Laatst leerde iemand me een traditionele zegswijze: het oude brood laat zich geen tweede keer bakken. Voor vertalen gaat die uitspraak in elk geval niet op. Een van de zegeningen van talen is immers dat zij doorgaans rijk aan metaforen zijn, en metaforisch gezien kun je van oud brood tot aan sint-­juttemis nieuw brood blijven bakken. Talloos zijn de vertalingen van het Griekse drama, van de oude Romeinen, van Shakespeare. Terecht, lijkt mij, want geen bezigheid, taak of roeping is zo feilbaar en precair als die van een vertaler; elke keer opnieuw wordt er iets gemaakt dat verder gaat dan het vertolken van een lied of een symfonie. Het muziekstuk was bedoeld om te ­worden uitgevoerd. Een literair werk is daar niet echt voor bedoeld, we zeggen wel dat de lezer het boek ‘voltrekt’, maar het is veeleer zo dat de lezer al lezend wordt voltrokken, er wordt iets in hem of haar aangericht.

Bij het vertalen wordt er doelbewust, willens en wetens, om niet te zeggen als broodwinning, een taallichaam, een soort monster van Frankenstein, een golem, tot leven gewekt met behulp van brein- en verbeeldingselektriciteit, op een zo dor, nuchter, klinisch mogelijke manier. Het gaat erom iets ‘nieuw te maken’, make it new, zei Ezra Pound. Zelf ‘vertaalde’ hij soms tekstfragmenten, niet door ze naar een andere taal over te brengen maar door ze in hun eigen gedaante over te dragen naar een nieuwe context, als Übertragung. Dat deed ook Eliot – zijn redacteur was niet voor niets Ezra Pound, bij het schrijven van The Waste Land: vertalen in de vorm van citeren, echo’s implanteren in je eigen ­tekstlichaam. Doorgaans is een vertaler echter een ambachtsman, om niet te zeggen een woordneuker, een die het hem aangedragen taal­lichaam van hoofd tot voeten behandelt, leven inblaast en de stakker dan, herschapen en wel, de wereld in stuurt. Soms log en sloffend, soms hups en vol esprit.

De concurrentie (per vertaalgebied) is beduidend minder dan bijvoorbeeld voor de pianisten of zangeressen wier repertoire van Haydn tot en met Brahms reikt. Als vertaler ben je meestal allang blij als je één voorganger tegen het lijf loopt die in dezelfde tekst, ­dezelfde jungle, aan het dolen en dwalen is geweest. Hier spreek ik eventjes Walter Benjamin tegen, die in ‘Die Aufgabe des Übersetzers’ (1923) juist de schrijver schetst als degene die door het woud van de taal struint, zoekend naar het juiste woord, terwijl de vertaler door Benjamin wordt gesitueerd op een heuveltop boven het bos, vanwaar het overzicht naar alle kanten panoramisch is.

Naar mijn eigen ervaring is er halverwege een vertaling altijd een moment van verdwaald zijn, verstrikt raken in stekelig struikgewas. Zo beklemmend kan het worden lange tijd het leven te delen met een vertaling. En dan is het fijn als iemand anders dezelfde ervaring heeft gehad, desnoods een paar decennia eerder. Zo bestelde ik, me verheugend op zo’n postume collegiale ontmoeting, een Amerikaanse vertaling uit 1846 van de roman Flegeljahre, geschreven door Jean Paul, oftewel Johann Paul Friedrich Richter (1763-1825), ­oorspronkelijk in het Duits gepubliceerd in 1804. Ik was reuze benieuwd hoe mijn Engelstalige vakbroeder, in dit geval de enige ter wereld, en dat gold ook nog voor alle andere talen, het ervan afgebracht had bij al die breinbrekende passages vol woord- en klankspel, verwijzingen, lyrische uitweidingen en jeugdig sentiment, en tegelijk vol cynisme en razend ingewikkelde zinsconstructies. 

Als vertaler maak je iets mee wat je niet zelf meemaakt

Hij bleek een zij, Eliza Buckminster Lee (1792-1864), die al een levensschets van Jean Paul had gepubliceerd en nu bijna incognito deze vertaling liet verschijnen. Je zag het meteen: alle moeilijke passages heeft ze domweg overgeslagen. In het voorwoord geeft ze ruiterlijk toe soms iets te hebben weggelaten, maar dat het een kwart van het boek is, zegt ze er niet bij. Dat kon nog in 1846. Het was inmiddels 2004. Toch was ik blij met de fotografische herdruk van de vertaling, want sindsdien weet ik: Eliza en ik zijn de enigen ter wereld die geprobeerd hebben een vertaling te maken van deze roman, en geen van beiden zijn we er tot nu toe goed in geslaagd. Over tien jaar ben ik er misschien. Nietzsche schrijft in zijn ‘Vorrede’ bij Morgenröte een in dit verband troostrijke opmerking: ‘Die Philologie ist jene ­ehrwürdige Kunst, welche von ihren Adepten vor allem fordert… sich Zeit zu lassen, still zu werden, langsam zu werden.’

Als vertaler maak je iets mee wat je niet zelf meemaakt, zoals je per ongeluk soms op een beeldscherm ­dingen te zien krijgt, ik herinner me een onthoofde man in ­Biafra, en ook nog een afgehakte voet – dingen die je, kortom, nooit meer kwijtraakt. Dat is heel ­anders dan wanneer je ergens bij bent met huid en haar, zoals de ­schrijver erbij was, bij wat hij schreef. Als vertaler, getuige op afstand, via de gedrukte tekst, slaat je verantwoordelijkheidsgevoel om in wroeging, de tekst die je zult gaan vertalen begint je met huid en haar aan te kleven, al bij voorbaat besef je: het is onmogelijk dit corpus te herscheppen in al zijn tintelende, blatende, springerige, klagende leven, en toch moet het, want je hebt het beloofd.

Gelukkig weet je dat onder alle diversiteit van talen en dialecten en idiolecten en stijlen en jargon en geheimtalen en zelfs vergeten talen iets schuilgaat: een onbegrensd moeras van spraak. Daar, in de voedingsbodem, borrelt de bron van de verstaanbaarheid als zodanig, die zich uitsplitst in beekjes, poelen, droge beddingen, machtige rivieren. Het is een landschap dat volgens sommigen al bestond voordat er de mens was. Een aanlokkelijke gedachte, want dan zouden we taal en natuur kunnen gelijkstellen als de ene wereld waarin wij te gast zijn, en die zelfs ons heeft voortgebracht.

Met vertalen is het bijna net zoals met leren praten – beide maak je je eigen zonder precies te weten hoe of wat je leert. Het lijkt of we het talige als zodanig herkennen zodra we het beginnen te leren. Misschien bestaan sommige dingen wel degelijk in de vorm van hun platonische idee. Bij taal is dat niet zo gek. Het is alsof er een sluimerend vermogen wordt geactiveerd, dat al weet had van formele en ritmische structuren, klankpatronen en toonkleur, in de duistere diepten van dat moeras. 

De inhoud van taal wordt groten­deels bepaald door tonaliteit, die weer bepaald wordt door de grammaticale vormen: er bestaat bijvoorbeeld een onvoltooid verleden toekomende tijd in de voorwaardelijke wijs – een zinnetje als ‘dit zou jij gezegd kunnen hebben’. Waarbij een feit dat niet het geval is, tóch het geval blijkt, al is het in het negatieve. Leren praten, lezen en schrijven geeft een groeiend besef van het construeren dat je daarbij doet, van het welbewuste in de assemblage en het aaneenhechten van de zinsdelen, en dat schept reflectie, distantie. Je valt meestal niet helemaal samen met wat je zegt, zoals je wel samenvalt met fietsen of zagen, je wordt van taalgebruik empathisch omdat je overweegt, gist en aftast hoe een ander jouw woorden hoort, en of je dat wilt.

Maar van vertalen word je niet empathisch. Je raakt verslaafd aan enerzijds de wroeging, die ik al noemde, en anderzijds aan het verkeren in een andere wereld – je vertrekt naar een niemandsland, het virtuele rijk van een verbeelding dat een idiolect is, een kristallisatie van een complete historische context met alle bijbehorende mythologie, symboliek en metaforiek, die tegelijkertijd in al zijn particulariteit een symptoom is van die complexe umwelt, waar de tekst dan ook nog eens een nieuw aspect aan verleent. Ik praat hier nu een beetje George Steiner na, die het in zijn lofwaardige boek After Babel (1975) met grootse gebaren opdient. De wereld van The Beatles is een andere dan die van Wilhelm Müller, wil ik maar zeggen. Maar beide bestaan in de verbeelding.    

De Franse filosoof en theoloog Pierre-Daniel Huet (1630-1721) heeft een streng studieprogram voor de aankomende vertaler: in de jonge jaren stijl oefenen, gedegen kennis verwerven van de brontaal, leren formuleren in de eigen taal. Dan: zich verdiepen in het werk dat men wil gaan vertalen. Meermalen lezen (hardop, zeg ik erbij), alle aspecten analyseren. Bij het aangevangen werk de passages ter vertaling herhaalde malen lezen en ze zich stuk voor stuk door aandachtige overpeinzing eigen maken, en dan pas, na dit alles, dat jaren in beslag heeft genomen, equivalenten kiezen of optimale benaderingen ervan, en trachten die in dezelfde structuur en ordening over te brengen voor zover de taal dat toelaat. Gewetenstraining – zo mag je deze opleiding wel noemen. Om dan nadien vanuit al deze discipline, en moreel gestaald, de vrijheid te verwerven van een intuïtievere werkwijze, waarbij de tekst wordt verstaan als op zichzelf al een vertaling, een optimale benadering van wat de schrijver nog niet wist en juist daarom zo graag onder woorden wilde brengen, de woorden die er nog niet voor gevonden waren.

Klara Graah

Vertalen is: van elk onder handen te nemen taalbrokje een probleem maken. Ook het scheppend schrijven krijgt er op den duur een tik van mee. Zo werd de verwoording van het in 2018 door Poetry International bij mij bestelde betoogje over ‘Het ik in het vertaalproces’een heidens werk. Wiens ik? Welk ik? En: is er bij vertalen sprake van een proces, bij Van Dale omschreven als ‘werking in haar voortgang beschouwd’, of zelfs ‘geheel van opeenvolgende, met elkaar samenhangende handelingen en werkingen op geestelijk, psychisch en maatschappelijk gebied’? Is er niet veeleer een vertaalprocedé, ‘een werkwijze, methode, behandeling’, of moeten we zelfs spreken van een procedure, ‘een manier van doen, optreden, methode’?

Een vertaalproces is een geheel van opeenvolgende, met elkaar samenhangende handelingen, welzeker. Het in elkaar timmeren van een tekst verschilt in dezen niet van het in elkaar timmeren van een kast. Maar het ‘ik’? Zal het geeste­lijk, psychisch of ­maatschappelijk zijn? De te timmeren kast vergt geestelijke handelingen, bestaand uit het ontwerpen van de nog niet bestaande kast, óf het bestuderen van een meegeleverde handleiding. Zonder ik in de vorm van een intelligente, kritisch coöpererende instantie, komt de kast niet tot stand. Je est un autre.

Aan de vertaling gaat echter een bestaande tegenhanger vooraf, de zogeheten brontekst. Karel van het Reve citeerde in zijn dankwoord bij de toekenning van de Nijhoffprijs in 1979 zijn gymnasium­leraar D.A.M. Binnendijk, die op zijn beurt weer Boutens had geciteerd, toen hij zei: ‘Gewoon vertalen wat er staat.’ Het ligt voor de hand dat dat het best gaat zonder het ik van de vertaler, want die begint steevast te prakkeseren, te rumineren en te aarzelen: wat staat er nou precies? En staat er wat er in het kader van de context verwacht mocht worden? En hoe vatten we het op, wat daar staat? Ironisch? Zelfdestructief? Knieval voor de recensent? Knipoog naar de lezer? Oprecht? Was Shakespeare oprecht? Zo ja, wanneer en waar?  

Met mijn pleidooi voor ik-loos vertalen bedoel ik dat we plaats moeten maken voor het ik van de tekst. Het is niet de vertaler die zich dient te vereenzelvigen met de tekst om hem warm te omhelzen, nee, hij is degene die zich geeft, weerloos als Sades Justine in Les infortunes de la vertu: de tekst moet hém overweldigen, hém kunnen binnendringen, zijn ik tijdelijk tenietdoend.

Het enige stadium in een vertaalproces waarbij ‘s vertalers ik zich ten volle ontplooit in luisterrijke subjectiviteit en geniale, kieskeurige ontvankelijkheid, is wanneer het werk nog niet is begonnen en hij nog bezig is zijn tekst te kiezen uit de onnoemelijke stortvloed van teksten die hij zou kunnen vertalen. Als hij zowel de vrijheid als het onderscheidingsvermogen heeft om een tekst te kiezen die een tijdlang zijn enige ware liefde kan zijn, een tekst die in hem resoneert met alle finesses van zijn eigen, hoogstpersoonlijke gevoeligheden, hoe pervers, gewelddadig of sentimenteel ook, een tekst die hem in hart en nieren aanspreekt, een tekst waarvoor hij bereid is te sterven, dan zal het ik van de vertaler zwichten: met déze tekst wil hij tijdelijk aaneengesmeed zijn. Vervolgens gaat hij aan de slag, en al bij bladzij één sterft zijn ik in liefde, welgemoed en blij van zin als een mystica die de bruid van Jezus wordt. Zijn dagelijkse ik gaat natuurlijk gewoon door met boodschappen doen, ruzie maken, wandelen en zich achter de oren krabben. Een mens heeft ikken bij de vleet.

Je kunt het je ook als volgt voorstellen: de lezer gaat het boek of gedicht binnen alsof hij een huis in gaat, samen met zijn ik, als de instantie die het gelezene beleeft. De lezer blijft daar behaaglijk onderdak, hoe verschrikkelijk de ontberingen ook zijn die zijn ik al lezend in het boek ondergaat, zolang hij wil. De lezer is voor zijn plezier of lering daarginds, in het boek, met al zijn hebben en houden. Daarom is lezen zo fijn, je bent zowel hier als daar. En niets verhindert je het boek dicht te slaan. De lezer is het ikkigste ik ter wereld. Hij zegt niets, maar heeft het voor het zeggen.

De schrijver heeft maar een half ik, want de grap van zijn metier is nu juist dat het ik al schrijvend wordt getransformeerd van denkend autobiografisch lichaam naar abiografisch tekstlichaam, van lood naar goud, zeiden vroeger de alchemisten. ‘Géén gedicht is bedoeld voor de lezer, géén schilderij voor de beschouwer, géén symfonie voor de toehoorders,’ schrijft Walter Benjamin in eerdergenoemd essay. Kunst is een hommage aan de autonomie van het menselijke betekenisgevende vermogen dat door de God is gegeven. In de tekst als kunstwerk zijn vorm en inhoud één als vrucht en schil. Als uitbeelding van de betekenis van het leven: niet van het leven zelf dus, maar van de betekenis, die des te beter doorschijnt in het vreemde medium van de andere taal. In vertalingen, gelooft Benjamin, bereikt het origineel zijn steeds vernieuwde, laatste en meest omvattende ontplooiing. De vertalingen weven samen een koningsmantel.

Het lijkt dus niet, goddank, in de eerste plaats de taak van de vertaler de lezer te plezieren. De vertaler vervult een eredienst aan de herschepping van een taal die ten tijde van de bouw van de toren van Babel in goddelijke toorn tot vele scherven werd verbrijzeld. Hij draagt zijn steentje bij aan het herstel van een, volgens Benjamin, reine Sprache, in een onophoudelijk proces van hereniging tussen bijvoorbeeld de woorden Brot en pain, die in hun afzonderlijke vorm en klank beide naar een en hetzelfde verwijzen: dat wat wij dagelijks eten en waarvoor in de talloze talen talloze woorden zijn ontstaan, als scherven die aaneen te passen zijn. Het blijft een altijddurende benadering, een ritus. Aankondigingen van de ophanden zijnde voleinding der talen. Op een uitkomst hoeven we niet te rekenen. Het gaat om de inzet.

Net als de lezer gaat ook de vertaler het huis van de tekst binnen, maar hij hangt zichzelf bij de deur aan de kapstok, hij trekt zich uit als een jas, en het enige wat hij nog bij zich heeft is alle tekst die hij ooit gelezen heeft, dat is zijn corpus, zijn tekst-ik. Hij is een vleesgeworden concordantie, een woordenboek, een echoput, alle lees- en lettertekens zijn hem onheuglijk oud en tegelijk paradijselijk nieuw. Een vertaler, de ik-loze herschepper, is deemoedig oppermachtig, als je het zo overdreven mogelijk wilt zeggen. Als hij ooit weer buiten komt, is zijn tekst-ik nog wat dikker geworden. Want elke vertaling draagt bij aan de ongrijpbare presentie van de taal als levend onderdeel van de schepping, als natuur tussen de god en de mens, zoals Rilke het zich in een van zijn gedichten voorstelde.

Vertalers dienen de taal, zo vinden sommigen dus, of dienen ze de lezer? De meningen zijn verdeeld. Je hebt de sourcières en je hebt de ciblistes. Luther bijvoorbeeld was een cibliste, een doelwitter: hij werkte toe naar optimaal effect bij de lezers. Ik ben een sourcière, de bron is me bijna heilig. Op de een of andere manier kun je als vertaler geïndoctrineerd zijn met het geloof dat het van belang is te zorgen dat iemands taal voelbaar kan blijven als een tijding van ver, iets wat ons ergens tijdens de geschiedenis is komen aanwaaien, een inblazing, en wat sindsdien in feite de enige manier is waarop wij ons met elkaar verstaan, buiten het onmiddellijk fysieke van seks en geweld.

Zelfs als de taal wordt omgezet in digitekens blijven internetgebruikers die tekens reconstrueren in woorden, zinnen, alinea’s, taal waarop zij vervolgens antwoorden in taal, die de machine dan weer codeert naar enen en nullen. Maar of het nu trillingen in de dampkring zijn, van mijn lip naar uw oor, of elektromagnetische trillingen, via kabeltjes en schakelingen, het blijft tot op heden taal, en daarin zijn de duizelingwekkende mogelijkheden en variaties vervat die horen bij begrippen als woord en zin. De lichamelijkheid van klank, van betekenisdragend geluid, maakt dat taal, ook in de geformaliseerde abstractie van schrifttekens, voor ons een hoorbaar medium blijft, zoals het dat al in de moederschoot is.

Iedere vertaler voelt bij het vertalen van teksten uit het ­verleden hoezeer ze zijn ingebed in hun tijd, en tegelijk hoe strikt particulier in taalgebruik, ritme, denkbeelden. Tussen de jaren zestig van de twintigste eeuw, bijvoorbeeld, de tijd van The Beatles, en de vroege negentiende eeuw van Schuberts liedkunst, ja tussen alle memorabele landschappen van de kunst, ligt steeds een nogal dramatisch ogende horizon, die door de tijd heen verschuift, zodat de taal (als zonlicht) onophoudelijk meeschuift. Mede aangestuurd door wat een schrijver door toeval of noodlot krijgt aangedragen als vocabulaire, als fragmentatiebom, of als verpletterend inzicht.

Soms is echter juist het ahistorische een eyeopener. Bij het lezen van de door Peter Kaaij schitterend, bloemrijk en sfeervol vertaalde roman Groene Heinrich (1855) van Gottfried Keller zag ik ineens iets staan dat ongelooflijk hedendaags klonk: ‘ik baal ervan…’ Het was alsof ik even in een kuil van de tijd viel. Van Dale geeft het jaartal 1979 voor het eerste gebruik van het werkwoord ‘balen’. Verderop in Groene Heinrich trof ik het begrip ‘ouwe knakkers’ aan, volgens Van Dale daterend van na 1950, en later was er sprake van ‘een assertieve houding’, die ook pas na 1950 in zwang kwam. Het mirakel was dat juist die uit de toon en de tijd vallende woorden mij met een schok deden beseffen hoe oud deze roman al was, hoe ver vóór onze tijd en taal geschreven. Ik vermoed dat Kaaij dit effect met opzet heeft ingebracht, om het fictionele van het enorm meeslepende verhaal een extra facet mee te geven. Want de woorden die Keller zelf gebruikt op de genoemde plaatsen zijn heel onopvallend en gewoon (‘es reuet mich’, ‘die alten gesellen’, ‘eine sichere haltung’).

De lezer is het ikkigste ik ter wereld. Hij zegt niets maar heeft het voor het zeggen

George Steiner oppert in After Babel dat de mens, door als soort te kiezen voor taal, spraak en geformaliseerde kras- en schrifttekens, een woordloze empathie of verstandhouding is kwijtgeraakt zoals de taalloze dieren die kennen, en waarmee zij, zelfs als prooi en jager, op elkaar zijn afgestemd, van elkaar weten wat er komt. Dat de mens zo zijn best moet doen om de ander te verstaan en aan te voelen, zegt hij, is misschien omdat we beseffen dat we iets zijn gaan missen, juist door de taal te hanteren als omgangs- en transactievorm. De taal zou dan het lichamelijke, zintuiglijke verstaan van de dieren in ons hebben verdrongen. Een wrange gedachte, maar des te meer is ervoor te zeggen: vaak is iets wrang omdat het waar is.

Indien we inderdaad iets hebben opgegeven ter wille van ons taalverkeer, dan hebben we niet eens de mythe over de toren van Babel nodig, of die van de titanen die elkaar in de pan hakten en uit wier botsplinters onze verscheidenheid van talen voortkwam. Dan is ineens zonneklaar waarom Walter Benjamin elke vertaling een mantel noemt: de mens is naakt in zijn taal bij gebrek aan het vanzelfsprekend samenzijn dat in de rest van de natuur heerst. Die zogeheten reine Sprache is een fictie, een altijd­durende benadering, empathie nastrevend juist omdat die voor de mens niet meer bestaat, en dat maakt tegelijk duidelijk waarom vertalers qua maatschappelijk aanzien geen koningen zijn, maar eerder fietsenmakers, reparateurs van een inherent krakkemikkig vervoermiddel.

Als de verengelsing concreet gaat toeslaan, als alle volkeren zullen zwichten voor deze rijke, plooibare, allusieve, en blijkbaar voor iedereen uit te spreken taal, zodat regionale talen als het Nederlands, Frans, Spaans, Chinees, Russisch, nou ja noem maar op, verdwijnen, dan zullen we als mensheid misschien, ten koste van een verrukkelijke diversiteit, eindelijk verbroederen. Maar vooreerst lijkt het een schrikbeeld, een monolinguale gemeenschap. Want het mooist zijn en blijven de talen die je niet verstaat en toch begrijpt, die je zou kunnen leren, die te beluisteren zijn, als het ware, als vogelzang, als lawine van keien die een helling af rolt, als het fluiten van dolfijnen diep onder water, als het kloppen van een medegevangene op de celmuur. Articulaties, waar we ons eigen geheim, vrij van betekenis, in horen.

En wat blijft er over voor de toekomst, zonder de droom van die reine Sprache gedistilleerd uit de veelheid van talen – in een planetaire samenleving vol steenkolenengels, waar niets meer te ­vertalen zou zijn? En dat terwijl vertalen zo’n gelukkig makende kwelling is? Misschien kunnen we allemaal, nu nog net, voor het te laat is, een taal adopteren, zoals we ook bomen kunnen adopteren, als aflaat voor een vliegreis. Bijvoorbeeld – het Nederlands?

Deze tekst is een verkorte versie van de lezing uitgesproken op 25 mei van dit jaar in het Utrechtse Academiegebouw, bij gelegenheid van ‘Nederland Vertaalt’.

Anneke Brassinga (1948) is dichter en essayist. Ze is aan de Universiteit van Amsterdam opgeleid tot literair vertaler uit het Frans, Duits en Engels. Ze vertaalde onder meer het werk van Sylvia Plath, Gertrude Stein, Hermann Broch, Oscar Wilde en George Orwell. In 2015 ontving ze de P.C. Hooft-prijs voor haar poëzieoeuvre.

Meer van deze auteur