Ik was drie weken met mijn moeder op reis door Australië. Familiebezoek. We deelden hotelkamers, ontbeten elke dag samen, leenden shampoo aan elkaar uit. Ik hoorde haar ademen in haar slaap. Het was lang geleden dat ik zo intiem met haar had samengeleefd, of misschien was het wel voor het eerst.

Hoewel ze nog ver van de pensioengerechtigde leeftijd is, was iets in mij gefixeerd op de tekenen van haar naderende ouderdom. Een huidplooi die werd ontbloot, haar slechter wordende ogen, warrigheid. Een angstbeeld. Ik ben bang voor mijn eigen ouder worden, maar ook voor dat van haar. Voor de omkering in onze relatie die dat afdwingt.

Bij thuiskomst viel het me in dat alle boeken die ik op reis had gelezen over ouder wordende vrouwen gingen. Sigrid Nunez’ De vriend. Olga Tokarczuks Drive Your Plow Over the Bones of the Dead. Essays van Rachel Cusk.

In het vliegtuig terug naar Nederland zag ik het tweede seizoen van de Britse serie Fleabag. Een oudere, succesvolle zakenvrouw (gespeeld door Kristin Scott Thomas) zegt tegen Fleabag (mijn leeftijd) dat je als oudere vrouw onzichtbaar bent. Dat dat het moeilijkste is. Maar het is ook geweldig: de pijn die het vrouwelijk lichaam in zich draagt verdwijnt. Menopauze is de grote bevrijding.

Hierover moet ik schrijven, dacht ik. Over ouder wordende vrouwen. Er moet iets in de lucht hangen, dat ik juist die recente boeken op mijn e-reader had gezet en dat ik dan ook nog Fleabag keek. Ik noteerde, maakte lijstjes. Maar het verhaal kwam niet verder. Het bleef bij citaten. Er steeg niets uit op.

Er is iets aan het lezen van boeken dat voorbestemd lijkt. Je leest een roman omdat je er in de krant over gelezen hebt, omdat iemand het je aanraadt. Je koopt het zonder veel voorkennis. Het spreekt precies tot jou, het is precies wat je nodig hebt. Daarna lees je willekeurig welk ander boek, en nog een, ze lagen toch al op de stapel, ze blijken allemaal naar elkaar te verwijzen. Alsof Ariadne je een rode draad aanreikt, niet naar de uitgang uit het labyrint, maar naar het volgende boek. Zonder dat je bewust iets zoekt gaan al die boeken die je achteloos in je koffer hebt gestopt over hetzelfde thema.

Dat is voor mij de essentie van lezen, toeval dat geen toeval kan zijn. Lezen brengt me altijd verder. In tijden van wanhoop wacht ik rustig af, sla de bladzijden om, tot een patroon ontstaat. Tot het een nieuwe tekst wordt. Mijn eigen teksten zijn altijd een antwoord op wat ik lees.

Laatst was ik bij de boekpresentatie van dramaturg Jeroen Peeters, die een essayboek had geschreven over het werk van choreograaf en performer Mette Edvardsen. Edvardsen probeert in haar werk met niets iets te maken. Ze vertelt onaffe verhalen, laat losse eindjes in de stilte bungelen. Zelf verdwijnt ze bijna, ze ligt op de grond en beweegt nauwelijks. Ze wacht rustig, haalt adem, tot er een patroon ontstaat. Er ontstaat altijd iets.

Peeters’ boek Something Some things Something else heeft hij ook zo gemaakt, vertelde hij, door een spoor te volgen. Door zelf zo min mogelijk te doen, als auteur bijna niet aanwezig te zijn. Zo plaats te maken voor betekenis in de verbindingen, in de witregel. Het spoor vond hij gek genoeg in boeken met een gele kaft, zoals van Deborah Levy (de enige naam die ik me nog herinner van de tafel vol gele boeken). Dat de covers van de boeken die hij bij elkaar associeerde allemaal geel waren was toeval. Edvardsen en Peeters zijn samen trouwens een uitgeverij begonnen, Varamo Press. De naam is ontleend aan de gelijknamige roman van César Aira. Varamo verzamelt elk stukje tekst dat op zijn pad komt, en op een dag besluit hij al die stukjes aan elkaar te schrijven tot een geniaal boek.

Ik doe het niet, maar het liefst zou ik ook zo schrijven. Gewoon mijn aantekeningen onder elkaar zetten, zonder tussenkomst van mijn superego, zonder analyse en constructie. De betekenis laten ontstaan in de associatie, in de verbindingen. Niet omdat ik lui ben, maar omdat ik dat het spannendst vind. De schrijver hoeft niet meer te zijn dan een verzamelaar of een curator. Tijdens het lezen, daar ontstaat de betekenis.

De roman Archief van verloren kinderen van Valeria Luiselli lijkt op die wijze geschreven. Als een vergaarbak van ideeën, als een archief. Niet omdat de schrijver geen zin had in componeren. Het past perfect in elkaar, vorm en inhoud zijn één. ‘Ik denk dat een archief een soort vallei is waarin je gedachten kunnen terugkaatsen, in een net even andere vorm. Je fluistert ingevingen en gedachten in de leegte, in de hoop iets terug te horen. En soms, heel soms, komt er inderdaad een echo terug, een werkelijke weerklank van iets, die heel helder weerklinkt als je eindelijk de juiste toon hebt weten te treffen en het juiste oppervlak hebt gevonden.’

Luiselli schrijft in korte lemma’s die elkaar losjes opvolgen. Het werkt, ik blijf maar citeren en verwijzen naar het boek, Archief van verloren kinderen is een echoput. Zo ontstaat betekenis, in een web van ideeën dat veel rijker is dan wanneer de schrijver een logische constructie had bedacht. De werkelijkheid lijkt veel meer op die vallei dan op een efficiënt ingedeeld gebouw. Bij de juiste toon, het juiste oppervlak kaatst er iets terug.

Het is haast religieus, misschien geloof ik dat een thema zich aan mij moet opdringen, in plaats van andersom. Ik wil dat de woorden mij kiezen. Zoals een huilende Fleabag zegt tijdens de biecht: ik wil dat iemand me vertelt wat te doen.

Apofenie: ‘het in willekeurige gegevens patronen opmerken en daarin betekenissen lezen die er niet zijn’, volgens Wikipedia. Wikipedia heeft het niet zo op apofenie. Het lemma verwijst naar de gokkersmisvatting, psychose, A Beautiful Mind, samenzweringstheorieën, paranoia. Ik kwam het woord tegen in Pattern Recognition van sciencefictionschrijver William Gibson, een roman uit 2003 die ik nu aan het lezen ben. Het was me aangeraden door iemand die vond dat de thematiek overeenkomsten vertoonde met mijn nieuwe boek.

De hoofdpersoon, een expert in modetrends, vraagt zich af of ze paranoïde is, omdat ze dezelfde celebrity overal tegenkomt. Achtervolgt hij haar, of is het toeval? Het herkennen van patronen is haar werk, maar wanneer gaat dat te ver? Haar vader was een veiligheidsexpert en had geleerd dat paranoia onder controle kan worden gekregen, getraind en getemd. Hij zette het in om scherp en waakzaam te blijven, maar mocht zich er nooit in verliezen. Het mocht nooit apofenie worden. Zijn beste wapen ertegen was te begrijpen dat hij niet het centrum van de wereld was, maar deel van iets groters. Paranoia is ten diepste egocentrisch. ‘Every conspi­racy theory served in some way to aggrandize the believer,’ vond hij. ‘But he was also fond of saying, at times, that even paranoid schizophrenics have enemies.’

Dat essay over mijn moeder komt nog wel een keer. Rustig afwachten tot er een patroon ontstaat.

Persis Bekkering (1987) debuteerde in 2018 met de roman Een heldenleven (Prometheus), die werd genomineerd voor de ANV Debutantenprijs. Kort proza verscheen onder meer in De Revisor, DW B en De Gids. Ze is redacteur van DIG (voorheen De Internet Gids) en werkt aan een nieuwe roman. 

Meer van deze auteur