Tussen de kassen en de leeggegeten zonnebloemen bevoel ik haar als ze vrij is van school.
Voor de vorst komt is alles winterklaar: jute om de planten, draad langs de staken, ik verzamel
zaden die de bolsters hebben uitgebraakt, de dieren zijn vermagerd maar ze ademen,
hier is een plek voor allemaal dus ook voor haar.

Soms steekt ze haar bleke hoofd in de composthoop, de berg lente die haar bloei heeft
afgestaan, ik geef haar grashark, afdekzeil, streel haar als ze stro op het akkertje legt, ze is
prachtig weerbestendig, als ze narrig is of droef zeg ik: kom liggen op mijn schoot, op mijn
buik, het werk komt later, voel: hier begint de grond al te bevriezen

en soms maak ik haar huiswerk, ik weet de rijtjes nog, ik mag dan oud zijn, scherpte heb ik
nooit gemist, mijn kale tuin ligt dan wel braak maar het herinnert zich, vergist zich niet,
ik heb de regels goed gelezen:

op een besneeuwd gazon mag je niet lopen, over drinkplaatsen moet je netten spannen anders
verstijven de vleugels, winterviolen verduren de kou door een rijpingsproces in de nerven
dus de violen mogen blijven, bezit je een buitenkraan, sluit het water dan af, haal de tuinslang weg

hoe hard ik mijn best doe de boel te laten overleven. Hoe ik mijn handen zwart en koel
sluit om wat buiten zal vermolmen, haar borsten passen vingerdicht in de holle vorm
die ik ben op een doordeweekse dag in november

en het mooiste moet nog komen. Alles is stil, gestut, vergrendeld, van binnen buigzaam,
warm, we rijzen in een kom onder een theedoek, wachten op licht, sluiten de ogen nog even
dus ik zie het niet,

ik zie het niet. Wat de vogels in hun buiken naar het zuiden meenemen, gehard, ingedroogd,
meegepikt, haar wroeging of schaamte, ik weet niet beter dan dat ik beschutting bied, echt niet.

En zij zegt: er is me iets aangedaan, er is me iets voorgehouden, en ze geloven haar,
natuurlijk, dus ik trek het laatste stro uit de baal, haal de karkassen van het land, sluit het gas af

vertrek zonder omhaal, zwijg naar de krant, zeg tegen de mensen: vervroegd pensioen, sluit het
perceel met het roestende hangslot, loop over het pad langs de greppel naar huis.

Iduna Paalman (1991) studeerde Duits en geschiedenis in Amsterdam en Berlijn. Haar poëzie en korte verhalen verschenen onder meer in De Gids, De Revisor, Het Liegend Konijn en NRC Handelsblad. Ook is ze vaste columnist bij Hard//hoofd. Haar poëziedebuut De grom uit de hond halen verscheen september 2019 bij uitgeverij Querido. 

Meer van deze auteur