My mother is the text. I cannot enter her.
— Kate Zambreno, Book of Mutter



Moederboeken zijn even verschillend als de schrijvers ervan. De meeste moederboeken zijn rouwboeken. De schrijver rouwt om de moeder die er niet meer is of de moeder die niet meer de moeder is die ze was. Ik ga langs hun ruggen, Roland Barthes, Rouwdagboek, Tom Lanoye, Sprakeloos, Erwin Mortier, Gestameld liedboek, Meghan O’Rourke, The Long Goodbye… ik laat een vinger rusten op The Faraway Nearby van Rebecca Solnit, schuifel dan toch zijwaarts verder, Peter Verhelst, Voor het vergeten

Mijn moeder kwam ten val. Eerst bloedde alleen haar kin. Een dag later bleek het ook onder haar schedelpan te bloeden, er werd met spoed een drain in haar hoofd gestoken, maar de druk op haar hersenen minderde niet en nog een dag later hebben ze haar in coma gebracht en een stuk uit haar schedel gezaagd om haar hersenen de ruimte te geven.

Niets is zo leesverlammend als angst. Maar ik kan ook niet niet lezen, lezen is ademen, het ademen van mijn geest, ademruimte voor mijn hersenen. Uiteindelijk trok ik twee boeken van Kate Zambreno uit de kast om te herlezen: Book of Mutter en Appendix Project. Omdat mijn geest op een gelijkaardige manier werkt als die van Kate Zambreno. Ze zoekt in het werk van andere schrijvers en beeldend kunstenaars naar elementen, sporen, emoties, drijfveren, obsessies waarmee ze zich kan identificeren. Ze volgt alles wat aan haar trekt, doet research en maakt aantekeningen, en al doende legt ze linken, denkt ze na. Ze heeft het altijd over nadenken bij of doorheen of naar (think to/through/toward…) iets of iemand, nooit ‘over’, dat is haar te onbetrokken. Al zoekend en zwervend tekent zich een stafkaart af, in Book of Mutter wordt dat: ziedaar de landstreek van dertien jaar rouwen om haar moeder.

Ik begon te lezen, moest telkens opnieuw zinnen herbeginnen, terugkeren naar vorige passages, maar dat gaf niet, Book of Mutter is opgebouwd uit korte fragmenten. Je zou ze kunnen zien als blokken die gestapeld worden, maar misschien is dat te verticaal, te actief bouwend, terwijl het veeleer een horizontaal zoeken is, een plattegrond. Zelf beschouwt ze haar tekst als een huis met vele kamers. Ze legt ook de link met Louise Bourgeois’ Cells, een reeks installaties van kleine kamers of kooien waarbinnen ze voorwerpen uit haar verleden of nieuw gemaakte sculpturen arrangeerde, intens psychologische microkosmossen, er staat er ook een afgebeeld op de kaft van Book of Mutter. ‘Could each paragraph or page be like moving into a series of rooms, refracted and reflected with mirrors, getting lost, constantly returning?’ vraagt Kate Zambreno zich af.

Ik zou hier Roland Barthes bij kunnen betrekken, die iets gelijkaardigs doet in zijn Rouwdagboek – op gevierendeelde vellen typmachinepapier schrijft hij korte, haast aforistische fragmenten over zijn rouw om zijn moeder – en over wiens werk Kate Zambreno het uitgebreid heeft in beide boeken, maar het bestek van deze ene Gids-bladzijde is te klein voor alles wat over deze boeken te vertellen valt en ik wil verdergaan met haar nadenken rondom de vorm van haar boek (en bij uitbreiding al haar schrijven).

Over Book of Mutter deed ze dertien jaar. Het hele boek door hint ze op de constante reconstructie van het manuscript, de eindeloze pogingen om materiaal dat niet kneedbaar genoeg is toch vorm te geven. ‘I mutter, mutter, mutter’ – ‘Mutter’ is natuurlijk het Duitse woord voor moeder, maar betekent in het Engels eveneens ‘prevelen, mompelen’. In Appendix Project noemt ze het ook stotteren: ‘I was attempting to write something of this stutter, what I called mutter, and that was the rhythm of how I composed.’

Als lezer denk je doorgaans niet na over de verschillende vormen die het boek dat je in je handen houdt, al gehad heeft. Kate Zambreno herinnert je eraan. En dat rouw ook zo is, nooit af, altijd doorgaand.

Het Appendix Project ontstond uit haar weerstand tegen het voorlezen uit Book of Mutter. In plaats daarvan schreef ze lezingen waarin ze op basis van haar ervaring met het schrijven van Book of Mutter onderzoekt hoe ze wil schrijven.

In Wintergasten vertelde Colson Whitehead dat eens hij een boek af heeft, hij het ook helemaal gehad heeft met het onderwerp ervan, er helemaal klaar mee is. Kate Zambreno is zijn tegenpool. Zij heeft het over een verlangen dat blijft hangen, een verlangen dat het werk niet af is, dat het project blijft doorgaan. De veronderstelling heerst dat eens een werk begint, het ook moet eindigen. Dat het niet kan bestaan als proces. ‘The work’s life determines its death – a new life, for the reader.’ Wat Walter Benjamin het dodenmasker noemt. Kate Zambreno heeft het over het beperkende en beklemmende daarvan. En stelt er ‘the feeling of the notebook’ tegenover, ‘The work can remain, raw and private and shiny. Het is een kwaliteit die al Kate Zambreno’s werk heeft. In een klassiek essay krijg je als lezer het resultaat (vaak als onomstotelijk gebracht) voorgeschoteld van waar de schrijver diep over nagedacht heeft, in jouw plaats, je hoeft zelf niet meer na te denken, enkel te slikken. Bij Kate Zambreno lees je mee met haar nadenken, alsof je haar notebooks mag lezen. Ik vind dat stimulerender, niets prikkelt mijn eigen nadenken zozeer als haar nadenken volgen, parallel aan haar notities pen ik de mijne.

Én een leeslijst. In Appendix Project denkt ze rondom werk van opnieuw Louise Bourgeois en Roland Barthes, van Sebald, Handke, Freud, Anne Carson, Walter Benjamin, Marlene Dumas, Virginia Woolf, en menige andere. In Gender of Sound heeft Anne Carson het over het mannelijke ideaal van zelfcontrole versus het vrouwelijke ‘lekken’. ‘Woman is that creature who puts the inside on the outside. By projection and leakages of all kinds – somatic, vocal, emotional, sexual – females expose or expend what should be kept in.’ Kate Zambreno beseft dat ze veel van deze ‘leakages’ uit eerdere versies van haar Book of Mutter geschrapt heeft om de tekst minder troebel te maken. ‘Again back to Woolf – the desire to write a controlled text, so as not to be misread.’ En ze heeft het over een verlangen naar twijfel, niet alleen een verlangen naar een project of proces dat niet ophoudt, maar ook naar iets wat ruimte voor twijfel laat. Voor mij is dat een veel belangrijker waarde dan het verlangen naar controle en zelfcontrole. Ik moet bekennen dat ik een intuïtief wantrouwen voel jegens twijfelloze blijken van (zelf)controle.

Het Book of Mutter dat nooit af is, vertelt me niet alleen dat het rouwen nooit af is, het vertelt me ook dat het de moeder zelf is die altijd blijft doorgaan. Zo zijn moeders in het leven en de herinneringen van hun kinderen: nooit één definitieve versie en altijd doorgaand. Je bent nooit klaar met je moeder.

De dag dat ik dit schrijf, is mijn moeder jarig en wachten we tot ze ontwaakt uit de coma. De dag dat ik dit schrijf is het nog ongewis hoe haar toestand dan zal zijn.

Mijn hersenen hebben ademruimte nodig.

Ik blader terug naar het begin.

‘My mother is the text. I cannot enter her.’

Caro Van Thuyne (1970) leeft en schrijft in het Houtland achter de Vlaamse kust. In 2018 debuteerde ze met de verhalenbundel Wij, het schuim. In januari 2021 verscheen de roman Lijn van wee en wens.

Meer van deze auteur