeten op een asfaltweg, over het water naar Engeland.
De wolken leken van karton.
   Ik zag je zitten op een stoep,
je hield middennacht vast, een zwartblauw kalf likte je wangen.
Een glimlach tussen je vingers.
Het licht veranderde in een duizendpoot en at de glimlach weg.

Je schitterde als een gewonde paradijsvogel.

De stoplichten waren kapot. Je hart dreef als een wond in de wijnfles.
      We groeiden op in jouw jeugd;
      een onhandige gazelle gevangen tussen geschiedenis en lichaam.
We lagen loom als panters op het matras omringd door bleke muren,
Wietrook krulde om ons heen.
‘Je bent de enige, mijn koning, mijn wereld’ – en jij de mijne.
Soms mompelde je in jezelf over jouw moeder,
tante, zus, broers, vader, oom, verkoolde huwelijk, land.
Een land met vlaktes van suikerig zand als tong,
een rusteloze zon als nier.

Stemmen van een achtergelaten familie, leven in jouw oorschelpen.
   Bij koranleer spijbelde je, mijn groei in je buik verborg je.
Je bent een tjiftjaf, zette mij als een rots op je schouders
en klom op de rug van de stier.

   Toen ik volwassen was en je bezocht

vermomde ik me voor jou.
Een vorm waarin ik dacht te passen.
Je hield van mij als zoon en ik wilde een echte zoon zijn.
   In de spiegel zie ik jou. Jouw lach komt uit mijn mond.
   Misschien… Misschien wilde ik als jij zijn
omdat mannen altijd onze pijn begroeven.
Hun stemmen volgen ons naar alle huizen waarin we wonen.
Die stemmen wonen in onze oude schoenen.

Ik begon hormonen te nemen, verschuilde mijn borstgroei.
In jouw nieuwe huis mijmerden gehoorzame engelen over gods aangezicht.
Je zei dat je djinns hoorde in de kas in de tuin.
Toen ik er munt ging plukken voor de thee.
   Toen ik je de laatste keer belde: een kort gesprek,
we waren niet dezelfde diersoort meer.

Als ik besloot mijn metamorfose door te zetten –
ik ben een vrouw als jij.     De verbinding brak als een been.
      accepteer me als je dochter alsjeblieft
Ik heb de zon mijn naam horen mompelen.
met een bliksemschicht in mijn buik ga ik naar de feesten toe.
Ik ben niet bang om er niet bij te horen.
Ik draag de oorbellen die ik van je heb gestolen.


Het veld

Wanneer mijn wekker gaat, trek ik mijn vaders laarzen aan
betreed het veld en oogst augustus’ graan.
Mijn vaders botten rusten in het veld, naast moeders rib.
Een bronzen klok ligt begraven in het slib.

Het veld zwelt van vuisten, roestend staal, arbeid,
een vossenstaart, fantasie van een kind.
Een oud geloof dat in ons dijt.

Je staat alleen, het veld beweegt.

De overwegingen van het veld trekken aan mijn dagen mijn aard
totdat mijn weerspiegelingen vervagen

Mijn zusje zingt een aria,
de zon betast de dahlia’s.

Moeder is dronken van de dood
en vader vertelt een reisverhaal.
Een zeilvis volgt zijn vissersboot.
Mijn vingers ruiken naar makreel.

Ik was mijn handen, mijn gezicht, mijn voeten.
Plant een paar gebeden tussen mijn kussens.
Het donkere veld betast de ramen.
Ik berg mijn vaders laarzen op.
Moeders stem zwemt langs de platanen.

Alara Adilow (1988) is een dichter van Somalische afkomst woonachtig in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie in De Revisor, Tirade, Poëziekrant, op Oote oote, DIG, en De Optimist. Momenteel werkt zij aan haar debuutbundel Mythen en stoplichten, die zal verschijnen bij Prometheus. Tevens is zij gastschrijver bij nY en werkt zij aan haar debuutroman.

Meer van deze auteur