Is de wereld kenbaar? Van Parmenides tot Kant, van de Boeddha tot de hedendaagse cognitiewetenschap – zolang de mens fundamenteel nadenkt heeft hij moeten constateren dat wat we zien en ervaren niet zomaar samenvalt met wat er is. Misschien wordt de realiteit aan het zicht onttrokken door de Maya, zoals het hindoeïsme stelt, zodat we het, aldus Schopenhauer, moeten doen met een illusoire Vorstellung; misschien leven we, zoals de neurowetenschapper Cyriel Pennartz onlangs verklaarde, permanent in een ‘gezonde hallucinatie’, hoe dan ook biedt de door het brein geordende zintuiglijke waarneming misschien niet meer dan een glimp van hoe het is, daarbuiten.

Toch is vrijwel iedereen, een doodenkele solipsist daargelaten, het erover eens dat de wereld wel degelijk bestaat, en ons belangrijkste houvast bij die opvatting is het onloochenbare feit dat we ons fysiek bewust zijn van onze existentie, en dat we daar ook nog over kunnen denken en praten. Dat is al heel wat. En hoewel onze bedrading zich evolutionair heeft ontwikkeld met een tamelijk eenduidig en prozaïsch doel (of om het minder teleologisch uit te drukken: effect), namelijk overleving, wordt de menselijke ervaring van alledag gekenmerkt door een fabelachtige rijkdom. Ja, we zijn meesters in classificatie, deductie en interpretatie, maar alle conceptuele helderheid kan niet verhullen dat we van seconde tot seconde worden overspoeld door kleuren in vele schakeringen, geluiden, geuren, woorden, herinneringen, associaties en krankzinnige invallen. Het is alleen de kunst ze op te merken, ze te koesteren voordat we ze hebben herleid tot een veilige structuur, tot een intelligent maar saai verhaal met een kop en een staart. Niet dat wie daarin slaagt de wereld kent, want die blijft uiteindelijk een mysterie, maar met behulp van maximale ontvankelijkheid voor wat zich voordoet, kan men de sluier van Maya misschien toch een klein stukje opzijschuiven.

Van oudsher hebben dichters de pretentie het geijkte beeld van de werkelijkheid te kunnen verstoren, om op die manier iets tot uitdrukking te brengen wat we nog niet kenden, hoewel we het vervolgens, mits het treffend is geformuleerd, meteen herkennen als waar en zinvol. Er zijn dichters die de onkenbaarheid van de wereld thematiseren door stelselmatig de taal te demonteren, wat paradoxaal genoeg kan resulteren in een nieuw, onmogelijk maar denkbaar heelal van grote schoonheid, verwant aan datgene waarop de ‘negatieve theologie’ van neoplatonisten en mystici zich richt: het zijn, het goddelijke laat zich slechts benaderen door middel van ontkenning. Hans Faverey was zo’n dichter. Anderen schuiven zo veel mogelijk zintuiglijke indrukken, mythische beelden en flitsende zinsconstructies over elkaar heen, opdat we in de buurt komen van wat Lucebert ‘de ruimte van het volledig leven’ heeft genoemd.

Maar er is een derde weg, die van de eenvoud. In ons taalgebied is er geen dichter die zo transparant laat zien wat er gebeurt wanneer je je radicaal openstelt voor wat zich voordoet als Martin Reints (1950). Om de slotzin uit een klein essay van hem te citeren: ‘Is er iets anders zo aantrekkelijk en belangwekkend als een grondig onderzoek naar het vanzelfsprekende?’

Blijkbaar is dat onderzoek moeilijk en tijdrovend, want in veertig jaar tijd heeft Reints in boekvorm slechts een kleine tweehonderd pagina’s poëzie en een vergelijkbare hoeveelheid aan essayistische stukken gepubliceerd, wat neerkomt op een bladzijde of tien per jaar. Nog verbazingwekkender is het feit dat al die teksten de indruk wekken bijna niets om het lijf te hebben. En toch staat alles erin. Hoe krijgt Reints dat voor elkaar?

Voor Reints bestaat er waarschijnlijk niet zoiets als het onzegbare, maar voor zover dat toch het geval mocht zijn, past alleen gewijde stilte. De dingen die zich gewoonlijk heel concreet aan ons voordoen zijn al interessant genoeg, en wil je ze in woorden vangen, dan moeten die zo precies en nuchter mogelijk zijn. Metaforen vertroebelen de zaak, opzichtige taalmuziek leidt alleen maar af, en conceptualiseren schept een schijnbare orde waarmee men in het dagelijks leven goed uit de voeten kan, maar die niet helpt als het gaat om contact met het vanzelfsprekende – dat wat zelf genoeg te vertellen heeft en onze drang tot betekenisgeving niet nodig heeft om van belang te zijn.

In zekere zin is het dus ook ongepast de poëzie van Reints te willen interpreteren, want ze is, net als de dingen die erin voorbij komen, gewoon wat ze is. Maar als de dingen tot ons spreken, willen ze misschien wel dat we terugpraten. We zijn nu eenmaal taaldieren geworden.

Reints’ poëtica, als we die formele term mogen gebruiken, is behoorlijk consistent, maar ze was er niet ineens. De eerste bundel heette Waar ze komt daar is ze (1981), waarbij ‘ze’ vermoedelijk niet alleen verwijst naar een niet gespecificeerde vrouw, maar ook naar de poëzie. Zij bezoekt tal van plaatsen, van Amsterdam tot Hamburg en van Rome tot Vlieland, maar het is nog maar de vraag of ze daar ook echt is. In dit gedicht verschuift de locatie per zin:

achter de lekdijk gaan wij
langs wijnstokken en vijgebomen

naar de bergen en de dalen daarachter
met hun grotten en spelonken
tot waar geen koffers en geen regen zijn

einmal glücklich sein, zuchtte je
dann haben wir uns die geigen der zigeuner
singen lassen

Hier klinkt een bijna romantische Sehnsucht op, die echter niet voelbaar is omdat ze van buitenaf benaderd wordt. Deze licht ironische afstandelijkheid kenmerkt de bundel als geheel, wat niet betekent dat er geen aardige teksten in staan, maar het is duidelijk dat de dichter zich nog aan het uitvinden is. De laatste afdeling heet ‘Over het schrijfwerk’, en bevat pontificale statements als ‘uitgedrukte emoties zijn doodlopende straten’ en ‘een verhaal dat je kunt snappen / is tijdverdrijf van stinkende toneelmeesters’. Wat de dichter wel moet doen is dit:

glij op rolschaatsen
of in de trem of met de metro
tussen de gebouwen door
en luister naar de beelden in je kop
en naar de voorstellingen die daar tussendoor schuiven

Cruciaal is hier het woord ‘tussen’, dat in allerlei combinaties in Reints’ oeuvre voorkomt – een van de bundels heet zelfs Tussen de gebeurtenissen (2000). Het tussengebied, het liminale domein waarin alle classificatie en eenduidigheid tijdelijk opgeheven zijn zodat heel even alles mogelijk lijkt, wordt in deze poëzie geregeld verbeeld als een rivier, een dijk of een overtocht. Op de achterflap van Waar ze komt daar is ze staat een foto waarop de dichter voor zich uit staart op de pont over het IJ, met de overkapping van het Centraal Station op de achtergrond. Hij is onderweg, maar het reisdoel doet er niet toe.

Het omslag van Lichaam en ziel (1992) laat een foto van de Waal zien, die in de bundel een belangrijke rol speelt. Het water is concreet en hoogst tastbaar, toch deinst Reints niet terug voor de onontkoombare symboliek die aan rivierlandschappen kleeft. Bij Herakleitos staat de stroom voor het verglijden van de tijd, in de mythologie voor de grens tussen leven en dood, en in ‘De moeder de vrouw’ van Martinus Nijhoff lijkt de Waalbrug bij Zaltbommel contact met het transcendente te beloven. Reints refereert enkele malen aan Psalm 23 (‘Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren’), en in dit landschap zijn zelfs ontmoetingen met Hermes en Pallas Athene niet uitgesloten (‘de naakte wijsheid met haar wapens’).

In ‘Uiterwaard bij avond’ roept de zonsondergang het uiteindelijke afscheid op:

Er strijkt onder de avondwolken
nog veel licht over de rivier in de verte
en het schijnbaar stilstaande water in de uiterwaard

De voorbijganger kijkt in de volgende strofe dan ook op zijn horloge en naar ‘het pad tussen de brandnetels’, waarop er allerlei herinneringen in hem opkomen, waaronder die aan de stem van zijn moeder (een evidente verwijzing naar Nijhoff). En zolang hij bij zijn herinneringen verwijlt, ‘is de dijk aan deze zijde van de rivier er niet / noch die aan gene zijde / noch het water dat door het land stroomt’. Met andere woorden: in het denken zijn plaats en tijd even opgeheven. Maar dat duurt niet lang, want de man zet een stap ‘en is weer deel van het voorbije’.

De titel Lichaam en ziel is een vertaling van de jazz standard ‘Body and Soul’, misschien het meest memorabel vertolkt door Billie Holiday, die in de bundel dan ook genoemd wordt. Ook andere standards komen voorbij, zoals ‘How Deep Is the Ocean’ en ‘What Is This Thing Called Love’, met als gevolg dat verderop de titel ‘Ornithologie’ wel een knipoog naar Charlie ‘Bird’ Parker moet zijn. Kenmerkend voor jazz is de improvisatie, het stante pedezoeken naar een nieuwe melodie, en dat is wat de poëzie van Reints ook doet. Niet alleen verlopen de gedichten zelf associatief, de onvoorspelbaarheid van het denkproces wordt ook expliciet aan de orde gesteld. ‘Het voormalige moeras,’ zegt de dichter, ‘waar ik op zandwegen en in weilanden / onder langstrekkend gewolkte loop te denken, / gelijkt op het denken zelf / dat er is terwijl het er is’.


Het denken vindt vaak ‘s nachts plaats, of in de overgangsfasen tussen dag en nacht. Niet voor niets heet Reints’ ­essaybundel Nacht- en dagwerk (1998), waarin mooie stukken staan over de Beemster en Amsterdam, over Hans Faverey en Martinus Nijhoff, maar vooral over Constantijn Huygens, niet direct iemand die men met Reints zou associëren. De dichter van Dagh-werck staat immers bekend om zijn klassieke en spitsvondige stijl vol klank- en woordspel. Maar Reints vestigt de aandacht op Huygens’ frequente slapeloosheid en fascinatie voor het grensgebied tussen dromen en waken, op de melancholie die daarmee samenhangt en op het feit dat Huygens’ gedichten vaak tot stand kwamen tussen zijn drukke bezigheden door, als terloops genoteerde invallen.

In Reints’ eigen poëzie valt een zekere melancholie soms niet te ontkennen, al staat die zeker niet centraal, althans nooit expliciet. Maar de grens tussen waken en slapen, of tussen geconcentreerd bezig zijn en dagdromen, is voor hem belangrijk: op momenten waarop de aandacht, en dus de controle, verslapt en beelden en associaties hun eigen gang gaan, is de kans om aan voorgeprogrammeerde structuren te ontsnappen het grootst. Ook al lijkt het tegendeel het geval, juist dan ben je waar je wezen moet. In Tussen de gebeurtenissen staat het er zo:

Te midden van het aanwezige
dat in zijn dagelijksheid vertoeft
stap voor stap het geheugen in de steek laten

jezelf achterlaten tussen al die dingen
die daar aan het slijten zijn

Het gedicht sluit af met het verlangen naar de oerstaat die aan het denken voorafgaat:

steeds sneller vergeten:
wat ook alweer?

en zo terugkeren naar het begin van het denken
dat zelf eigenlijk nog geen denken is

De dichter is nieuwsgierig naar die toestand waarin alles weer nieuw is, maar je moet er eerst jezelf voor verliezen, en dat te midden van alles wat kapot en voorbij gaat. Misschien moeten we dat een montere vorm van melancholie noemen.

In Ballade van de winstwaarschuwing (2005) gaat Reints voort op het ingeslagen pad. De titel refereert aan verhalende liederen uit de middeleeuwen, maar ook aan langzame jazznummers, en de economische term ‘winstwaarschuwing’ getuigt van het aloude inzicht dat financieel gewin een instabiele bron van levensvreugde is. De dichter improviseert erop los, maar het akkoordenschema is herkenbaar. Dat geldt ook voor de staat van bewustzijn, want de eerste strofe van de bundel luidt zo:

Aandacht volgt op ontspanning
zoals de nacht volgt op de dag
en de droomslaap volgt op de kalme slaap

De spreker ligt met zijn hoofd op zijn arm voor een toetsenbord, terwijl ‘de deadlines naderen, de deadlines komen voorbij’. Het is niet moeilijk de ‘deadlines’ symbolisch te duiden, maar het denken verliest zich liever in de droombeelden van een halfslaap dan zich druk te maken om vergankelijkheid. In de vluchtige droom verschijnen koeien die hun koppen naar achteren werpen om vliegen te verdrijven, ‘en de slierten kwijl aan hun lippen gaan heen en weer / als de slingers van oude uurwerken’. Ook hier tikt de tijd voorbij.

Centraal staan twee lange gedichten die allebei dezelfde titel hebben als de bundel, maar met verschillende aanvullingen: het ene gedicht is de ‘Ayler-variant’, het andere de ‘Messiaen-variant’. De ongeremde freejazz van Albert Ayler lijkt in niets op de subtiele klanklandschappen van Messiaen, maar wat beide musici gemeen hadden, was een religieuze inspiratie. Wordt ook Reints hier tot profeet? Of suggereert hij dat geld onze enige God is geworden?

Beide gedichten gaan over dezelfde bijeenkomst, waarbij bestuurs­leden van een grote onderneming op het punt staan ten overstaan van ­journalisten een winstwaarschuwing af te geven. In beide gedichten komt het begrip improvisatie voorbij en dwalen de gedachten van aanwezigen af, alsof datgene wat aan de orde zou moeten zijn in het licht van mensenleven en kosmische ruimte totaal irrelevant is. De mannen in wie de dichter zich verplaatst denken aan hun jeugd, vragen zich af of ze een cello of een motor met zijspan moeten kopen en luisteren naar geluiden buiten de ruimte waarin ze zich bevinden. Beide gedichten eindigen met het moment waarop ‘de aanwezigen hem aanzien / en de camera de zaal aftast // om materiaal te verzamelen waarin / bij wijze van spreken / later zal worden geknipt’. Vanzelfsprekend is deze poëzie zelf de montage van een registratie.

Los van de maatschappelijke moraal en de expliciete verwijzingen naar religieuze en kosmische perspectieven, is het niet gemakkelijk aan te geven waarom deze gedichten zo goed zijn. Misschien wil je ze iedere keer opnieuw lezen omdat het geen zin heeft ze samen te vatten, omdat de ervaring van het lezen samenvalt met de ongerichte gedachten van de protagonisten. Dit is vanitas in haar zuivere vorm, ‘lucht en leegte’, zoals de Prediker zegt, maar dan lucht en leegte waarin je wel wilt opgaan. Een van de topmannen denkt na over de overeenkomst tussen ademen ‘en het uitdijen en inkrimpen van ons heelal’. Tijdens het lezen van de gedichten, waarbij je inademt op de witregels, val je samen met het universum.

Die techniek, schijnbaar willekeurig registreren wat er aan onbeduidends voorvalt in een alledaagse ruimte en noteren wat er tegelijkertijd omgaat in de beschouwer, wordt opnieuw toegepast in Lopende zaken (2010), maar meer dan ooit krijgen de gebeurtenissen het karakter van een kosmische en existentiële kringloop. Magistraal in zijn eenvoud is het eerste gedicht, ‘Gang’, dat alleen al in de titel een levensreis suggereert:

Kijken of de post al is geweest
de computer uitzetten?

het werk onderbreken
omdat het kennelijk al onderbroken is in je hoofd

opstaan en de kamer verlaten door de deur naar de gang

het patroon van de tegels in de gangvloer, je voetstappen
de baan van de aarde om de zon
de Melkweg

je gang langs de dozen, de spiegel
de boodschappentas met lege flessen

de deur naar buiten.

Paradoxaal vertelt het gedicht, dat door zijn positie in de bundel ook nog eens een programmatische lading heeft, wat er gebeurt op het moment dat de dichter even stopt met schrijven. Omineus, maar tegelijkertijd geruststellend door zijn alledaagsheid, is de ‘boodschappentas met lege flessen’: is dat wat er uiteindelijk overblijft?

Ook de titel van de tot nu toe laatste bundel, Wildcamera (2017), duidt op een vorm van bijna objectieve registratie van wat toevallig voorbijkomt. Maar Reints lijkt hier toch een nieuwe richting in te slaan. De ondertitel luidt Gedichten en beschouwingen, en inderdaad worden reeksen gedichten afgewisseld met korte essays. In zekere zin is dat niet verrassend, omdat Reints’ zoekende, improviserende gedichten altijd iets van essays, in de betekenis van probeersels, hebben gehad, terwijl de toon van zijn beschouwende stukken sterk lijkt op die van zijn poëzie.

Een tweede aspect, dat in eerder werk slechts sporadisch opdook, is een lichte neiging tot surrealisme, iets wat uiteraard wel aansluit bij Reints’ belangstelling voor de droom. Zo zien we een leeuw samen met een rat door tuinen, langs vijvers en bosschages wandelen, terwijl hetzelfde roofdier een paar pagina’s verder loom naar een meeuw ligt te kijken, die op zijn beurt nuchter vaststelt dat daar inderdaad een leeuw ligt. Ja, er is van alles in de wereld:

er zijn boomstronken, er is verwaaid gras,
poelen met riet, stroken zand

er is van alles
tot het verdwijnt

In de beschouwing ‘IJsberen’, het langste stuk uit de bundel, denkt Reints na over het verband tussen lopen en denken. Dat wandelen het denken kan stimuleren, wisten Aristoteles en Diderot al, maar wandelen is een bewust ondernomen bezigheid. IJsberen, daarentegen, is een handeling die spontaan ontstaat, want zodra je je realiseert dat je ijsbeert of dat iemand ziet dat je dat doet, is de vanzelfsprekendheid verdwenen. Het heeft geen zin tegen iemand te zeggen dat hij niet moet vergeten te ijsberen. In de slot­alinea vat Reints niet alleen samen hoe hij over ijsberen denkt, maar geeft hij indirect ook commentaar op zijn poëtica:

Het ijsberen is bedoeld om losjes na te kunnen denken. De beslissing dat te doen moet zo soepel en ongemerkt worden genomen dat hijzelf geen onderwerp van het denken wordt. Je bent op zoek naar iets anders in je hoofd, zoals we dat noemen, en je hebt het gevoel dat je dat te pakken krijgt als je maar niet meer vastzit aan je omgeving. Het is een van de intiemste bewegingen die je kunt maken.

De dichter ijsbeert door zijn kamer, kijkt naar buiten, wandelt over een rivierdijk, en zie: daar is de wereld, in al haar wonderlijke vanzelfsprekendheid.

Piet Gerbrandy (1958) is dichter, classicus en poëziecriticus. Hij doceert Latijn aan de Universiteit van Amsterdam en is redacteur van De Gids. Begin 2021 verscheen zijn dichtbundel Ontbinding.

Meer van deze auteur