In de nacht had ik stiekem het Strikte Reservaat betreden en was er ogenblikkelijk in geslaagd te verdwalen. Ik strandde aan de zoom van een moeras. Boomgeraamtes staken uit het zwarte water omhoog: grijs getinte meteorietbrokstukken, neergestorte ruimteschepen. Naaldbomen filterden het winterse maanlicht tot een fijne nevel. Plukken grassige begroeiing stonden stil bevroren. Andersoortigen bekeken mij. Ik liet me zakken op het mos, te gast, een astronaut op een vreemde planeet.

‘Aliens van het antropoceen, laat jullie zien,’ riep ik tegen de bomen om me heen.

De winterdag ervoor had Kate Jabłonowska me in het mooie, koude weer meegenomen om me haar nieuwste project te laten zien.

Kate stapte net zo vlot door het bos als over de weg. Ze was het enige meisje geweest op de middelbare bosbouwschool, en was daarna alleen zes jaar van het bos gescheiden om in Krakau biologie te studeren. Bosbouw haatte ze en noemde ze liever oerafbraak, en bosbeheer vond zij bosontregeling. Haar droom was oerbosbouw, een paradox, gaf ze zelf toe. Oerbosbouw was vooral niets doen. Forest unmanagement.

‘Hier,’ zei ze, van de smaak word je wakker, en ze wees naar een witronde vlek korstmos op een haagbeuk. Boven ons klopratelde een van de talloze spechten. Kate had zichzelf van de ziekte van Lyme genezen – ook al achtte haar dokter dat onmogelijk – door wilde kruiden te gebruiken, en ze was onderdeel van een onderzoeksgroep die over de effecten van het oerbos op de menselijke gezondheid publiceerde.

Ik likte een frisbittere, verkwikkende smaak.

Op de grens tussen Polen en Wit-Rusland, tussen EEG en USSR, tussen ’tausendjähriges Reich’ en ‘altijd solidariteit’, bevond zich al ­eeuwenlang een onbegaanbaar ­moeras, een ­afgelegen jachtgebied, te midden van de wervelstormen aan opkomende en aftakelende mensenculturen eromheen. Het wonder van Białowieza was een stuk bos zo groot als de Randstad, dat in duizenden jaren contact met mensen – en als enige overgebleven West-Europese jungle – altijd overeind was blijven staan.

Een tak zwiepte in mijn gezicht, want op dat soort dingen lette Kate niet.

Een kromstam liep over in een stroompje, mondde uit in een bladerpoel, rotte weg in een berkenstronk. In een driehoek gevallen doodbomen hielden everzwijnen buiten hun mini­reservaat: een lusthofje waar in de lente zeldzame bloemen zouden bloeien. Een scheefstaand eikenlijk, minstens twee eeuwen dood, herbergde een vossenhol en een dassenburcht, en vormde hogerop vogelnesten en een schimmelparadijs.

‘Wolf of lynx zullen we hier niet zien,’ zei Kate, ‘die tonen zich alleen op een pad of een open plek.’

Białowieza, de Witte Toren, het mythische jachtverblijf van de veertiende-eeuwse Poolse koning Władysław II. Dit was nog altijd het domein van historische heersers als Władysław Jagiełło, Reichsforstmeister Göring en tsaar Nicolaas I. De Verenigde Naties en de kaplustige Poolse republiek met hun getouwtrek om dit wereldnatuurerfgoed, en de tech overlords uit San Francisco die nieuw onderzoek financierden, waren slechts de laatste imperialisten in een ononderbroken rij.

‘Stop,’ zei Kate zacht maar ferm en ze hield me tegen, ‘ze zijn alleen gevaarlijk als je te dichtbij komt.’

De wisent liet zich rustig bekijken. Een donker oog zag ons tussen twintig meter takkenspel door. Grazers en rovers aten begroeiing of elkaar en ontwierpen daarmee samen onwillekeurig dit angstlandschap. Achter iedere boom schuilde het begin van horror. Sowieso was iedere boom zelf al voor het grootste gedeelte dood; met alleen levende cellen in de bast, de bladeren en de wortelpunten, en voor de volumineuze rest levenloos materiaal, staanders in een slagveld vol gesneuvelde bomenlijken in alle staten van ontbinding.

Kraaien krasten. Boomtakken draaiden knarsend in de wind.

Kate verwijderde een stuk sparrenbast. Al decennia werd het hier droger en de penwortel­loze sparren sputterden als eerste. ­Zwermen schorskevers maakten hen af door art-decopatronen in hun levend weefsel te vreten. De overheid had de meeste overgebleven sparren daarna preventief omgelegd.

‘Laat de sparren vanzelf maar verdwijnen,’ zei Kate. Zij vond het per trein en vrachtwagen aanvoeren van droogteresistente fijnsparren uit het zuiden – een basale vorm van cyborgbomen – ook niet nodig.

Als boompopulaties door klimaatverandering stierven, werd dat bossterfte genoemd, en het eeuwenlang platgooien van oerwouden heette silvacide, maar een volk dat op die manieren de verbinding met de eigen wortels weghakte, dat noemde ik graag Waldsterben.

‘We meten ieder jaar minder winter, minder sneeuw, minder muizen, minder uilen, want alles is met elkaar verbonden,’ zei Kate, ‘maar ook meer zomerdagen, meer bladeren, meer geïmmigreerde boomsoorten.’

En dan: ‘Hier is de grens.’

Er bestond een lijn tot waar het bos mocht worden gekapt, met daarbinnen een cirkel parkbos waar dorpelingen doodhout mochten wegvoeren en paddenstoelen plukken. Het begrensde gebied daar weer binnen heette het Strikte Reservaat en was voor mensen verboden oerbos: een seculier heiligdom waar alleen wetenschapper-priesters sommige onderzoeksvragen mochten komen stellen, leergierige mensendiplomaten uitgezonden naar een vreemd entiteitenrijk.

Hoe lang moest een tinnituslijder hier verblijven om zijn piep te horen verdwijnen? Was een nieuwe boomstam die groeide op een wortel van duizenden jaren oud nog hetzelfde individu? Hoeveel ongeclassificeerde schimmelsoorten ontstonden hier ieder seizoen?

In een grid van vierkante wersten – iets langer dan een kilometer – liet de tsaar ooit paden vrijmaken met het oog op overpad, maar die waren inmiddels overwoekerd: een invers nabeeld van de Amerikaanse stadsmatrix per vierkante mijl. Deze anti-stad was een ecologische black site, een schaduwzone zonder telefoonontvangst, waar satellietsignalen werden gescrambled. Op vanuit de ruimte genomen foto’s camoufleerden ontelbare boomkronen met hun bladerpixels alles wat zich eronder afspeelde: niet voor mensenogen bestemd. Er mochten inmiddels zelfs geen fotovallen voor wildedierensurveillance meer worden geplaatst, want we hielden de exacte dierenaantallen nu liever ongewis. Soms slaagde een fotograaf erin om stiekem de geheime moerasgronden te schieten. Of een kunstenaarsduo 3D-scande een hertenpaadje om het als virtuele ruimte mee terug te nemen. Een sonoloog wist weleens het geklaag van wringende boomstammen te registreren. En gamers bouwden het bos volledig virtueel na in pixelblokken. Maar geen van hen wist betovering of doodsdreiging mee naar huis te nemen.

‘Het is hier trippy,’ zei Kate, ‘want in de herfst heb je de microsporen van psychoactieve schimmels en in de lente het stuifmeel van bloemen die hallucinogene stoffen bevatten en vrijelijk ronddwarrelen.’

Glorieus promiscue. Een raaf vloog over en niets anders klonk dan het zoefgezwenk van vleugels, daarna een dieptrage rollende roep. Ik wilde Kate niet steeds van alles vragen, en dus liepen we een stuk in stilte. Een geeuw, een nietsvermoedende traan. Na anderhalf uur het bos in lopen, zat het woud vanbinnen.

Voor Kate was dit gebied in alle richtingen leesbaar, terwijl ik hier ongeletterd ronddoolde. Zelf vond ze dat haar nog verreweg de meeste tekens ontgingen, alleen bestemd voor de eindeloos gevarieerde bosbewoners zelf. Het duurde lang voordat ik me realiseerde dat wij hier ook werden gelezen, onze voetstappen aangevoeld, geuren geanalyseerd, aanwezigheid getolereerd. Megawespen, adderslangen, wortelnetwerken en schimmeldraden in de moszompige bodem vertelden: dit is geen mensenthuis, maar al net zo’n duizelingwekkend geheel als iedere wereldstad. Dan doemde er zo’n befaamde reuzeneik op die tot in de hemel reikte en ik voelde het tot in mijn ingewanden. Big dick energy.

Tijdens mijn eerste bezoek twintig jaar geleden had ik in een week alle toeristische plekken bezocht. Ik wilde naar huis, maar mijn auto startte niet, en motorolie drupte uit de uitlaat. Angstig verward was ik het bos in gelopen, om daar een hond aan te treffen die me naar zijn baasje leidde: een boswachter genaamd Marcin, en de man van Kate, al wist ik dat toen nog niet. Hij sprak Engels en had me naar zijn buurman gebracht, de automonteur in het dorp. Ik kon overnachten in een leegstaande hut. Marcin zou waterflessen brengen voor een week, waarop ik antwoordde dat dat vast niet nodig zou zijn.

‘Wacht maar,’ had Marcin gezegd, ‘de menselijke wil is hier niet de baas.’

Het werd anderhalve maand. Vanuit die hut, toen nog zonder water of kachel, had ik het landschap eromheen verkend: alleen met het bos, alleen met het allene – wat dus niet alleen is –, Waldeinsamkeit genoten in de veelvuldigheid van het woud, werd het op een vreemde manier thuis, zoals Nederland voordat het Nederland was geworden, tegelijkertijd vertrouwd en extreem vreemd, bijna buitenaards.

‘We zijn er,’ zei Kate.

Ik kende inmiddels haar testreservaat met jonge zilverlindes die tweemaal per jaar blad kregen. En haar experimenteerelsjes die in zeven jaar tot volwassen elzen zouden moeten uitgroeien, had ik ook gezien.

‘Nu is het nog niet meer dan een twijg uit de grond,’ zei ze, ‘maar over vijfhonderd jaar, als de boel is verdroogd, staat hier een reusachtige, kalkwitte zomereik.’

Quercus Sempiternus, moederboom van een nieuwe soort, witte toren, oernieuw jachtslot voor de toekomstige heersers van het bos, voor wie alle menselijke bemoeienis slechts een oogwenk zal zijn geweest. Eerlijk gezegd zag het eruit als een bleek eikenlijfje.

‘Als de natuur niet klopt dan veranderen we die,’ zei ze, want ze wilde nieuwe oer maken, ook al wist ze nog niet hoe. Bosbetovering gebruikte ze als inspiratie voor nieuwe, hybride techniek.

‘Een aangeplant bos doet er zeven eeuwen over om weer oer te worden, maar zelfs dan heeft het nooit meer dezelfde diversiteit en biomassa, want de verbinding met de oorsprong is verbroken.’


Op de terugweg roken we roodwild, de geur van een zweterig, opgewonden, ongewassen lijf, want je ruikt edelherten voordat je ze ziet.

Ondertussen kende ik Kate lang genoeg om te vragen wat haar hierheen had gedreven. Want iedereen die bleef, was ergens voor op de vlucht, zoveel wist ik inmiddels. Ze vertelde me dat haar vader in het buitenland was vermoord toen ze elf was, en dat ze bij haar tante in het bos was komen wonen. Ze had ontdekt dat ze hier rustig was, ook al had ze onbegrijpelijke dingen gezien, zodat ze zeker wist dat in het bos de scheiding tussen hier-en-nu en hiernamaals niet altijd volledig ondoordringbaar was. Kate en Marcin en de andere dorpelingen had ik in de nacht in de ondiepe ijsrivier zien springen en dronken in wilde dieren zien veranderen, ruiten inslaand en neuzen tot bloedens toe.

‘Ik droomde vannacht van mijn overgrootvader,’ zei ik, ‘ook al heb ik hem nooit gekend.’

‘Zei hij iets?’

‘Hij was geschilderd en kon niet spreken, maar hij bewoog zich in de verf en liet zijn tanden zien.’

Bij het kampvuur deelden ze hier hun dromen, alsof ze van iedereen waren, en soms vulden ze elkaar aan. Dromen is wilddenken. Tijdens een laveloos moment had Marcin zich eens laten ontvallen: ‘Het bos droomt in ons.’

Kate dagdroomde van een futuristisch Hercynisch woud, dat de bosrestanten van heel Europa weer met elkaar verbond, verweven met duurzame steden. Ze had me bovendien ooit verteld dat de berk haar lievelingsboom was, omdat die niet veel nodig had om te groeien: ze wilde zelf leven als een berk. Kate had zeker iets boomachtigs, goedwillend en tegelijkertijd empathie-arm. Boomheid is allerminst soft.

In haar Nieuw-Hercynische woud konden allerlei soorten terugkeren. Kate speculeerde met haar boomvariaties – bijzonder overtuigende simulacra en noodzakelijke aanvullingen, maar om het oerbos te beschermen had ze veel liever de mensennatuur aangepast, en daarin was ze machteloos. Ze was jaloers op waar ­sommige Amerikanen mee experimenteerden: ­zilverige mensenhuid die minder vocht nodig had en meer glansde naarmate die langer in de buurt van berkenbossen verbleef. Ze zou echt als een berk kunnen worden.

‘Ik wil van sommige boomwortels het onsterfelijke hebben,’ zei ik, en haar antwoord was: ‘Vis, leef in eeuwigheid.’

Het jachtslot van de tsaar doemde op, een replica met houten tierlantijnen, maar het had net zo goed het echte paleis kunnen zijn, zodat wij twee eeuwen eerder uit het bos waren gestapt.

Onze telefoons communiceerden weer met de ruimte, schoten van het Euraziatische naar het Oceanische netwerk en terug, telkens van tijdzone wisselend. De tijd twijfelde.

We passeerden een dode eik aan de rand van het dorp, die met een plakkaat behalve aan de eigen, inmiddels verdwenen reusachtige grootte ook herinnerde aan de geëxecuteerde omwonenden. Vijf jaar was het bos onderdeel van een totalitair oerjachtreservaat van het Derde Rijk geweest, waarin de dorpelingen waren vermoord of verplaatst. Joodse vluchtelingen hielden zich schuil in het groene getto. Ze beroofden de overgebleven boeren van voedsel, of kregen wat toegeworpen, precies zoals de wolven.

Białowieza-bos was een spookbos vol boomgeraamtes, dierkarkassen en mensenresten. Rondom het Strikte Reservaat lagen overal de herdenkingsplekken, begraafplaatsen en grafheuvels. In vorige eeuwen werden er rebellen publiekelijk opgehangen. Mensenlichamen werden met honing ingesmeerd en aan stammen genageld om bosmieren aan te trekken. Behalve om te oogsten en te helen, betraden we bossen om te doden en te sterven.

De eerste helft van de eenentwintigste eeuw was bijna voorbij: ook de huidige dorpsbevolking zou weer worden weggewassen, de vraag was alleen wanneer. De actuele oorlogen, ontploffingen, orkanen, branden en epidemieën werden hier even onwerkelijk als die uit het verleden, maar tegelijkertijd werd daarmee de dreiging van nieuwe legerbewegingen, zeespiegelstijgingen en bodemuitdrogingen sterker.

De uiteenlopende spechtklopritmes, de weelderige bloem- en bijenformaties en de fladderende vlindervariaties deden me de mussen­stilte en wildbloemverdwijning van thuis vergeten. Doordat hier geen mensen meer mochten komen, kon het een toevluchtsoord van de natuur worden.

We liepen langs de eerste huizen: krotten van ‘hardhoofden’, voormalige houthakkers door machines uitgerangeerd, inmiddels smokkelaars en stropers. Langs de weg stond een oogster, zo’n felgroene complete boomveloplossing, een rupsbandige, graafmachineachtige met kettingzaagklauw die gromgillend tientallen bomen per uur kon verzaagkappen.

Białowieza-dorp was een uitsparing in het bos, een houthakkersgehucht vermengd met een wetenschappersgemeenschap, activistencel, kunstenaarskolonie en vluchtelingenkamp. Het dorp was niet meer dan een paar straten rondom de bosbouwschool en universiteitsdependance: het bos tot campus geworden. Van over de hele wereld kwamen de dendrofielen en silvamaniakken, net als de insectensoorten en boomexoten. Het oerbos was altijd al kosmopolitisch geweest.

Kate zwaaide af, ze moest haar hond te eten geven. Ik had van haar geleerd dat wanneer twee honden elkaar niet mochten, dat net zoveel met hun baasjes had te maken. En iedere week dat ik hier was, werd er weer een hond door de wolven vermorzeld.


Die nacht keerde ik in mijn eentje terug naar het Alien Reservaat, want van Kate wist ik waar de camera’s hingen en wanneer er werd gepatrouilleerd. Volgens lokale legende was er een moeras in dit Levende Museum van Extreme Vreemdheid, waar je als je er overnachtte je wensen vervuld kon zien. Er zouden meer van zulke ‘krachtplekken’ bestaan, en sommige stonden in toeristische brochures, al was er natuurlijk nooit bewijs geleverd voor wat voor werking dan ook. Kate had gezegd dat ze op die plekken snel onwel werd.

Het was eerst pikdonker en doodstil, maar na een tijdje begonnen de silhouetten zich af te tekenen tegen het maanlicht, en hoorde ik hier en daar gekraak.

De eerste paar kilometers voerden door vennen met af en toe boomgroepen. In het Reservaat kon je alleen klauteren, niet wandelen. En in de nacht ging dat niet moeilijker dan overdag, want navigeren moest hier altijd al met al je zintuigen. Een tak brak, er klonk iets als een nies. Ik betastte een boombast om te voelen wat voor soort het was. Es.

Hoe wist ik of ik al in de Zone was? Je mag hopen dat je er niet in terechtkomt, had Kate geantwoord.

Twee millennia geleden kapten de Romeinen, en daarna de Merovingers en de Karolingers op dit gebied na het volledige Hercynische woud, dat vrijwel heel Noordwest-Europa, en de middeleeuwen met de oudheid verbond. Deze plek was de enige weg terug in de tijd.

Boomringtellers hadden de diktes van de jaarringen van bijzondere bomen als codesleutels gebruikt en langs elkaar gelegd, om een tijdlijn te maken die terugging van levende bomen tot versteende exemplaren. Er bestond een boomverhaal tot ver voorbij de oudheid. Hier had vierhonderd miljoen jaar mensloos bos gestaan.

Aan het kronkelige takkenbeeld herkende ik zo’n legendarisch grote eik. Een wilde, non-monumentale boom met een voor mensen onzichtbaar plakkaat als herdenking van de millennia aan gevallen voorouderbomen. Wat wist een moedereik van haar voorvaderen?

Ik liet mijn rug langs de schors omlaag glijden. De silhouetstaanders om me heen veranderden voor mijn ogen langzaam in de boombasten zoals ik ze overdag had kunnen aantreffen. En dan in de spierwitte eikenschorsen waar Kate mee werkte: traag groeiende, droogteresistente, eeuwigdurende-zomereiken; blanco sleuven in het bosbeeld; witte vlekken die pas na hun dood langzaam kleur zouden krijgen. Een dinosauruspoot stapte voorbij. Subtropische intervallen en mini-ijstijden hadden elkaar hier eerder de beurt doorgegeven. Mediteren werd ook wel genoemd: oefenen voor de dood.

Ik rolde mijn matje uit en ging liggen in mijn slaapzak. Het was het einde van de winter, maar het vroor nog steeds. Ik floot als ergens een stap klonk – een tip van Kate: zodat wat hier ook rondbanjerde me niet per ongeluk zou molesteren. Ik vlijde me over de boomwortels. Het grootste gedeelte van iedere boom zat onder de grond. Het stelde me gerust te denken aan een binnenbos dat in me groeide. Lijkpose.

Als een landschap een gedachte kon bevatten, zoals het bepaalde mineralen of boomsoorten kende, dan had het wildwoud beangstigende, ver vooruitziende ideeën. Onzichtbare oerouders bekeken me met hun blik, oogglinsteringen in de bollingen van de basten. De adem van nakomelingen raspte in de trillende naalden. Aardzaadje.

In de verte waaide het kolkende boomtoppen. Een angstaanjagende dreun klonk, waarschijnlijk een uitgedroogde en aangevreten spar die eindelijk omviel.

Een misstappende wisent, een raakhappende wolf, of een vallende spar. Na opzwellen en etteren kwamen kraaien pikken, lynxen bijten, en een bloedbesmeurd skelet viel witgewassen uit elkaar.

De app die je selfie fotorealistisch verouderde, liet de wormen uit je holle oogkassen kruipen om uiteindelijk bloemen uit je vergane gezicht op te laten komen.

In het donkere bos van het internet bevonden zich schaduwrijke mini-ecosystemen, door eigenzinnige coderingen en ouderwetse hardware afgeschermd van surveillance, waarin beeld- en spraakpatronen konden opbloeien die door niemand daarbuiten ooit begrepen werden.

Een eik wenste zich bewust te blijven in de dode gedeeltes van zijn hout, liet zich vellen, drogen, in stukken zagen, schaven, opmeten, vastschroeven, schuren, lakken en vervolgens als stoel bezitten, om een idee te krijgen van hoe het was om mens te zijn.

Een buitenaards wezen merkte verbaasd op dat op aarde discrete organismen leefden. Het wezen verkende de nieuwe leefomgeving en van al het leven waar het mee in aanraking kwam, vermengde het de genetische structuren, een spoor van ontelbare, nieuwe, in elkaar overlopende, onherkenbare, constant veranderende levensvormen achterlatend, de originele personen, organismen en karakters verwoestend.

Tijdens het antropoceen afgestorven planten werden langzaam verzakkend tot dargveen geperst en voorzagen traag – vormveranderend in turfmolm, en dromend van een eindbestemming als koolgesteente – een ontmoeting met een wereldwijd, flinterdun laagje uit microplastics samengestelde, nieuw-synthetische steensoort; de voornaamste restant van het mensentijdperk.

Een geest met de wreedheid van Hermann Göring, de absolute macht van generaties tsaren, de ruimtereisdrift van tech overlords uit San Francisco, het tijdsbesef van aliens van meer subtiel materiaal, en het geduld van een miljoenen jaren oud organisme, hield zich schuil in het oerbos en was zo dol op de jacht, dat hij soms het lichaam van een prooi betrok om te voelen hoe het was om opgejaagd te worden. Voor een moment bezat dit geestachtig amalgaam het mensenlichaam van een argeloze, eenzame en enigszins verdwaalde wandelaar. Een joekel van een wild zwijn voelde dit aan en kwam op de getroffen en bevroren bosbezoeker toe gehupst, lieflijk snuit en kop in de uitgestoken vingers vleiend. De van zichzelf vervreemde mens zat gedachteloos geknield voor het everzwijn, en beiden wreven hun wangen tegen elkaar, huid op haar: ze vonden troost in de ander voor de gedeelde doodsangst weer vreemde mensen tegen te zullen moeten komen.

Om warm te blijven had ik Marcins zelfgestookte wodka nodig, en het duurde lang voordat ik de geluiden om me heen durfde te vertrouwen, maar uiteindelijk lukte het me toch een paar uur te slapen.

Op de terugweg in de ochtendschemering trof ik tussen drie volwassen eiken een rechthoekige kuil in de grond aan, grofweg ter grootte van een mensfiguur. Ik bleef staan, de neiging onderdrukkend erin plaats te nemen. Nu we doden steeds vaker in foetushouding in mycelium potten begroeven met een zaailing erin, waren begraafplaatsen van open plekken veranderd in nieuw boomgebied, maar het maakte het verlies niet gemakkelijker. Mijn grootouders accepteerden de dood, want geloofden in een onsterfelijke ziel. Mijn kinderen voorzagen resurrectie vanuit een eeuwigdurend archief van opgenomen beelden en geluiden, maar mijn vlees verlangde naar lichamelijke onsterfelijkheid.

‘Wat heb je gewenst?’ zou Kate later vragen.

In het blauwe ochtendlicht opende zich een drasland met een zee van rietpluimen, grenzend aan een moerasweide. Op veilige afstand tippelden vier wolven aan me voorbij, keken tegelijk om, en verdwenen in het donkerbos. Een uur later vond ik omgekeerde schoenafdrukken in de modder, in blijmakend mijn eigen maat. Als ik maar geen grensbewakers tegen zou komen, want ik moest eruitzien als een vluchteling, of een gestrande tijdreiziger.

‘Dat de tijd om zou keren,’ antwoordde ik Kate, en dat vond ze een prima wens.

Het oerbos uit komen was als alien de mensenwereld betreden. De eerste lantaarnpaal, het silhouet van een auto, en de dakbedekking van een huis: ze waren rauw geworden, alle cultivatie wild. De laatste paar stappen vanuit het bos overbrugden een grotere afstand dan de vijftienhonderd kilometer die ik de dagen daarna door vakkundig volgebouwd en veelvuldig geruïneerd West-Europa terug naar vrouw en tweeling af zou leggen.

Met dank aan Bogdan Jaroszewicz en Olimpia Pabian. Resultaten van voortgaand onderzoek naar bos en gezondheid zijn o.a. te vinden op dr-forest.eu. De genoemde hut in Białowieza is beschikbaar als schrijversverblijf: aanvragen kunnen verzonden naar schrijf@dirkvis.email.

Dit essay kwam mede tot stand met financiële steun van het Lirafonds.

Dirk Vis (1981) is schrijver, kunstenaar, kunsttheoriedocent en Gids-redacteur. Onlangs verscheen van hem de handleiding voor artistiek onderzoek Research for People Who (Think They) Would Rather Create en in de lente van 2022 geeft Atlas Contact zijn debuutroman uit: Paren of de kunst van de slaapkamer. Zie ook dirkvis.work.

Meer van deze auteur