Er gaat een verhaal over een fan van Salinger die na heel lang zoeken zijn geheime woonplek (in New Hampshire) had gevonden en bij hem aanbelde. Toen Salinger opendeed zei de jongen: ‘Ik ben uw grootste fan,’ waarop Salinger antwoordde: ‘Als dat zo was, dan had je hier nooit voor de deur gestaan.’

Zoiets overkwam mij vorige zomer.

Twee jaar geleden las ik Between the World and Me van de Amerikaanse schrijver Ta-Nehasi Coates op een klein campingstoeltje (waar ik uiteindelijk doorheen ben gezakt). Het boek is een lange brief aan zijn zoon waarin hij uitlegt ‘what it means to have a black body in America’. Het brak mijn hart.
Daarna heb ik een aantal keer en plein public, in columns en interviews, gesproken over hoe belangrijk dat boek is. ‘This is required reading,’ zegt Toni Morrison op de cover van het boek in een rode sticker en omdat ik dat ook vond, heb ik het op vele verjaardagen cadeau gegeven. Toen ik onlangs een podcast luisterde waarin een interviewer aan Coates vroeg waarom Between the World and Me zo’n succes was, zei Coates: ‘I really don’t know man. It’s a book white people read and think they understand something.’

Volgens het verhaal stond de fan sprakeloos tegenover hem, waarna Salinger de deur dichtdeed en na een paar uur naar buiten kwam met een banaan. De fan stond er nog, was nog steeds sprakeloos, en Salinger zei alleen maar: ‘For the road.’ Wellicht is het wat overtrokken om mezelf te vergelijken met de Salinger-fan, maar ik kan me voorstellen dat die fan, net als ik toen ik luisterde naar het interview met Coates, ontregeld was. Ik had net voor een universiteitsblad een lijstje gemaakt met boeken die mijn leven hadden veranderd waar Between the World and Me ook opstond. Moest ik dat lijstje terugvragen en Coates vervangen door iets anders, omdat ik met dat boek op de lijst suggereerde dat ik wist hoe het is ‘to be a black body in America’?

Ik probeerde na te gaan wat ik precies begrepen had uit het boek.

Coates stelt ongelijkheid voor als een lichamelijke kwestie. Hij maakt duidelijk – en ik had me dat zonder dat boek misschien wel nooit gerealiseerd – hoe je lichamelijke geheugen zo vaak in de weg staat van emancipatie.

Ik vond heel veel zo herkenbaar, maar wat ik herkende was hoogstwaarschijnlijk mijn eigen lichaam en hoe vergelijkbaar was mijn lichaam met het zijne? Had ik geprobeerd me in zijn lichaam te verplaatsen, of kon ik me door zijn boek eindelijk in mijn eigen lichaam verplaatsen?

Ruth van Beek

Het is natuurlijk geen ramp (slechts uitermate verdrietig) dat ik me uiteindelijk niet in hem kan verplaatsen, maar deze gedachten brachten mij ertoe om de reputatie van ons voorstellingsvermogen eens grondig te herzien. Doorgaans stellen we ons namelijk nogal veel voor van ons voorstellingsvermogen. Dat het een spier is die we kunnen trainen. Een maag die groter wordt naarmate je er meer in stopt. Een onuitputtelijke bron van empathie, plezier en geestelijke rijkdom waarvan lang is gedacht dat het uniek was voor het mensdom. 

Het is waar dat het bijzonder is. Ons voorstellingsvermogen verschaft ons uitzicht tijdens uitzichtloze periodes, een glimp van een mogelijkheid in tijden van onmogelijkheid, beweging wanneer we vastzitten. Wellicht is het deze wonderlijke werking die ervoor zorgt dat we het voorstellingsvermogen zoveel vertrouwen geven. Zoveel dat we denken dat de mogelijkheden oneindig zijn.

Er zijn bijvoorbeeld ‘Guantanamo Bay experiences’ te koop, waarbij je een augmented reality-bril opzet waardoor je je in Guantanamo Bay waant. Het idee is dat je je vervolgens kunt verplaatsen in de mensen die daar vastzitten. Je kunt ook een armoede-ervaringsweek doen, een dikmaakpak aantrekken of een ouderdomspak, waarbij je ledematen in hun bewegingsruimte worden beperkt.

Doorgaans stellen we ons nogal veel voor van ons voorstellingsvermogen

In dezelfde lijn, maar van ogenschijnlijk minder belachelijke aard, plegen mensen met hun werk ‘een stem te geven aan de stemlozen’. Je hoort schrijvers, filmmakers, beleidsmakers hun werk vaak genoeg op die manier typeren en ik zette daar nooit vraagtekens bij. Ik heb nota bene zelf geld aangevraagd bij de overheid om een schrijfschool te beginnen voor kinderen met een taalachterstand. In het dossier stond letterlijk dat het schooltje een stem aan de stemlozen moest geven. 

Dat je dit zo vaak voorbij hoort vliegen als argument betekent wellicht dat we denken dat zoiets mogelijk is. Dat we met ons enorme voorstellingsvermogen in staat zijn om voor iemand anders te spreken.

Een vrouw – oprichter van een ngo – die ik hierover sprak, zei: ‘The voiceless already have a voice. We just have to listen. Isn’t it ridiculous to think that we have the power to give people a voice, as if our inability to listen defines their ability to speak?’

Maar zelfs als we dat doen, luisteren, wat horen we dan? De vrouw van de ngo suggereerde dat als we luisteren, we het zullen begrijpen. We het ons kunnen voorstellen. Maar wat als dat niet kan?

Ik zou zeker niet willen beweren dat we ons niks kunnen voorstellen. Waar het om gaat is dat we doorgaans uitgaan van het omgekeerde, namelijk dat we alles denken te begrijpen omdat we denken ons alles te kunnen voorstellen. Je zou kunnen zeggen dat er niks mis is met de poging een ander te begrijpen door bijvoorbeeld een armoede-ervaringsweek te doen, maar de ervaring leert dat proberen te begrijpen al heel snel verandert in denken dat je het begrijpt. En hoe onschuldig is dat? Te denken dat we het begrijpen?

In de dichtbundel Koerikoeloem van Tjitske Jansen staat de volgende passage:

Er was dezelfde dominee tegen wie ik tijdens de catechisatie zei: ‘Ik kan me niet voorstellen dat God de wereld in zeven dagen heeft geschapen. Dat kan ik me niet voorstellen.’ Ik wist vrijwel zeker dat de dominee daar net zo over dacht als ik, dat je die zeven dagen niet letterlijk moest opvatten, dat je die symbolisch moest zien, maar ik wilde graag dat hij dat hardop zei want dat had hij nog niet gedaan en de anderen moesten het ook horen. Ik hielp hem als het ware met mijn stelling. Hij hoefde alleen nog aan te vullen: ‘Natuurlijk heeft God de wereld niet in zeven dagen geschapen, dat moet je anders zien.’ Maar dat zei hij niet. Hij zei: ‘Gelukkig hangt de schepping niet af van jouw voorstellingsvermogen.’

Ik las de bundel bij verschijning in 2007 en ben sindsdien met deze specifieke passage in gesprek geweest. In eerste instantie voelde ik me betrapt door die dominee. Ik zag allerlei momenten voor me waarin ik met veel bombarie in reactie op iets had geroepen: nou ja! Dat kan ik me gewoon echt niet voorstellen! Ga toch weg!

In feite is zo’n uitspraak een eloquente manier om ‘nietes!’ te zeggen. Sterker nog, door je voorstellingsvermogen erbij te betrekken, suggereer je dat de ander echt ongelijk heeft, want als zelfs je voorstellingsvermogen er niet bij kan (die wondermachine), dan zal het wel niet waar zijn.

Door de uitspraak van die dominee begreep ik: we moeten ons oefenen in niet-weten, want als we ‘de schepping van ons voorstellingsvermogen laten afhangen’ wordt de wereld een hele kleine plek.

De uitroep ‘ga toch weg!’ is in dit verband wel betekenisvol, want uiteindelijk is de consequentie van iemands weigering zijn voorstellingsvermogen voor jou uit te breiden dat je dus ‘weggaat’. Uit een verhaal, uit een hoofd, uit een situatie. Of wegblijft eerder.

Een Zuid-Afrikaan vertelde me dat zoiets als Zwarte Piet hem echt pijn doet en dat de reactie van veel Nederlanders dan is: nee, maar je begrijpt het niet! Het is niet pijnlijk bedoeld! ‘Het is dan net alsof iemand je in je gezicht slaat waarop je zegt dat het pijn doet en iemand anders dan zegt: “Nee, maar je begrijpt het niet!” en het vervolgens nog een keer doet.’

Het voorstellingsvermogen (of eigenlijk het gebrek eraan) kan dus iets gewelddadigs zijn, terwijl we het doorgaans niet zo zien. Eerder als het tegendeel. Het heeft de associatie van onschuld, alsof het een vakantie van de werkelijkheid is, een vrijplaats waar we opnieuw kunnen denken over alles.

Hebben we genoeg voorstellingsvermogen om te weten hoe slim dieren zijn?

Het is de vraag wat er gebeurt met alle dingen die niet in ons voorstellingsvermogen passen. Worden die dingen inderdaad geweld aangedaan?

In het meest recente boek van Frans de Waal Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? stelt hij dit vraagstuk aan de kaak. Hebben we genoeg voorstellingsvermogen om te weten hoe slim dieren zijn?

Hij haalt allerlei onderzoeken aan waarin apen werden onderworpen aan experimenten om aan te kunnen tonen of zij gezichten kunnen herkennen, omdat gezichtsherkenning in de jaren tachtig en negentig werd beschouwd als de lakmoesproef voor intelligentie en bewustzijn. Ze lieten de apen tien jaar lang foto’s van mensen zien en de apen herkenden keer op keer geen enkel gezicht, waardoor er conclusies werden getrokken over de intelligentie van apen. Pas na 2000 suggereerde iemand dat ze dat onderzoek eens moesten doen met foto’s van apen in plaats van mensen. Vervolgens bleken de apen uitstekend in staat gezichten te onderscheiden en te herkennen. Het hele boek staat bol van de voorbeelden waarin wij de rest van de schepping aan een soort (westers) inburgeringsexamen onderwerpen in de hoop dat de rest van de schepping voor dat examen zakt, zodat we kunnen volhouden dat de wereld er voor ons is.

Octopussen schijnen hele intelligente dieren te zijn en soms stel ik me voor dat de rollen zouden zijn omgedraaid. Dat niet wij maar de octopus erin was geslaagd om zichzelf buiten de voedselketen te plaatsen en dat de octopus (om precies te zijn zou ik moeten zeggen ‘dat de westerse octopus’) dan allerlei testen zou doen met de hele schepping om te verifiëren of ze even bijzonder zijn als zijzelf. Octopussen kunnen bijvoorbeeld op commando in acht verschillende kleuren veranderen, dus dan stel ik me voor dat alle dieren – inclusief wij – worden getest op de hoeveelheid kleuren waarin ze kunnen veranderen. En als dan blijkt dat niemand op commando blauw kan worden, zal de octopus tevreden naar huis drijven en denken: zie je wel hoe bijzonder wij zijn. Niemand kan wat wij kunnen!

Er zijn zoveel manieren van kennen, liefhebben en bestaan verdwenen, en ik durf te beweren dat ons voorstellingsvermogen daar iets mee te maken heeft. En toen ik allerlei voorbeelden van mensen, dieren, fenomenen die op zeker moment in de geschiedenis buiten het voorstellingsvermogen vallen op een rijtje zette, begon ik een patroon te zien. Het lijkt erop dat ons voorstellingsvermogen de machtsverhoudingen in de wereld vrij exact reflecteert.

Het vreemde is alleen dat het voorstellingsvermogen totaal anders te boek staat, namelijk als iets waardoor je kunt ontsnappen aan macht. Het voorstellingsvermogen beschouwen we als nooduitgang van een bepaalde status quo. Maar als het voorstellingsvermogen en macht zozeer met elkaar samenhangen, zozeer door elkaar gevormd worden, waar begint het dan? Ik bedoel: heb je macht en zorg je er vervolgens voor dat ons voorstellingsvermogen de legitimiteit van die macht niet ter discussie stelt, of begint het met ons voorstellingsvermogen? Verkrijg je macht door het voorstellingsvermogen te vormen?

Waarschijnlijk wel, alleen lijkt het erop dat de mensen die ons voorstellingsvermogen vormen, al macht hebben. Of wellicht is ook dat omgekeerd: was er een soort voorstellingsvermogen waardoor bepaalde mensen aan de macht kunnen komen?

Het voorstellingsvermogen beschouwen we als nooduitgang van een bepaalde status quo

Het volgende raadsel (waarvan ik dacht dat iedereen het ondertussen kende) heb ik voor dit essay nog maar eens op wat mensen getest. Een vader en zoon krijgen een auto-ongeluk, vader is dood, zoon ligt op de intensive care en moet meteen geopereerd worden. De chirurg komt de ok binnen en roept uit: ‘Dat is mijn zoon!’ Hoe kan dat?

Zonder uitzondering kreeg ik het antwoord: waarschijnlijk was die vader schijndood. Dat zijn moeder óók de chirurg zou kunnen zijn kwam – tot hun eigen schaamte – niet in mensen op.

Wat er in ons op zou kunnen komen wordt buiten ons om bepaald. Niet door een soort evil genius, maar door hoe de verhoudingen en dus onze verhalen (of omgekeerd, dat weet ik nooit zo goed) en onze representaties geconstrueerd zijn.

Die gedachte zette de opmerking van de dominee in een ander licht. Terwijl ik het eerst las als een oproep tot nederigheid, realiseerde ik me later dat er tussen de dominee en het meisje ook een sprake is van een ongelijke machtsverhouding. Zij mag misschien de wereld niet laten afhangen van haar voorstellingsvermogen, maar feit is dat de wereld wel een stuk meer afhangt van zíjn voorstellingsvermogen. Niet het voorstellingsvermogen van de dominee persoonlijk, maar zijn voorvaderen hebben een voorstellingsvermogen over de wereld verspreid waarin witte hoogopgeleide heteromannen aan het stuur zitten van alle auto’s, vliegtuigen, raketten, landen, reddingsoperaties, waardoor op wonderlijke wijze wordt bepaald wat er in haar op zou kunnen komen.

Dat ons voorstellingsvermogen samenhangt met macht zou hoopvol kunnen zijn. Het zou kunnen betekenen dat de dingen kunnen verschuiven. Ik denk alleen niet dat ons voorstellingsvermogen ons voor is. Het lijkt erop dat alle emancipatiebewegingen van de afgelopen tweehonderd jaar heel hard moesten roepen ‘wij zijn er’, zodat ons voorstellingsvermogen met pijn en moeite groter is geworden.

Misschien kan ons voorstellingsvermogen alleen maar groeien als we ons er niet te veel van voorstellen. Misschien als een dartbord waarvan de roos ons collectieve voorstellingsvermogen symboliseert en in het centrum het meest voorstelbare exemplaar staat, namelijk een witte heteroseksuele hoogopgeleide man. Aangezien vrouwen en niet-witten lange tijd niet echt beschouwd werden als mens, of in ieder geval niet echt voorstelbaar waren, vielen ze in een zee buiten het dartbord. Ik stelde me voor dat wanneer de ‘cirkel van het voorstellingsvermogen’ zich uitbreidt naar bijvoorbeeld vrouwen, ze daarmee op het droge worden getrokken en ergens rond die roos circuleren.

Alhoewel het wellicht accurater is om te stellen dat het andersom is. Als ons voorstellingsvermogen gemaakt is van de wereld om ons heen, en als het zo is dat ons voorstellingsvermogen geen vakantie van de werkelijkheid is, geen oneindige vrijplaats, maar de ruimte bepaalt waarbinnen we kunnen denken, is het dan niet zo dat de mensen die eisen dat we ons voorstellingsvermogen uitbreiden, soms alleen maar door er te zijn, ons redden van de beklemmende ruimte die ons voorstellingsvermogen zal worden als wij de enige zijn die erin passen?

Ik bedoel dit: je hoort regelmatig dat we voorstellingsvermogen nodig hebben om voorbij het heersend paradigma te denken, ‘de klimaatcrisis is een crisis van de verbeelding’ kopte de De Groene Amsterdammer onlangs. En als ons voorstellingsvermogen zich nooit méér dan wat er nu al is kan voorstellen, maar altijd beduidend minder, is het dan niet andersom?

We hebben geen voorstellingsvermogen nodig om de wereld te redden, we hebben wereld nodig om ons voorstellingsvermogen te redden.

Ik heb uiteindelijk het lijstje van boeken die mijn leven veranderden niet veranderd. Na dat boek was mijn voorstellingsvermogen anders. Ik weet niet of het groter was, maar het bevatte wel veel meer mensen. En stel dat Coates dat lijstje of dit essay onder ogen zou krijgen, dan vraagt hij zich misschien af: wat koop ik voor jouw begrip? Hoe plat ook, ik geloof wel dat het een legitieme vraag is. In feite koopt hij daar niks voor. De (uitermate verdrietige) waarheid is dat ik hem meer nodig heb dan hij mij.

Ik heb hem nodig om over de grens van mijn eigen voorstellingsvermogen te worden getrokken, wat levensnoodzakelijk is, omdat onderzoek heeft uitgewezen dat als je de enige bent die daarin past, je tot een zwart gat zult transformeren en in je eigen leegte (oftewel gebrek aan voorstellingsvermogen) te pletter zult slaan.

Rebekka de Wit (1985) is schrijver en artistiek leider bij Antwerps theatergezelschap De Nwe Tijd. In 2015 verscheen haar debuut­roman We komen nog één wonder tekort bij Atlas Contact. Ze schrijft onder andere voor De Correspondent en is columnist bij Rekto:verso.

Meer van deze auteur