Some boys take a beautiful girl
And hide her away from the rest of the world
I want to be the one to walk in the sun.
— Cyndi Lauper, ‘Girls Just Want to Have Fun’


In mijn laatste roman, De kier, laat ik een vrouw aan het woord die wij als samenleving niet horen en niet zien. Haar naam is Asha. De beklemmende, verstikkende situatie van dit karakter is ontsproten aan de verbeelding. Toch is zij geïnspireerd op verhalen uit de werkelijkheid. We leren van alles over haar binnenwereld. Een buitenwereld heeft ze niet. Ze is een verborgen vrouw.

Asha is steeds meer geïsoleerd geraakt in haar bestaan. Zij bekijkt en beleeft het leven letterlijk door een kier uit het raam. Daar ziet zij elke dag dezelfde straat. Het observeren van voorbijkomende wandelaars, een verhaal verzinnen bij hun leven, zijn haar voornaamste bezigheden. Het bekijken en sorteren van binnenkomende post in een vreemde taal structureert haar dagen. Zij heeft heel weinig. Zij spreekt de taal niet, heeft niet veel sociale contacten, komt nauwelijks buiten. Haar echtgenoot en zijn familie houden haar in mentale gevangenschap. Ze gelooft dat zij thuis moet blijven en zo een goede vrouw is: ‘Ik moet blij zijn dat hij, mijn echtgenoot, zo’n wereld zonder gevaren voor me heeft gemaakt. Ook de blauwe plekken, de schrammen, de aanhoudende pijn zijn daarvoor nodig. Er is altijd een prijs.’

In onze samenleving zien we het als een straf als mensen gedwongen binnen blijven. Als zij afgesloten zijn van de buitenwereld. Letterlijk niet naar buiten kunnen. Het duidelijkste voorbeeld hiervan is als iemand veroordeeld is tot een gevangenisstraf. Ook toen we door de coronacrisis massaal gedwongen waren om ons leven veel meer binnenshuis door te brengen, werd dit collectief gezien als een onwenselijke en benauwende situatie. Mensen omschreven dit alsof de tijd en hun ontwikkeling stil kwamen te staan. Interactie met de buitenwereld is een voorwaarde voor ontwikkeling en groei.

Het fundament voor mijn roman ontstond toen ik een paar jaar geleden het tragische verhaal van een verborgen vrouw in Rotterdam hoorde. Het begon met een bericht in de media over de vermissing van een jonge moeder. Uiteindelijk werd haar dode lichaam gevonden. De dader was haar echtgenoot. Het bleek dat de jonge moeder jarenlang geïsoleerd had geleefd onder dwang van haar man en schoonfamilie.

De tralies in het leven van deze jonge vrouw werden gevormd door de uitwassen van een giftige patriarchale denkwijze. IJzeren staven die hoogstwaarschijnlijk ook in het hoofd van de vrouw waren geïnternaliseerd. Ze bestaan uit rigide, koude opvattingen over hoe een vrouw zou moeten zijn. Die worden sterk aan de afwezigheid van een buitenwereld gekoppeld. Zij draagt de eer van de familie, van haar echtgenoot, van iedereen, en het is belangrijk dat die eer niet wordt geschonden. Het risico daarop moet worden geminimaliseerd. Daarom wordt zij zo klein mogelijk gehouden. Het allerliefst binnen. De prijs die daarvoor wordt betaald is dat zij nauwelijks over een vrij ‘ik’ beschikt dat de buitenwereld kan en mag ontdekken.

In mijn boek heeft de verborgenheid van het personage Asha een extreme vorm aangenomen. Maar er zijn ook andere vormen. Voorbeelden te over in onze samenleving. Ook hier spelen de binnens- en buitenwereld een rol. Denk aan vrouwen die klein worden gehouden door een dominante of jaloerse partner, mannen die hun vrouw zien als bezit en willen controleren op iedere vierkante millimeter van hun leven, zowel binnen- als buitenshuis. Denk aan vrouwen die lijden onder huiselijk geweld – tussen de vier muren waar zij juist veilig zouden moeten zijn, worden ze blootgesteld aan heftige intieme terreur. Denk aan vrouwen die kampen met seksuele intimidatie in de publieke ruimte, die zich mentaal en fysiek bewapenen als ze ‘s nachts de grens tussen binnen en buiten overgaan.

Niet lang nadat ik over de tragische zaak in Rotterdam had gehoord, volgden er meer verhalen. Voor mijn werk ontmoette ik een vrouw die een dergelijke gevangenschap wel had overleefd. Haar naam is Fayza Oum’Hamed. Zij had acht jaar in verborgenheid geleefd bij haar man en schoonfamilie in Amsterdam. Op een gegeven moment was ze in wanhoop van het balkon gesprongen. Gelukkig overleefde ze de val.

In onze samenleving geloven we dat je naar buiten moet en van alles moet ondernemen om te groeien en je te ontwikkelen. Hoe zou een persoon zijn die jarenlang afgesloten is geweest van de buitenwereld? Wier binnenwereld voor lange tijd haar hele wereld is geweest? Zouden haar ogen dof staan?

Fayza Oum’Hameds ogen twinkelden juist; ze bleek een indrukwekkende en levenslustige vrouw, die zichzelf opnieuw had uitgevonden en een leven en carrière had opgebouwd. Over haar ervaringen had ze een boek geschreven. ‘Ik ben ooit slachtoffer geworden, maar ik weiger om slachtoffer te zijn,’ zei ze tegen me. Een uitspraak die ik nooit meer vergeet.

Deze en andere verhalen lieten me niet meer los en prikkelden mijn geest. Dat onze samenleving ook verborgen vrouwen kent, zette me aan tot schrijven. Een verhaal over het gedwongen en vaak met geweld afgesloten zijn van de buitenwereld en de beleving van de gedachtewereld binnen. Dat was iets wat verteld moest worden in literaire vorm. Maar het fascineerde me ook om een andere reden. Deze vrouwen leerden me zoveel over waar we toe in staat zijn als mens. Over de duisternis waar mensen elkaar in kunnen hullen, maar ook over de kracht waarmee we als mens uit een vreselijke situatie kunnen breken.

Dit laatste werd de belangrijkste reden waarom er een boek kwam, waarom het personage Asha (letterlijk: ‘hoop’) is gecreëerd, waarom Asha de hoofdpersoon van het boek is geworden. Het ging me om het tonen van de kracht áchter het verborgen leed.


Na het verschijnen van het boek kreeg ik de vraag: heeft Asha geen gedachten die te intelligent zijn voor haar? De beroemde auteur en sociologe Fatima Mernissi schreef in het boek Het verboden dakterras over haar kinderjaren. Zij groeide op in een harem in Fez. Ze beschrijft dit als een kooi met gouden tralies. ‘De wereld buiten het smeedijzeren hek is ontoegankelijk en daarom een obsessie voor alle haremvrouwen. Met dromen, fantasieën, poëzie, toneelspel en zang overschrijden ze de opgelegde grenzen.’

In mijn boek denkt het personage Asha: ‘Nog steeds sta ik voor De Kier. Leeg, onverzadigbaar, nutteloos. […] Ik sluit mijn ogen. Er zijn geen grenzen meer. Geen lijst. Even zie ik alles.’ Asha overleeft haar gedwongen isolatie door haar verbeeldingskracht. Dit wordt ook de motor achter haar lange weg en nieuwsgierigheid naar ‘de buitenwereld’. Haar eerste vraagtekens en twijfels over de wereld waarin ze leeft. Of het wel klopt wat haar is voorgehouden. Haar eerste gedachten van verzet en strijd.

Dat de vrouwen die ik heb gesproken, de overlevers, tijdens hun gedwongen isolatie weinig opleiding hadden genoten in Nederland, de taal nog nauwelijks spraken en weinig interactie hadden met de buitenwereld, zegt niets over hun verbeeldings- of overlevingskracht. Sterker nog, in de verhalen leek vooral verbeeldingskracht een sleutelrol te spelen. Zonder veel prikkels of invloeden van buitenaf hebben zij een mentale kracht gevonden om te overleven en eruit te breken. En daarna zijn zij in staat geweest een leven voor zichzelf op te bouwen in die buitenwereld, die daarvoor voor hen nauwelijks een rol speelde. Er zit een kracht in deze vrouwen die nog veel meer beschreven, geanalyseerd en bewonderd kan worden. Verbeeldingskracht is niet op te sluiten, dat is wat deze verhalen ons leren.