‘Toen ik door de grote ijzeren poort van de kliniek liep, leefde ik waarschijnlijk nog.’

Een onheilspellende, maar beloftevolle eerste zin voor een roman. De kliniek van de schrijver Ahmed Bouanani is een koortsdroom waarin de werkelijkheid een heel andere betekenis krijgt dan de gangbare, en dat is iets wat mij al mijn leven lang aantrekt: het ervaren van ‘de werkelijkheid’ en die kunnen definiëren, wetende dat alle werkelijkheden een subjectief product zijn van hun tijd en omgeving op dat moment . De werkelijkheid van de hoofdpersoon in De kliniek is er een die zich afspeelt tussen droom, een afschuwelijke realiteit, waanbeelden, herinneringen en fantasieën.

Dit boek is een parel uit de Marokkaanse literatuur uit de jaren tachtig van de vorige eeuw, de tijd waarin ik opgroeide. Het vertelt het verhaal van een man die in een tbc-kliniek/sanatorium belandt waar maar zelden iemand levend uitkomt, en van zijn strijd om zijn verstand niet te verliezen. Het is een maatschappijkritisch boek omdat alle facetten van een failliete Noord-Afrikaanse staat worden blootgelegd. Het waren roerige tijden, waarin de macht zijn greep op het land probeerde te verstevigen na twee mislukte aanslagen op de koning, terwijl het communistische en socialistische gedachtegoed nog steeds hoogtij vierden. Het effect van de onderdrukking en de angst in ‘de jaren van lood’1is voelbaar in het boek, iedereen verdenkt iedereen van van alles, de typische argwaan waar mensen in dictaturen last van hebben. Naar mijn idee een eigenschap waar veel mensen met een Marokkaanse of Noord-Afrikaanse achtergrond nog altijd last van hebben, vanwege de turbulente geschiedenis van hun land van afkomst. De generatie van mijn ouders kon werkelijk niemand vertrouwen. Iedereen kende wel iemand die in de jaren zeventig ‘verdwenen’ was. De taxichauffeur kon bij de inlichtingendienst werken, de man op terras was altijd een geheim agent en ook de muren hadden oren. Als kind mochten we nooit vragen stellen over Marokko. Woorden als de koning, mensenrechten, communisme en Ben Berka waren verboden in ons huis, zelfs in het idyllische huisje met een voor- en achtertuin aan een plein in Tilburg – want ook daar zouden de muren weleens oren kunnen hebben.

‘Zijn wij een volk?’
‘Kom op zeg, we worden geboren met een uitgestoken rechterhand, met de bedelarij in ons bloed, de lafheid, de schande, de angst, een verraderlijke angst die ons tot op de grond door onze ruggengraat doet gaan! Waar zijn we zo bang voor? Ik vraag het jullie.’

Vooral mijn moeder, kind van een welgestelde familie uit het conservatieve zuiden van Marokko, wilde niets van politiek weten. Ze was als de dood dat ik op een dag zou verdwijnen vanwege mijn idealen. In het geheim heeft ze in mijn puberjaren meerdere malen mijn lidmaatschap van Amnesty International opgezegd uit vrees dat ik zou worden opgepakt als we in Marokko op vakantie gingen. Ook probeerde ze alle sporen van mijn acties als politiek geëngageerde tiener uit te wissen.

‘Tja, je weet maar nooit,’ zegt het personage de Vrijbuiter met een glimlach. ‘Zelfs onze buurtkapper is een spion voor de politie. En Hoummane de taxichauffeur is eigenlijk inspecteur van de inlichtingendienst.’ Ook in Tilburg hadden wij een analfabete kapper die spion was voor het Marokkaanse consulaat. Alles wat je hem vertelde, werd netjes gerapporteerd. Het was niet zo dat de mensen ongegrond argwaan hadden. Nee, om te beginnen waren ze een dictatuur ontvlucht en ten tweede was de lange arm van de staat overal, de Amicalen2 waren bij elke bijeenkomst, in elke moskee, bij elk concert, bij elke slager en elk theehuis. Ik herinner me de culturele club waar mijn vader begin jaren tachtig lid van was en waar ik altijd mee naartoe mocht. Ze hadden een zolderverdieping in een groot herenhuis in de Fabriekstraat in het centrum van Tilburg. De mannen maakten en luisterden daar muziek, lazen boeken en hadden stevige gesprekken over de politieke situatie in hun moederland onder het genot van veel sigaretten, drank, muntthee en de befaamde Marokkaanse kaarten. Soms was de sfeer zeer gespannen omdat er mannen met lange jassen langskwamen, de verklikkers of verraders werden ze genoemd.

De hoofdpersoon in De kliniek zietde meest bizarre beelden en maakt rare dingen mee, maar als lezer blijf ik constant bij hem. Ik haak niet af en blijf mateloos gefascineerd door hem en zijn metgezellen in de kliniek, een bont gezelschap dat aan een stuk door de levendige, speelse taal van Bouanani bezigt. De personages zijn stuk voor stuk levensecht en hebben scherpe maar liefdevolle bijnamen, wat zeer gangbaar is in Marokko. Namen als Vrijbuiter, Kegel, Argan, OK, Ruft en De Kop, voor een leraar Arabisch.

Hoewel het boek in het Frans is geschreven en vervolgens is vertaald naar het Nederlands, is het Marokkaans Arabisch heel herkenbaar. Bouanani behoorde tot een groep intellectuelen die in een Frans systeem was opgegroeid, Frans was hun denk- en schrijftaal, vandaar dat een hele generatie Marokkaanse schrijvers in deze koloniale taal schreef. Toch doet Bouanani iets wat meerdere schrijvers poogden en nog steeds pogen: hij gebruikt het Frans enkel als instrument. De humor, de spreektaal, de beeldspraak, het ritme en de passie zijn Marokkaans. Zelfs in de vertaling lees je dat er doorheen. Hij claimt als het ware het Frans als zijn eigen taal door Marokkaans in het Frans te schrijven. Hij schrijft direct en helder. De taal is niet gelikt, niet fraai, niet Frans, maar Maghrebijns, zou ik bijna willen zeggen. Het is doorspekt met beeldende spreektaal en bijzonder levendig door alle vergelijkingen, metaforen, genadeloze scheldkanonnades en grappen.

‘Bezweer de duivel, kom op, moslims, bezweer de duivel!’
‘Verdomme nog aan toe! Meteen na onze eerste adem op deze wereld en nog voordat onze navelstreng is doorgeknipt, krijgen we al de ergste ellende te horen! Dag en nacht gaat het door… Geef me nu meteen een vat wijn, vleeswaren, eau de vie en kaas! Er bestaat maar één hel en dat is die waar we iedere dag in leven, hier! Hier!’

Op deze manier de geest van een maatschappij en een tijdsbeeld oproepen zonder dat dat geconstrueerd aandoet, is heel knap.

Bouanani was ook filmmaker en het boek leest dan ook als een film – een surrealistische film vol absurde beelden. Het surrealisme is een kunststroming, maar in veel maatschappijen wordt deze kunststroming dagelijks geleefd en ervaren. Het is misschien inherent aan het leven van onderdrukte volkeren of migranten die complexe levens leiden, levens waarin de trauma’s en pijnlijke geschiedenissen van ouders en voorouders blijven doorwerken in hun leven. Dat wil zeggen, een leven binnen dat radicaal verschilt van een leven buiten, en dat is tot op de dag van vandaag zeer herkenbaar, ook voor mij en mensen zoals ik uit de Noord-Afrikaanse diaspora. De kliniek blijkt geen in- of uitgang te hebben, net als het leven. Zelden werd ik zo geraakt als door een boek als door De kliniek van Ahmed Bouanani.

  1. De zware jaren in Marokko onder het regime van Hassan II. 

  2. De Amicales Nederland, werd in 1974 opgericht, en staat ook wel bekend als ‘de lange arm’ van Rabat in Nederland. 

Nisrine Mbarki (1977) is schrijver, dichter, literair vertaler en programmamaker. Ze schrijft poëzie, theaterteksten en korte verhalen. Ze vertaalt uit het Arabisch naar het Nederlands. Haar werk verschijnt regelmatig in literaire tijdschriften als De Gids, Tirade en Poëziekrant.

Meer van deze auteur