Het eerste beeld

Voor mij begon het ergens in de lente van 2013. Ik zag een verslag van een bijeenkomst in het kader van de Nacht van de Filosofie in de Beurs van Berlage. Het was een avond gewijd aan de groeiende schuldenproblematiek in het kielzog van de economische crisis die toen al vijf jaar duurde. De opzet was om de heersende opvattingen over schulden anders en kritisch te bekijken. Naast een aantal sprekers was een van de onderdelen van het programma die avond een performance, opgezet door Het Instituut en No Academy. Daarvan zag ik beelden in het verslag. Tussen potpalmen aan de rand van de zaal stonden beeldschermen opgesteld. Daarop was een naam te lezen, vlak boven een bedrag in grote cijfers dat een schuld aangaf in euro’s. De naam verwees steeds naar een jongere die in het uniform van een beveiliger met de handen op de rug tussen de potpalm en het scherm stond, en ongemakkelijk om zich heen keek. Verder was op het scherm te zien hoeveel de jongeren per uur met hun beveiligersjob verdienden (€ 8,48 per uur, het toenmalige minimumloon) en op welke datum in de verre toekomst met dit tempo de schuld zou zijn afgelost. Een digitale klok liep, en in relatie daarmee veranderden de getallen. De schuld zakte, maar heel langzaam.

Lotte Schröder

Het publiek bestond, zoals te verwachten was, uit een meerderheid van waarschijnlijk hoger opgeleide witte mensen van middelbare leeftijd, aangevuld met wat studenten. Van de jongeren was er slechts eentje die zo op het eerste gezicht geen voorouders in Suriname of Noord-Afrika had, dat bleek de zoon van vluchtelingen uit het voormalig Joegoslavië.

Dit pijnlijke beeld was mijn kennismaking met ONSbank, een initiatief waarover ik eerst een essay zou schrijven voor De Gids en vervolgens zes jaar lang bij betrokken zou raken. Mijn avontuur in de wereld van een alternatief voor reguliere schuldhulpverlening aan jongeren was niet dat van een kort passerend verslaggever, maar van een meebouwend, meedenkend, en vooral schrijvend initiator. Wat toen als een klein, aftastend kunstproject begon is uitgegroeid tot een professionele non-profitorganisatie. In het jaarverslag dat dit voorjaar verscheen schrijft de directeur, Marie-Louise Voors, dat ONSbank nu in vijf steden projecten doet met jongeren in problematische schulden en op twee ROC’s reeksen workshops organiseert met een preventief programma. Van de jongeren die meedoen aan ONSbank heeft ongeveer driekwart na afloop beheersbare schulden, en meer dan tachtig procent werkt, studeert of combineert beide. Vanaf 2019 heb ik geen rol meer in de organisatie.


Het oerplan

Wat beweegt een schrijver ertoe over schuldhulpverlening te gaan schrijven en zes jaar lang mee te werken aan het ontwikkelen en realiseren van een alternatieve methode daarvoor? Het begin van het antwoord daarop ligt in de nieuwsgierigheid die ik voelde bij het idee van de mensen die aan het begin van ONSbank stonden: dat kunstenaars anders tegen het fenomeen schuld aankijken en op basis van een andere analyse ook met andere ideeën voor een oplossing komen dan het reguliere hulpsysteem. Menselijker.

Het beeld van de performance was pijnlijk, met de publiekelijk tentoongestelde ‘schuldenaren’. Tegelijkertijd liet het hard en feitelijk zien hoe absurd het idee was dat ze die schulden (grotendeels opgestapelde boetes, rentes en administratiekosten) gewoon moesten terugbetalen. Dat ging nooit lukken, hoe graag ze dat ook zouden willen, en dus verdienden incassoboeren vrolijk geld aan de doorstijgende schulden. De misère van de jongeren zou zich eindeloos herhalen en vergroten. Bovendien werkten schaamte en stress verlammend, ook dat zag je op hun gezichten, in hun lichaamstaal. Dat alles bracht de performance goed over, maar waartoe leidde de analyse van de kunstenaars, als het erop aankwam uit de schulden te ontsnappen? En wat was de functie van kunst daarin?

Sprekend met iedereen die in die eerste fase bij ONSbank betrokken was werd me snel duidelijk dat niet alle deelnemende kunstenaars daar een helder idee over hadden. Veel van de interventies richtten zich op het uitdrukken van de schaamte, de woede en machteloosheid die de jonge schuldenaren voelden. Of ze wilden via collages de clichés in de beeldvorming over schulden aan de kaak stellen, om zo aandacht te vragen voor de sociale en psychische omstandigheden van mensen die niet bij de winnaars in de kapitalistische wereldwedstrijd hoorden. Mij leek dat zulke kunst de jongeren weinig zou helpen en ook de kunst niet verrijkt.

Interessanter was de kijk van een van de initiatiefnemers, de beeldhouwer en kunstdocent Johan Wagenaar van Het Instituut. Hij zag in ONSbank eerder de zoektocht naar een bijdrage vanuit de kunsten aan de maatschappij, in de vorm van een type samenwerkingsverband dat nog niet bestond. Zijn basisidee was om de problematische schulden van jongeren te zien als een gedeelde maatschappelijke verantwoordelijkheid van schuldeisers en schuldenaren. ONSbank zou de problematische schulden niet opvatten als een juridisch-financieel, maar als een menselijk probleem in een jong mensenleven. De hulp bestond niet uit een reductie van de situatie tot de budgetcursussen en sollicitatietraining die de gemeente aanbood of tot de juridische feiten. Het ging erom juist in een persoonlijk contact te zoeken naar een tweede kans. Wezenlijk onderdeel was dat kunstenaars daarin iets waardevols te bieden hebben.

Het eerste wat voor zo’n aanpak nodig was, zo leek hem, was het bevriezen van de alsmaar groeiende schuld. Schuldrust, noemde hij dat, een adempauze. De schuldenindustrie baseert haar verdienmodel op de kennisachterstand en het gebrek aan weerbaarheid van mensen. Wie studieschuld, verkeersboetes, zorgpremies en huur niet secuur betaalt komt in een drijfzand van incassokosten terecht. Jonge mensen uit een milieu waar men wel kan terugvallen op kennis, geld en contacten kunnen net zo goed in dergelijke moeilijkheden raken, maar die krijgen sneller een tweede kans. Wie opgroeit in een gezin met weinig geld en sociaal kapitaal komt klem te zitten, de schulden worden snel groter dan ze ooit terug kunnen betalen. Voor zulke jongeren valt hun leven stil, ze worden opgejaagd en zijn machteloos. Vaak worden ze depressief en nog minder weerbaar. Een deel verdwijnt in de criminaliteit, of wordt zwerfjongere.

Hoe kon je schuldeisers en schuldenaren bij elkaar brengen en laten handelen vanuit een sociale blik op de schulden, zodat de jongeren een tweede kans kregen en de kans op herhaling verkleind werd? Hoe, met welk verhaal, kon je die schuldrust afdwingen en de tijd waarin de stress en paniek verminderde gebruiken om aan een nieuwe start te werken? En wat was daar voor nodig, behalve het kwijtschelden van de boetes? En wat deden die kunstenaars dan in die workshops?

Daar vonden Johan en ik elkaar. Aan dat verhaal, aan het bedenken van een strategie om zo’n organisatie mogelijk te maken en te ontwikkelen wilde ik graag meedenken en -schrijven. Het was aantrekkelijk dat het aan de ene kant aanvoelde als een kunstproject – het bedenken van iets nieuws, een programma, een verhaal, een reeks ervaringen, waar mensen door veranderd konden worden – maar dat het tegelijkertijd menens was, geen verbeelding. Niet een spel of een ontwerp, nee, het moest écht werken, die schulden moesten echt worden afgekocht, die jongeren moesten echt groeien in zelfvertrouwen en een kans krijgen vol overtuiging hun leven verder op te pakken met een opleiding of een baan. Het liefst groeide ONSbank uit tot een methode die in heel het land werd ingezet. Soms dacht ik wel eens, is dit wat Beuys bedoelde met sociale sculptuur?

Het oerplan van ONSbank is dit: de schuldrust van een half jaar te benutten door de jongeren een leertraject aan te bieden waarin ze in kleine groepjes workshops doen met kunstenaars, dansers, fotografen en verhalenvertellers om meer greep te krijgen op vragen als ‘Wie ben ik zelf eigenlijk?’, ‘Wat wil ik?’ en ‘Wat zou ik kunnen?’. De deelnemers helpen de moed op te brengen om wat vrijer, anders te kijken naar hun situatie, naar de wereld, ze in aanraking te brengen met onbekende mogelijkheden. Met andere ideeën over mislukken en succes ze aan te moedigen wat afstand te nemen van de sociale controle die ze voelen en uit te spreken wat ze zelf zouden willen. Om dan met een gespecialiseerd begeleider bij een opleiding of een baan terecht te komen.

Naast Johan en ik vormde zich een team met een curator (Laura Mudde), een sociaalpedagoog met ervaring in jongerenwerk (Jaap Noorda), en Willem Los, iemand die jarenlang voor Delta Lloyd schulden had geïnd maar op persoonlijke titel, uit bevlogenheid voor het plan, zijn tijd en expertise inzette om voor de jongeren de onoverzichtelijk geworden schulden (ze worden vaak doorverkocht) in kaart te brengen en ofwel kwijt te laten schelden ofwel te minimaliseren. Zijn betrokkenheid maakte het schuldrustonderdeel van ONSbank al snel ­ijzersterk. Hij kent de wereld van deurwaarders en incassobureaus op zijn duimpje en is hard en effectief in het boven tafel krijgen van informatie en, zo bleek, in het maken van gunstige afspraken voor de jongeren. Idealiter blijft alleen de oorspronkelijke schuld over, die over de lange termijn, in kleine bedragen, naar draagkracht wordt terugbetaald. Meestal gaat dat om een kwart van het totale schuldbedrag. De jongere bevrijden uit de gijzeling door de schuldenindustrie en de wurggreep van de overheid, daar gaat het om.

Wat deed ik? Veel overleggen met Johan, om vervolgens te schrijven aan toespraken, aanvragen, memo’s en artikelen, discussiestukken, een petitie aan de Tweede Kamer en een paar essays. Ik vergaderde met gemeenteambtenaren, bankiers, maatschappelijk werkers, architecten, kunstenaars, bezocht de workshops, trad met ONSbank-deelnemers op tijdens een symposium over schulden op de Haagse Hogeschool, sprak samen met een ONSbank-coach en een deelnemer met parlementariërs in de Tweede Kamer en haalde een deelnemer op uit de gevangenis.


Ontdekkingen en niet-weten

Dit is geen geschiedenis van ONSbank. Het is ook geen evaluatie van de verschuivende receptie ervan, van de nominatie als social design-uitvinding op de Dutch Design Week (2015), een inspiratie voor de wettelijke invoering van schuldrust (2016), de aanleiding voor een speculatief architectuurproject (2017) tot een petitie aan de Tweede Kamer (2019) en het onderwerp van een BNNVara-documentaire in datzelfde jaar, De schuldenmachine. Dat is een boeiend verhaal dat iemand anders kan schrijven. Hier gaat het me om wat anders. Nu ik er geen deel meer van uitmaak wil ik vertellen wat ik als denkend en schrijvend mens dankzij ONSbank ervaren heb, en vooral over de keren dat we onze ideeën moesten bijstellen, wanneer het om iets anders bleek te gaan dan we dachten. Over de twijfels en bedenkingen die het avontuur opriepen. Ik vraag me af of er in mijn essays, verhalen en de roman die ik schreef tijdens de jaren dat ik bij ONSbank betrokken was iets te bespeuren valt van een verschuiving of verandering.

Laat ik beginnen met de verrassingen. Op die ene keer na, dat we bij een stel bankiers zaten waarvan er eentje opperde dat het misschien een idee was om in alle delen van het land de educatieve afdelingen van musea die de bank sponsorde in te schakelen om zo ONSbank nationaal te kunnen ‘uitrollen’, ondervonden we het meeste begrip en medewerking van mensen die bij financiële instellingen werkten en op persoonlijke titel wilden meedoen. Het waren mensen die maar al te goed begrepen wat voor onleefbare situatie er ontstond als de realiteit van een leven helemaal niets meer te maken heeft met de juridische en financiële ficties die als normaal gelden.

Het grootste onbegrip en soms zelfs onwilligheid ondervonden we van de overheidsdiensten die ONSbank zagen als een concurrent die klanten afpikte en het beleid verstoorde. Met al hun goede bedoelingen bleven ze vaak star vasthouden aan een moralistische en ambtelijke blik. Het beleid en de bestaande regeling was de norm, en dat het grootste deel van de jongeren zich niet meldde voor hulp of steeds terugviel in schulden kon onmogelijk aan de hulpverlening liggen.

In onze denkwijze moest het tijdens de workshops juist helemaal niet over geld en schulden gaan. Er moest aandacht zijn voor de jongeren zelf, hun eigen leven en hoe ze dat zouden kunnen oppakken. In de loop der jaren werd de samenwerking met gemeentes beter, maar de onhandigheid van de schuldhulpverlening om schulden te zien als een symptoom van een groter probleem bleef bestaan.

Of zoals Jaap Noorda, de sociaal-pedagoog ons voorhield: kwetsbaar voor problematische schulden worden de jongeren niet alleen door hun milieu waar geen reserves zijn en weinig sociaal kapitaal, maar ook door een onzeker zelfbesef. Identiteit, waar wil ik bij horen en hoe neem ik de regie over mijn eigen leven. Daar hadden ze het moeilijk mee, vaak ook door een biculturele achtergrond.

Ik dacht dat ik daar iets van begreep totdat ik een workshop bijwoonde. De acht deelnemers waren door een paar sessies met Nita de danseres al wat losser en vertrouwder met elkaar en de ergste schuchterheid was verdwenen. Nieuwsgierig zagen ze hoe in een kelder aan de Prinsengracht Paulien Oltheten, de fotografe, iets ging vertellen over haar werk, om daarna met de groep op straat foto’s te maken en die met elkaar te bespreken.

Ze keken naar een frêle jonge vrouw van in de dertig die vertelde hoe ze mensen op straat observeerde en fotografeerde en soms aansprak of ze bepaalde handelingen wilden herhalen en meewerken aan een fotoserie. Ik merkte dat de sfeer veranderde. Afstandelijkheid sloeg om in verbazing en interesse. Er kwamen vragen: hoe leefde ze daarvan? Hoezo kon ze over de hele wereld reizen? Nou, van kleine beursjes en op uitnodiging om artist in residence te zijn, dan sliep ze in atelierruimtes, op een vlonder in Tokio of in een tuinhuisje in Boedapest, waar ze kookte op een enkel elektrisch pitje. Van haar expedities maakte ze een boek waar ze een prijs mee won en dan kon ze weer een half jaar leven. Soms verkocht ze foto’s. Het was duidelijk dat dit het leven was dat ze wilde, dat ze gelukkig was in haar werk. Nu wilde ze de groep erbij betrekken, door samen foto’s op straat te gaan maken.

In de pauze sprak ik de deelnemers aan en een meisje zei dat ze op school nog nooit had meegemaakt dat een docent ervan uitging dat ze zou snappen en waarderen wat die haar vertelde, en Paulien deed dat wel. Opeens wilde ze er alles van weten, omdat Paulien over zichzelf vertelde en eerlijk was.

‘Ik zag haar helemaal alleen op straat in Tokio, dat is echt een idioot grote stad en ik vond het erg cool van haar, dat ze daar een boek van kon maken. Ik wist niet dat zoiets bestond.’

De groep had zelf het thema gekozen voor de foto’s die ze met hun telefoons gingen maken op straat: hoe mensen uit verschillende werelden vlak bij elkaar waren, maar door hun smartphone ook ergens anders. Paulien moedigde een jongen aan af te stappen op een stel toeristen die op een bank zaten en te vragen of hij ze mocht fotograferen. De anderen lachten om zijn verlegenheid, maar hij deed het wel. Later zei hij dat hij zoiets anders nooit had gedaan, omdat hij als Surinamer voelde dat mensen vaak vooroordelen hadden en afwerend werden. Dat ging hij liever uit de weg. Een andere jongen, stil en nerveus, was zijn eigen weg gegaan op het plein en terug in de kelder, toen de foto’s werden geprojecteerd op de muur, werd hij door de groep als winnaar uitgeroepen: hij had de beste ­foto’s gemaakt. Hij lachte en zei: veel rare mensen hier, ik kom nooit in dit deel van de stad.

Het was dezelfde jongen die later tegen Johan zei dat hij ONSbank zo tof vond omdat het een groepje was met mensen die helemaal niks te maken hadden met zijn familie en vriendengroep, en dat hij zou willen dat ONSbank een soort clubhuis had waar hij gewoon af en toe langs kon om te hangen. En wanneer gingen we weer zo’n gezamenlijke maaltijd doen?

Johan en ik dachten dat het beste wat we konden doen was hieruit concluderen dat we niet wisten wat we deden. De workshops hadden misschien af en toe een heel gunstige uitwerking, maar dat kwam vaak door dingen waar we nog helemaal niet over hadden nagedacht. Het basisidee was dat de kunstenaars iets inbrachten om te doen, te maken en dat dat een veilige aanleiding was om mensen serieus te nemen, ze over te halen hun verhaal te vertellen en aan het denken te zetten. Maar dat zou veel en veel beter werken als we meer wisten van de belevingswereld, de voorkeuren, de belangstelling van de deelnemers. Misschien moesten we op zoek naar kunstenaars en fotografen die cultureel iets gemeen hadden met de deelnemers? Jonge mensen met een biculturele achtergrond. Mensen die zelf ook te maken hadden gehad met racisme. Mensen uit hun eigen buurt.

Dan was er nog een cruciaal punt: de beste band bouwde een groep deelnemers op met mensen die zich niet als een social designer of een trainer opstelden, oftewel te veel leken op een hulpverlener met een al dan niet politieke of zweverige ideologie, die op alles een antwoord had, maar met mensen die koppig of naïef ‘hun eigen ding deden’, en ook eerlijk waren over hun problemen of twijfels. Mensen die tegen de verdrukking in iets uitstraalden van een waardige zelfregie. Het ging om oprechtheid, gelijkwaardigheid, aandacht en zelfvertrouwen, plezier en trots in hun vak, dat maakte indruk, met zulke mensen wilden ze een workshop doen. Dat gaf ruimte, dan kwam het spel om via iets wat samen gedaan of gemaakt werd het te hebben over moeilijke vragen wel op gang.


De betrekkelijke schrijver

Het werk aan ONSbank bevestigde mijn intuïtie dat workshops met kunstenaars, dansers en verhalenvertellers de jongeren met problematische schulden konden helpen meer zelfbesef en een perspectief te ontdekken. Maar het leerde me ook hoe weinig ik wist van die andere levens, hoe groot de kloof is tussen mijn ervaring en die van die jongens en meisjes om wie het ging. ONSbank kon alleen beter worden als we ons niet-weten erkenden en als zintuig gebruikten.

Van de situatie waarin de vonk tussen kunst en leven kon oplichten, ruimte of een vrijer perspectief voelbaar maken, bestaat geen neutrale versie. Het berust op een interactie waarbij de deelnemers even belangrijk zijn als degene die de workshop doet. En ja, voor mij gelden heel andere obstakels om meegenomen te worden in zoiets dan voor een meisje dat haar hbo-studie verpleegkunde moest afbreken omdat ze voor haar zieke moeder moest zorgen en studieschulden en zorgpremieschulden kreeg en alle rekeningen verstopte tot de deurwaarder kwam en die nu haar moeder dood is door haar broers buiten de deur dreigt te worden gezet. Bang van haar schulden. Zoiets kun je van tevoren bedenken, maar dat doe je niet of niet zo indringend als je er niet zelf bij bent en meedenkt over het opzetten van die workshops.

In de jaren dat ik meewerkte aan ONSbank stelde ik me vermoedelijk op als wat Antonio Gramsci een organisch intellectueel noemde. De kennis en vaardigheden die ik had zette ik in om ONSbank te helpen opbouwen en verbeteren; erover te vertellen en mensen te overtuigen; op koers te houden en zelflerend te maken. Toen ONSbank leek te gaan werken en groeide, merkte ik dat ik me terugtrok. Niet dat ik het geloof in de aanpak verloren had, maar ik bespeurde dat ik overweldigd werd door de complexiteit waarmee ik in aanraking was gekomen.

Ik ging nadenken over de kwetsbaarheid, de onvermijdelijke eenzijdigheid en beperktheid van alle ideeën die we ontwikkelden, oog in oog met de moeilijkheden en het onvermogen in de levens van de jongeren. Alle vormen van sociale ondersteuning en hulp kregen te maken met een even gruwelijk als wonderlijk mechanisme: dat de krachten en omstandigheden waar onze levens uit voortkomen, die ons maken tot wie we zijn, wat we kunnen en verlangen exact dezelfde krachten, erfenissen en trauma’s zijn die ons beschadigen, gijzelen, terroriseren.

We leiden ons leven in de gedeelde realiteit van systemen waarin we zorgen voor ons overleven, en zorgen voor onze scholing, veiligheid en vermaak. Daar bevredigen we ook onze behoefte aan erkenning en geldingsdrang. Daar maken we deals en contracten, bondgenootschappen. We slagen en falen er, we maken het of niet.

Maar daarin en daaronder, in alle acht miljard levende individuen, is een tweede wereld. De wereld van de beleving, van het ondergaan van een mensenleven, meedraaiend in de eerste wereld. We leven simultaan in twee werelden, de harde wereld en de grotendeels verzwegen zachte wereld, die aan de harde wereld onderworpen is. Als mensen elkaar ergens werkelijk zien, compassie tonen en helpen, dan hier.

Die subjectieve wereld, waar we ‘onszelf’ zijn, bestaat uit herinneringen, angsten, woede, dromen, verlangens en allerlei vormen van verdriet. Hier komen de twee kanten van ons leven samen – onze ‘gemaaktheid’ door de geschiedenis en ons ‘makerschap’ van een eigen binnenwereld, een uniek leven – en dat is waar literatuur mee werkt. Het is die betrekking, die double bind waarin schrijvers hun werk doen. Door ONSbank werd me duidelijker dan ooit tevoren dat de poging om literair te schrijven betekent dat je van die gruwelijke en mysterieuze dynamiek openbaar getuigenis aflegt. Van organisch intellectueel werd ik weer schrijver.


Voor info: onsbank.nl. Dit essay in de reeks ‘Schrijver in de wereld’ kwam tot stand met financiële steun van het Lirafonds.

Dirk van Weelden (1957) is schrijver en redacteur van De Gids. Hij debuteerde in 1987 samen met Martin Bril met Arbeidsvitaminen, daarna in 1989 solo met Tegenwoordigheid van geest. Hij schreef romans, novellen en bundels met essays en verhalen. Zijn recentste roman is Het laatste jaar (2013). Hij werkt aan een nieuwe roman.

Meer van deze auteur