Toen ik in het basisjaar van de kunstacademie zat kocht ik een monografie van Martin Kippenbergers werk. Ik las erin de titel van een schilderij. ‘Only real negroes know insults.’ Ik las zijn biografie met een ongewone interesse en fascinatie voor het in- en inslechte in de kosmos. Een kunstenaar moet niet alleen politieke standpunten weergeven of uitbeelden, want dan mist zijn werk een poëtica die het persoonlijke verhaal een mate van abstractie verleent, begreep ik toen al. Mijn idee is dus dat kunst en politiek geen eenheid vormen. Daar dacht de Duitse kunstenaar Joseph Beuys anders over. Beuys had vele medestanders en later ook felle tegenstanders. Het kunstvolk was en is nog steeds verdeeld. ‘Jeder Mensch ist ein Künstler’ en ‘Jeder Künstler ist ein Mensch’. De eerste uitspraak is van Joseph Beuys en de tweede van de Duitse kunstenaar Martin Kippenberger. Beiden hadden als kunstenaar gemeen dat ze naast de makers van beelden publieke personages waren. Imago was even belangrijk als het werk zelf. Dat was verbonden met de wereld buiten het atelier. Het grote verschil tussen de twee was dat hun opvattingen haaks op elkaar stonden. Beuys was een onverschrokken wereldverbeteraar. Kippenberger was een cynicus die de wereld, voordat die volledig in elkaar stortte, een extra zetje richting de afgrond gaf. Beuys vond dat in elk mens een kunstenaar schuilde. Voor hem had de kunst een gemeenschapsfunctie te vervullen. Hij droomde van een vurig verlangen brandende wereld die toegankelijk was gemaakt voor ieder mens. Hij was een democratisch ingestelde kunstenaar. Kippenberger daarentegen schiep kunst die zijn oorsprong had in de wereld van de collectiviteit maar die geenszins bedoeld was voor de massa. Kippenberger haatte de massa en bestreed haar met haar eigen middelen door mediakunst te produceren, producten zoals een fabriek dat deed of een reclamebureau. Zijn kunst was politiek incorrect. Beuys wilde van elk mens een kunstenaar maken opdat de samenleving er mooier op zou worden. Kippenberger wilde als mediafiguur een gewoon mens zijn maar was zich ervan bewust dat de media het zelfbeeld onherstelbaar beïnvloedden. Hij gaf zich daaraan over door de beeldenstroom te manipuleren en in zijn eigen voordeel te verdraaien. Zijn massahaat culmineerde in een apocalyptisch beeld waarin utopie, idealisme en gemeenschappelijkheid voorgoed waren geëlimineerd. Kippenberger was altijd dronken, maar als je het mij vraagt had hij het aan het rechte eind. Elk mens is een kunstenaar? Nee, elke kunstenaar is een mens! Ik denk aan het Tropeninstituut. Nee, ik ga het niet hebben over de zoveelste vorm van exotisme of een verheerlijking van de andersheid. Ook niet over het authentieke dat op eenzame hoogte verkleumt van de kou. Ik heb het over de aard van de instituties, over wat die doen en wat voor effect dat kan hebben op beeldvorming. Het Tropenmuseum toont kunstwerken die oorspronkelijk uit de tropen komen. De manier waarop het museum dat doet heeft vaak een stigmatiserende werking. De bezoeker loopt langs de chronologisch geordende tijdslijn en kijkt naar de Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse beelden. Die voorgekauwde ervaring maakt de beelden tot illustraties van een idee. Er is misschien onbedoeld een hiërarchie aangebracht. Het atypische, de typologie van de werken, zou moeten worden uitgelicht maar is door de strenge, didactische en ronduit saaie manier van ordenen zoekgeraakt. De eigenheid wordt bruut weggedrukt. Je bent je constant bewust van het feit dat de beelden ergens anders vandaan komen. Je mag vanwege het feit dat je bij de hand wordt genomen die uitheemsheid niet als eigenheid ervaren. De beelden zijn van het Tropenmuseum. De westerse traditie van kijken en toe-eigenen en uitstallen domineert. Dat komt doordat de uitheemse beelden niet in samenspraak met de kunstenaars zijn neergezet. De aard van instituties is dat die kaderen in hypervorm. Het zijn kaders in kaders in kaders. Lokaliseer zaken die ons misleiden en de verkeerde kant op sturen. Lokaliseer de pijn en de frustratie die het met zich meebrengt om tot een product gemaakt te worden door organisaties die zich ten doel hebben gesteld zichzelf in stand te houden. Het Tropeninstituut is er niet voor de tropen. Het is er voor het land waar het gevestigd is. Het museum politiseert het gebied en de publieke ruimte die het met de macht van het instituut afbakent. Het is een inkomstenbron in plaats van een kennisbron. Ik heb het over een intellectuele vorm van toe-eigening. Een die vele malen efficiënter is dan welke andere vorm van ontginnen en toe-eigenen ook.


Beste Joseph Beuys, het verhaal van de kunst moet zich in het systeem nestelen, binnen de discussie over authenticiteit in de gemeenschap. Voor mij gaat het over de betekenis van het autonome in een tijd die constant aan verandering onderhevig is. De kunst dient haar focus op de taal van de geëmancipeerde te richten. Ik streef naar een kunst die stelling neemt, een kunst die zich afzet tegen al het politiek correcte geweld van de gemeenschap.

Michael Tedja (1971) is dichter, schrijver en beeldend kunstenaar. Hij publiceert kunstuitgaven en literaire boeken, te vinden in de bibliotheken van o.m. het MoMA, Princeton University, Harvard University, Centre Pompidou en University of Cape Town. In april 2021 verscheen zijn vierde roman, Meta is haar naam. In 2020 ontving hij de Jana Beranováprijs en onlangs won hij de Sybren Poletprijs voor zijn gehele oeuvre.

Meer van deze auteur