Er wordt veel geschreeuwd in de twee korte romans van Édouard Louis, Weg met Eddy Bellegueule en Geschiedenis van geweld, en ook veel gespuugd. Vaak gebeurt het ook min of meer tegelijkertijd, alsof spuug de materiële vorm van taal is, een betrouwbaarder betekenisdrager dan woorden, die vaak verkeerd worden begrepen. Weg met Eddy Bellegueule begint met een vechtpartij op school. ‘De lange met het rode haar spuugde Hier, voor in je smoel. De klodder liep langzaam over mijn gezicht, geel en dik zoals dat luidruchtige slijm dat de keel van bejaarden en van zieke mensen verstopt.’ Het is gruwelijk efficiënt. De woorden die de lange met het rode haar heeft uitgespuugd (en die zijn gecursiveerd, zoals alle uitspraken van personages uit het arbeidersmilieu) worden ingebed tussen ‘spuugde’ en ‘de klodder’, waardoor spuug en woorden niet van elkaar gescheiden zijn, één enkele materiële aanranding die niet kan worden weggeveegd.

Spuug en woorden kunnen niet van elkaar worden gescheiden

In Geschiedenis van geweld begint de man die door Édouard op kerstavond is opgepikt boos te schreeuwen. ‘Hij trok een grimas en hij schreeuwde Wat vertel je me nou? Wat vertel je me nou? En hij was zo kwaad dat er spuug op Édouards voorhoofd belandde, Édouards gezicht zat onder het spuug, of snot, of allebei.’ Édouard blijft het geweld van Reda’s woorden stug negeren en houdt vast aan hun letterlijke betekenis, een dodelijke vergissing waarvoor hij zal worden gestraft. ‘En Édouard, geloof het of niet, hij zei het nog een keer […] alsof Wat vertel je me nou een echte vraag was, ik zweer het je. Hij antwoordde op Wat vertel je me nou,’ waardoor Reda zo kwaad wordt dat hij Édouard probeert te wurgen en verkracht. ‘Het was zo idioot dat ik voelde dat ik moest lachen en dat ik dacht Hoe kan je toch zo debiel zijn om te antwoorden alsof het een vraag was.’

Aan het woord is Édouards zus, Clara, die deze gebeurtenissen aan haar man vertelt terwijl Édouard achter een deur verstopt zit en hen probeert af te luisteren. In Geschiedenis van geweld vertelt Édouard in de ik-vorm hoe hij zijn zus afluistert, terwijl hij gaandeweg Clara’s fouten verbetert en zich er ook over beklaagt dat er slecht wordt geluisterd. In beide romans staan luisteren en niet luisteren centraal. Ze kunnen worden gebruikt als instrumenten om de ander te overheersen, en in zijn boeken stelt Louis de vraag hoe ze ook als verzetsmiddelen kunnen worden ingezet. Zo komt Édouard in Geschiedenis van geweld klem te zitten tussen de kaken van Clara’s verhaal, en hij krijgt zijn gevoel van zelfbeschikking pas terug wanneer hij zich voor haar afsluit. Het boek eindigt nadat Édouard, die achter de deur staat, tegen zichzelf heeft gezegd: ‘Niet meer naar haar luisteren. […] Niet meer naar haar luisteren,’ en uiteindelijk besluit: ‘Ik luister niet meer naar wat Clara zegt.’

De cursiveringen in Geschiedenis van geweld vormen een even markant patroon als in Weg met Eddy Bellegueule, maar hier dienen ze niet om de arbeiderstaal uit Eddy’s jeugd te isoleren, maar om Édouards gedachten aan te duiden, de stille terzijdes die hij alleen met zijn lezers deelt. De cursiveringen zijn een agressieve keuze die er tezamen met andere structurele kenmerken (ingebedde dialogen, lange alinea’s, meerstemmigheid) voor zorgen dat de boeken als verwanten te herkennen zijn, als loten van één en dezelfde boom. Er zijn zelfs zoveel overeenkomsten – de ik-verteller (Édouard Louis), een groot aantal van de hoofdpersonen en sommige decors (Parijs en het fabrieksstadje in Picardië waar Eddy is opgegroeid) – dat de boeken te lezen zijn als losse afleveringen van een serie die nog wel een tijdje zal lopen. In de eerste aflevering zijn we getuige van de jeugd van Eddy, die homo is en opgroeit in een arbeidersgezin, en van zijn Jekyll-en-Hyde-achtige seksuele ontwaken, een schizofrenie die zo slopend is dat Édouard Louis, de homoseksuele auteur, geen andere keuze heeft dan het doden van Eddy Bellegueule, de jongen die hopeloze pogingen deed om ‘een vechtersbaas’ te worden. Weg met Eddy Bellegueule is zijn moordwapen. Aflevering twee, Geschiedenis van geweld, gaat over de kerstavond die Édouard meemaakt vlak nadat hij Weg met Eddy Bellegueule heeft voltooid en over een seksontmoeting die helemaal uit de hand loopt. Louis luistert zijn zus af wanneer zij het verhaal aan haar echtgenoot vertelt. In beide boeken zijn taal en spuug essentiële middelen van een overheersingsapparaat dat Louis voornemens is te ontmantelen en inspecteren, namelijk het klassensysteem.

‘Ik draag twee talen met me mee: die van mijn jeugd en die andere, de taal van de cultuur, van school, van de literatuur’

Louis heeft gezegd: ‘Ik draag twee talen met me mee: die van mijn jeugd en die andere, de taal van de cultuur, van school, van de literatuur. [Jean] Genet vroeg: hoe kun je schrijven in de taal van de vijand? Wat betekent het om in de dominante taal, de taal van de bourgeoisie, te schrijven over de overheersten, die juist door de literatuur en de cultuur worden genegeerd? Dat probleem heb ik niet omdat de taal van mijn jeugd evenzeer mijn vijand was als de taal van de bourgeoisie. Het was de taal die vrouwen misbruikte, die “mietjes” zei en Noord-Afrikaanse immigranten schoffeerde. Ik schrijf niet in de taal van de vijand. Uiteindelijk schrijf ik tussen twee talen die vijanden zijn.’

De cursivering maakt de afstand tussen de vijandige talen in Weg met Eddy Bellegueule zichtbaar en markeert het volkse Frans van de dorpelingen, dat vreemd is aan het ‘standaard-Frans’ van de auteur. Het is een merkwaardig gewelddadige strategie waardoor hun woorden worden vervormd, uit het lood komen te staan en tot een soort stomme dingelijkheid worden gereduceerd. Hun woorden worden verdrukt, verdingelijkt, en verliezen de transparante helderheid die vereist is wanneer ze als betekenisdrager moeten fungeren. Op materieel niveau wordt het boek een slagveld, waarbij de twee machten zichtbaar tegenover elkaar staan: cursief versus romein. Louis creëert een bemiddelaarspositie door de schrijver zelf als personage in het boek op te voeren.

Hij stapt enkele keren vanuit het verhaal de tegenwoordige tijd in om het schrijven zelf te dramatiseren. Nadat hij heeft verteld hoe hij in zijn jeugd voor de spiegel ritueel tegen zichzelf bleef herhalen: ‘Vandaag word ik een vechtersbaas, vandaag word ik een vechtersbaas…’ voegt Édouard eraan toe: ‘(ik moet huilen omdat ik die zin belachelijk en weerzinwekkend vind, die zin die mij een paar jaar lang heeft vergezeld en tot op zekere hoogte, ik geloof niet dat ik overdrijf, het middelpunt van mijn leven vormde).’ Nadat hij herinneringen heeft opgehaald aan een ruzie tijdens zijn jeugd zegt hij: ‘(ik zei het niet op die manier, maar op sommige dagen heb ik er bij het schrijven van deze regels genoeg van om te proberen de taal die ik toen gebruikte te reconstrueren).’

Is dit de oprechtheid van een schrijver die transparant wil zijn? Of is het iets anders? De schrijver zit gevangen in het kruisvuur van de vijandige talen en zoekt dekking, een marge van vrijheid buiten de strijd. Luiheid is zo’n marge. Maar het is niet echt een geloofwaardige bewering. Een schrijver heeft er nooit genoeg van om door te werken in de hoop dat haar roman ooit aan haar verwachtingen zal voldoen. Louis past een soort neutraliteitsstrategie toe door zich te beroepen op ‘luiheid’, een niet-gebonden gebied van ongepolijstheid dat een excuus biedt om niet deel te nemen aan de strijd.

Dit staat weer in verband met zijn ideeën over Genet. In het interview waarin hij het over ‘vijandige talen’ had, beschreef hij een deel van zijn methode in Weg met Eddy Bellegueule als ‘schrijven tegen Genet’, wat hij als volgt uitlegt: ‘In een scène van Wonder van de roos verandert Genet, nadat hij is bespuugd omdat hij homo is, deze spuug in bloemen: alsof de literatuur estheticisme met zich meebrengt, alsof je dingen lyrisch moet maken om je ze weer te kunnen toe-eigenen; om ze mooi en metaforisch te maken.’ Het tussengebied dat Louis construeert verwerpt de literaire instrumenten van de geësthetiseerde en metaforische taal. Wanneer hij wordt bespuugd, geeft Louis ons spuug, en geen bloemen.

Dit zijn eerder materiële dan ruwe strategieën. Ze komen voort uit Louis’ besef dat boeken en taal, zelfs literatuur, materiële systemen zijn waarbinnen machtsverhoudingen gelden die via de eenvoudigste materiaalkeuzes worden geopenbaard – welke taal wordt er gebruikt en wiens vocabulaire? Wie wordt aan het woord gelaten en wie dient te luisteren? Hoe worden de woorden weergegeven en aan de lezers overgebracht?

De schrijver zit gevangen in het kruisvuur van vijandige talen

Weg met Eddy Bellegueule bestaat gedeeltelijk uit verhalen van Louis’ moeder en grootmoeder waarnaar hij, naar hij zelf beweert, nooit heeft geluisterd. ‘Haar leven verveelde haar en ze praatte om de leegte te vullen van dat bestaan dat niet meer inhield dan een reeks momenten van verveling en afmattende werkzaamheden. […] Ik zette de televisie aan wanneer ze het woord tot me richtte. Ze raakte niet uit haar evenwicht en ging door. […] Ze hield net als de vrouwen op het dorpsplein monologen zodat je het idee had kunnen krijgen dat het een ziekte was die zich onder die vrouwen verspreidde. Wanneer ze elkaar weer op het plein voor de school tegenkwamen, klonk er een reeks eindeloze, opeengestapelde alleenspraken, zonder dat iemand werkelijk naar iemand anders luisterde.’ Woorden waarnaar niet wordt geluisterd worden een soort chemisch afval, maar de vrouwen blijven het maar ophoesten. Zijn bewering dat hij nooit heeft geluisterd is flagrant onjuist, want het boek zelf bewijst het tegendeel. Maar het luisteren zelf neemt een ingewikkelde vorm aan.

Louis vertelt dat hij als volwassene, toen hij zich eindelijk bewust was van de waarde van de verhalen van zijn moeder, ‘zijn moeder probeerde op te nemen en haar taal probeerde te transcriberen. Maar het werkte niet, was volstrekt onbegrijpelijk. […] Op dat moment begreep ik dat ik alleen met een constructie – vandaar het woord “roman” – in staat zou zijn een vorm van waarheid te bereiken.’ Hij geeft ons niet de kans om naar zijn moeder te luisteren, maar vertaalt haar woorden naar een vorm en een vocabulaire die we als de hare kunnen lezen, terwijl ze dat niet zijn. Dit is geen ‘realiteit’, maar een realiteitseffect, dat net zo geësthetiseerd en kunstmatig is als alle andere literaire vormen. Louis probeert dat niet te verhullen. Het realiteitseffect wordt gewoon in ons bijzijn gecreëerd, zelfs nog sterker in Geschiedenis van geweld, waarin Louis zichzelf opvoert als degene wiens verhaal is gekidnapt. Verschillende partijen strijden om de zeggenschap over het verhaal van Reda en Édouard (met name de politie en Clara), tot de schrijver langskomt en hen allemaal aftroeft door zijn boek te schrijven.

Het schrijven zelf wordt de ontknoping van iedere worsteling. In beide boeken wijkt de chaos van de gebeurtenissen voor het compositorische vermogen van de schrijver wanneer de vloedstroom van zijn taal het beleefde conflict reconstrueert in een enkele, verenigde tekst, een geïntegreerd systeem met zijn eigen stromen en dieptes en logica. Louis schrijft tegen Genet en wantrouwt de zuiverheid van zijn transpositie, en daarom doet hij zijn best om in de soep te blijven spugen, om de verfijning van zijn teksten met fouten en realiteitseffecten te ontsieren en de wanorde in stand te houden. Maar sommige zaken gaan onherroepelijk verloren. Wanneer hij zich de molestatie door Reda voor de geest haalt, schrijft hij: ‘([…] als taal kenmerkend voor de mens is, dan weet ik niet wat ik was in die vijftig seconden waarin hij me vermoordde). (Door een vreemde omkering is het op dit moment juist tegengesteld, precies het tegendeel, ik heb alleen de taal nog en de angst ben ik kwijt, ik kan zeggen: “Ik was bang”, maar met die opmerking zal het nooit wat worden, een wanhopige poging om de sensatie, de waarheid van de angst terug te vinden.)’

Het vermogen van een verhaal om de ervaring te vervangen en ons te overheersen bedreigt Louis al voordat hij begint te schrijven. Wanneer hij kort na de verkrachting en mishandeling aangifte doet bij de politie schrijft hij: ‘Ik herkende niet meer wat ik zei. Ik herkende mijn eigen herinneringen niet meer toen ik ze vertelde; de twee agenten stelden me vragen die me dwongen de nacht met Reda anders te vertellen dan ik zou hebben gewild, en in de vorm die ze mijn verhaal opdrongen herkende ik niet meer wat ik had doorgemaakt […] ik voelde dat elke uitspraak die werd gedaan in aanwezigheid van de agenten andere uitspraken voor meteen daarna en voor altijd onmogelijk maakte.’

Er staat evenveel op het spel wanneer familieleden en vrienden zich in deze strijd mengen, maar dan is het gevecht minder eenzijdig. Een van de tekortkomingen van Weg met Eddy Bellegueule was de heldhaftige rol die de waarheidsprekende zoon kreeg toebedeeld. Louis kon nog beweren dat zijn moeders woorden, die hij als kind had gehaat, door zijn taal ‘een vorm van waarheid’ kregen.

Louis schrijft tegen Genet en wantrouwt de zuiverheid van zijn transpositie

Zijn vertaling van haar woorden naar literatuur (weliswaar een opzettelijk ontsierde en bespuugde sociaal-realistische variant daarvan) kon voor ‘waarheidsgetrouw’ doorgaan binnen de context die door het boek was gecreëerd. Maar die waarheidsgetrouwheid streeft hij niet na in Geschiedenis van geweld. Vooral in het belangrijkste conflict, waarbij de afluisterende Édouard Clara’s weergave van de gebeurtenissen in twijfel trekt, worden de invloed van eigenbelang en het ontbreken van een objectieve waarheid telkens weer ter sprake gebracht. Édouard blijkt ten slotte onbetrouwbaar te zijn en Clara bijzonder opmerkzaam. Maar uiteindelijk is het allemaal Édouard Louis. Hij heeft misschien het gevoel dat hij ‘een personage in het verhaal van iemand anders’ is geworden, maar welbeschouwd is dat juist het lot van Clara, Reda, zijn vrienden Henri, Didier en Geoffroy en de politieagenten – kortom, van alle personages behalve Édouard Louis. Welke rol spelen wij als lezers? Zijn wij een soort jury die het verhaal van de aanklager aanhoort en Reda vervolgens al dan niet schuldig moet bevinden aan de verkrachting van en moordpoging op Louis? Is een roman niet een even nauwkeurig afgebakend lexicaal systeem als het strafrecht? Zijn de vertekeningen van de literatuur niet even benauwend en vervreemdend als de verdraaiingen die Édouard Louis heeft aangehoord toen de politie zijn verhaal overnam?

Dat is geen tekortkoming. De boeken werpen belangrijke vragen op, en die hoeven ze niet per se te beantwoorden. Vooral in Geschiedenis van geweld lijkt Louis zijn eerdere onmogelijke ambitie om ‘een vorm van waarheid’ te vinden te hebben opgegeven en uiteindelijk genoegen te nemen met iets wat voor iedereen veel nuttiger is. ‘Als ik erover nadenk zijn veel ogenblikken van vrijheid in mijn leven momenten geweest waarop ik kon liegen, en onder liegen versta ik weerstand bieden aan een waarheid die zich probeerde aan me op te dringen, aan mijn weefsels, aan mijn organen, in feite een waarheid die al in mij was, soms al lang, maar die door anderen in mij was aangebracht, van buitenaf, zoals de angst die Reda me had ingeboezemd, en ik besefte dat mijn leugens mijn enige echte kracht waren, het enige wapen waarop ik onvoorwaardelijk kon bouwen.’ Hij citeert Hannah Arendt: ‘“Met andere woorden, de bewuste ontkenning van de werkelijkheid – het vermogen om te liegen – en de mogelijkheid feiten te ontkennen – het vermogen om te handelen – zijn nauw met elkaar verbonden; ze komen allebei voort uit dezelfde bron: de verbeeldingskracht. Want het spreekt niet vanzelf dat we in staat zijn te zéggen ‘de zon schijnt’ terwijl het op hetzelfde moment regent […]; dat geeft eerder aan dat we met ons verstand en redeneervermogen perfect in staat zijn de wereld te begrijpen, maar er niet in geïntegreerd zijn, mee verbonden zijn zoals een deel onlosmakelijk vastzit aan het geheel. We zijn vrij om de wereld te veranderen en er iets nieuws in aan te brengen.” Daar is mijn genezing vandaan gekomen. Mijn genezing is voortgekomen uit die mogelijkheid om de werkelijkheid te ontkennen.’

Vertaling: Arthur Wevers

Weg met Eddy Bellegueule werd vertaald door Edu Borger en verscheen in 2014 bij De Bezige Bij Antwerpen. Geschiedenis van geweld werd vertaald door Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre en verscheen in 2017 bij De Bezige Bij.

Matthew Stadler (1959) is een Amerikaanse schrijver, bloemlezer en essayist, woonachtig in Rotterdam. Hij schreef zes romans en vele essays. In 2013 publiceerde De Gids de Nederlandse vertaling van zijn Benno Premsela Lezing, Interieurontwerp in oorlogstijd.

Meer van deze auteur