Leven op Antarctica: ontwikkel een ritme voor slaap, werk en ontspanning, en houd je daaraan. Zorg dat je in de zomer een mate vindt van interactie die voor jou werkt, en houd je hieraan in de winter. Let op: zorg ervoor dat je niet te veel details prijsgeeft, geen beschamende geheimen. Roddel verspreidt zich snel in een gemeenschap zo geïsoleerd als deze.

Dit soort adviezen krijg ik van collega’s die er al eerder zijn geweest. Ik luister naar wat ze zeggen, maar erger me tegelijkertijd aan de ervaring die ze me opdringen, die al voor mijn vertrek iets invult wat ik liever leeg houd.

Dit continent kent twee seizoenen, zomer en winter. Iedereen komt in de zomer aan, die van november tot eind februari loopt. Wanneer je overwintert, probeer je zo vroeg mogelijk te komen, om te kunnen leren van degenen die al een winter hebben meegemaakt. Veertien, vijftien maanden op het ijs, meer dan honderd dagen in totale duisternis.

Wytske Versteeg

Biodiversiteit: zelfs op Antarctica, een van de minst biodiverse gebieden ter wereld, leven meer dan duizend soorten fungi, honderd soorten mossen, duizend soorten korstmossen. Dan zijn er de grotere wezens, degene die wij gemakkelijker waarnemen: de albatrossen, sterns, de keizerspinguïns. Het continent biedt elk jaar ruimte aan meer dan honderd miljoen nestelende vogels; sommige vliegen vanaf de Noordpool naar de Zuidpool. Er zijn de walvissen en orka’s, de zeeleeuwen en zeehonden, die vaak vlak bij ons onderzoeksstation komen. Op de bodem van de oceaan krioelt het van het leven. De ongewervelden hier zijn groter dan hun soortgenoten op warmere of ondiepere plekken, een fenomeen dat in het Engels abyssal gigantism wordt genoemd. Wie in de kou leeft, is geneigd zichzelf groter te maken.

Dat geldt ook voor mensen. We worden gewaarschuwd dat passende kleding op Antarctica vaak te groot lijkt als de context ontbreekt. Laag over laag over laag is er nodig, vaak niet een paar handschoenen, maar twee of drie. Isolerende broeken moeten groot genoeg zijn om over je schoenen heen te kunnen aan- en uittrekken. Als je naar buiten gaat, mag er niet alleen geen stukje van je lijf nog onbedekt zijn: geen lichaamsdeel mag door slechts een enkele laag beschermd zijn. In een groep van zo’n honderd man bereiden we ons voor, krijgen bloedtesten, een uitgebreide eerstehulptraining. De testen zijn bedoeld om erachter te komen welke bloedtypen die winter aanwezig zullen zijn: wanneer er iets met een van ons gebeurt, moeten we onze eigen bloedbank zijn. Ik heb mijn partners ontmoet: Jannick, David, Jesse en Leah. Met deze mensen zal ik de maanden op de basis doorbrengen. Ongetwijfeld zal ik me gaan ergeren aan hun eigenaardigheden die ik nu nog niet ken en zij zich aan die van mij.

Iedereen die op Antarctica komt, draagt met zijn reis actief bij aan het verdwijnen ervan

Dan drie dagen in het veld. We leren navigeren met een kaart en een kompas: uit te vinden waar we zijn, uit te komen op de exacte plek waar we naartoe willen, een huis, een rots, een muur.

Het verhuren van mijn huis, het opslaan van mijn spullen.

Langzaam wordt het vertrek echter.

De laatste dagen verlof. Tijd om mijn vrienden, familie te zien. ‘Als je erover nadenkt,’ zegt mijn moeder hoopvol, ‘is het niet eens zo heel lang, nog geen jaar.’ Haar stem klinkt hol, we weten allebei hoeveel er kan gebeuren in een jaar. Met vrienden drink ik op mijn vertrek, we bestellen het ene rondje na het andere, hoewel alcohol veel duurder is geworden sinds de nieuwe klimaatwetten. Pas als ik ’s avonds alleen naar huis loop, durf ik toe te geven aan wat ik eigenlijk denk, misschien hoop: dat dit verblijf een keerpunt in mijn leven zal betekenen, dat niet dezelfde persoon hier terug zal komen.

D-day. Mijn tassen ingepakt, weer uitgepakt, drie keer gecontroleerd en opnieuw ingepakt. Ik kijk een stuk of vijf films tijdens de vlucht naar Kaapstad. Het vliegtuigje dat met tussenpozen op de schermen boven ons wordt getoond, beweegt zich tergend traag over de wereldkaart. Paradox: ­iedereen die op Antarctica komt, draagt met zijn reis actief bij aan het ver­dwijnen ervan. Het regent als we ’s avonds in Kaapstad aankomen, de stormwind trekt een metalen reclamebord naar beneden, met een harde klap valt het vlak voor onze auto op de grond. Het zou ironisch zijn, hier in Kaapstad een ongeluk te krijgen. Borden boven de snelweg waarschuwen om niet te stoppen wegens het risico van car jackings, krottenwijken strekken zich aan beide kanten uit. Zonder verdere problemen bereiken we de haven. Door een probleem met een ankerketting kunnen we niet meteen vertrekken uit Kaapstad, zoals oorspronkelijk was gepland. Om de tijd te doden slenteren we door het Waterfrontgebied met zijn stompzinnige winkels: de portemonnees van struisvogelleer, de beschilderde struisvogeleieren, het gebouw dat zichzelf zonder enige gêne als handelspost adverteert en houten maskers van onduidelijke herkomst verkoopt. Een tijdje blijven we staan bij een scheepswerf, waar een Chinese opzichter de zwarte, Zuid-Afrikaanse arbeiders uitscheldt. Daarna terug naar het schip. De dag erna, als de technici geloven dat ze nog maar weinig tijd nodig hebben, wordt het vertrek steeds met twee uur uitgesteld, zodat niemand van het schip af kan. Erg vind ik het niet. Kaapstad is ongetwijfeld prachtig, maar het is niet waarvoor we hier zijn.

Vertrokken.

Routines op het schip: we zijn begonnen met het runnen van de eerste observaties, dagelijks om 5.30, 11.30 en 17.30. Veel lezen, af en toe wat sport. Wanneer het weer het toelaat naar dek, eens in de zoveel dagen corvee. Ons schip weegt een kleine 6000 ton. Shackletons Endurance woog 300. In zijn notities beschrijft hij hoe het schip door drijfijs wordt vermorzeld, alsof het ijs een eigen wil heeft en uit is op vernietiging. Een aanval, noemt Shackleton het. Het schip, het thuis van zijn ambities en zijn hoop, een dodelijk gewond slachtoffer, kreunend met gapende wonden. Het dek dat in stukken breekt, balken die knappen als luciferhoutjes. Meedogenloze vernietiging.

Wytske Versteeg

Is dat wat ik zoek op Antarctica? Het besef van een kracht groter dan wijzelf, het fysieke bewijs van onze eigen nietigheid, nu het nog kan. Want er is iets wat ik niet benoemde, wanneer ik anderen vertelde dat ik erheen ging om data te verzamelen, ook als dat waar is. Er is een reden die zich daaronder schuilhoudt, zelfs voor mij niet volledig zichtbaar.

Abyssal gigantism. Afgrondelijke reuzengroei.

Eergister zijn we de Antarctische Convergentie overgestoken, de zone waar het koude Antarctische water de sub-Antarctische stroming ontmoet. Nu, twee dagen later, een spookachtig verschijnsel in de verte: onze allereerste ijsberg. We passeren Bouveteiland, maar het is onzichtbaar in de dichte mist. In 2012 lieten vier klimmers op dat eiland, het meest afgelegen eiland ter wereld, een tijdcapsule achter met visioenen voor 2062. Waarom die verslaving, waarom zijn wij de enigen die zo graag sporen achterlaten en zorgvuldig bewaren, die koste wat kost over onze eigen dood heen willen regeren?

Utopisme. Fourier voorspelde begin negentiende eeuw de opwarming van de aarde en het smelten van de polen door menselijke activiteit. Maar hij vermoedde dat het gevolg van die opwarming zou zijn dat de zeeën naar limonade zouden gaan smaken.

Meer ijsbergen, en drijfijs. Jannick vertelt dat Antarctica een nachtmerrie is voor kaartenmakers, omdat de contouren ervan voortdurend veranderen, nu nog veel sneller dan eerder. De eerste pinguïns, onhandig op het ijs dat we passeren, verbazingwekkend gestroomlijnd zodra ze het water raken. Officieel op de Zuidpool nu. Wanneer we verder komen wordt het drijfijs vaster en massiever. Ik probeer de ijsbergen te fotograferen, hun massieve vorm, het blauwe licht dat soms in hun kloven gevangen lijkt te zijn, de bevroren ineenstortingen, momenten gevangen in de tijd. Nu we dichtbij zijn volgt er nog een aantal trainingen aan boord, om ons voor te bereiden op de aankomst.

Geland, als dat het juiste woord is. Daarna naar de basis ­gereden in een voertuig dat het midden hield tussen een vrachtauto en een bulldozer. De felgekleurde hutten waarin we de komende maanden zullen doorbrengen. Het voelt vreemd om eindelijk aangekomen te zijn, na meer dan twee weken reizen.

Verbazingwekkend snel zijn de routines van de overwinteraars, de mensen die hier al waren, ook de onze geworden. Over een aantal weken zullen ze vertrekken met het schip waarop wij kwamen, terug naar huis. Ik vraag hun hoe het voelt om hier weer weg te gaan en ze halen hun schouders op, ‘dat zul je later zelf wel zien’. Ze leren ons veel, maar lijken op dit punt terughoudend, alsof ze al afstand hebben genomen. Er zijn dagen dat zij in T-shirts lopen, weliswaar met lange mouwen, terwijl wij in onze zorgvuldig dichtgeritste jassen het nog altijd koud hebben. Het schijnt dat je aan kou kunt wennen, dat je lichaam moet leren om er beter tegen te kunnen, dat het deels een kwestie van waarneming is.

Tijdens een van onze eerste tochten zei Leah dat ze niet begreep waarom de ervaren overwinteraars niet meer dan chocola hadden meegenomen toen we samen het ijs op gingen. Voor de volgende keer belegde ze brood met vis, vertelde iedereen hoe ze er straks van zou genieten. Er werden wat blikken uitgewisseld, maar niemand gaf commentaar. Toen we pauze namen was de chocola nog goed, maar Leahs brood bevroren, zodat ze weinig anders kon doen dan er voorzichtig aan sabbelen.

De raderdiertjes zijn te klein om gekwetst te worden

Op Esperanza, een andere, veel grotere basis op Trinity, werd in 1977 het eerste kind op Antarctica geboren, een jongetje. Nadat het Verdrag van Antarctica was getekend, bleven Chili en Argentinië vechten om het continent, dat zij beschouwden als een uitloper van het Andesgebergte. Nadat de Chileense dictator Pinochet het continent bezocht had, besloten de Argentijnen hun buurland te overtroeven. Ze stuurden een zwangere vrouw naar Esperanza om daar te bevallen. Silvia Morella was de echtgenote van een kapitein, geen politiek gevangene, waar er destijds in Argentinië ook genoeg van waren. Het koloniseren van nieuw land moet immers met de meest veelbelovende genen. Haar zoon was weliswaar de eerste pasgeborene op het continent Antarctica, maar niet het eerste kind dat werd geboren ten zuiden van de Antarctische Convergentie. Solveig Gjunbørg Jacobsen was de dochter van Fridthjof Jacobsen, de baas van het walvisstation van Grytviken. Er bestaat een foto van haar als peuter, poserend voor een dode walvis, een berg vaag op de achtergrond. De hond die naast hen ligt is groter dan het kind, het dier houdt een voorpoot beschermend voor zijn bazen uitgestrekt.

Nu ik eenmaal hier ben, weet ik amper wat te schrijven.

We gebruiken de snowscooters om de stations verder weg te controleren, te onderhouden waar nodig. Niemand gaat ooit alleen op weg: een ongeluk of mechanische pech kan levensgevaarlijk zijn. Niet iedereen is in dezelfde mate tegen de kou bestand. Volgens David zijn jonge, witte vrouwen het best beschermd tegen onderkoeling, terwijl oudere niet-witte mannen er het slechtst tegen kunnen. We lachten hem uit, maar het scheen daadwerkelijk uit onderzoek te komen. Veel van onze gesprekken gaan over het weer, en wat voor weer er wordt verwacht.

Er zijn hier ijskernen opgeboord van bijna vijfhonderdduizend jaar oud. Vijfhonderdduizend jaar bevroren tijd, die langzaam weer begint te stromen als je de ­uitgeboorde cilinder te lang vasthoudt.

De wind buiten is snijdend koud, het doet pijn om te ademen. Dik ingepakt laten we onze meetballonnen op, het klinkt frivoler dan het is. Ook de foto’s die ik maak, lijken te mooi voor serieuze wetenschap, de ballon dansend tegen de strakblauwe lucht. Een zeehond waagt zich tot vlak bij ons, ze zijn niet bang omdat ze al lang niets van mensen te vrezen hebben. Het handjevol ontdekkers dat wel op hen schoot, was vermoedelijk te onbetekenend om angst in te prenten in hun genenpool. De wetenschappers en toeristen hier schieten hoogstens met hun camera, onze nieuwe manier van jagen. Ik vraag me af wat er met hen gebeuren zal wanneer het Verdrag van Antarctica terzijde wordt geschoven, als het ijs ver genoeg is gesmolten om de bodem te kunnen ontginnen.

Dit is het enige continent ter wereld dat werkelijk is ontdekt, niet afgenomen en overgenomen van een volk dat er al eeuwen eerder leefde. Na een paar weken op de basis bezoeken we de hutten van Scott en Shackleton. Scotts slaapzak van rendierhuid ligt nog op zijn bed, al heeft de vacht veel van zijn haar verloren. Schimmel koloniseert de voorraden die zijn achtergebleven. De kou heeft hun sporen langer bewaard dan op een andere plek mogelijk zou zijn geweest, maar alleen al door ze te bezoeken, door in en uit te ademen, dragen we bij aan hun verval.

Wat is precies de aantrekkingskracht van iets wat groter en meedogenlozer is dan wij? Het sublieme: gevaar op veilige afstand. De zich uitbreidende vuren in Australië en Californië zijn niet subliem, omdat het gevaar in onze auto te verbranden te reëel is. Antarctica daarentegen is voor rijke toeristen nu net zoiets als de Alpen vroeger waren: iets om eenmaal veilig thuis met huivering over te vertellen.

Het schip is vertrokken. We hebben de vorige overwinteraars uitgezwaaid, flares afgestoken ter ere van hun vertrek. Het was vreemd om het schip te zien gaan, te weten dat we nu op onszelf zijn aangewezen. Toen we terugliepen naar de basis was iedereen in een wat melancholieke stemming, die we verdreven door extra luid te praten.

Een keer slapen we na een onderhoudstrip op het zee-ijs. Leah, Jannick en ik in een zelfgebouwde iglo, die prompt aan een kant inzakte, zodat David en Jesse genoegen moesten nemen met het piramidevormige pooltentje. Het warme water dat we die ochtend hadden ingepakt, was binnen drie uur bevroren. De zaklamp doet het niet door de kou, en de condens bevriest in onze dubbele slaapzakken. Als we later een meer ervaren onderzoeker vertellen waar we de nacht hebben doorgebracht, wordt hij woedend: zee-ijs is instabiel en kan gaan drijven.

Een andere strategie om te overleven. Aurora Australis bevat een beschrijving van rotifera, raderdieren, beestjes van nog geen 2 millimeter groot. Met enige afgunst beschrijft James Murray hoe deze dieren er niets van merken wanneer de golven waarin ze leven met ontzagwekkende kracht tegen de rotsen knallen. De raderdiertjes zijn te klein om gekwetst te worden. Geef hun een druppel water en ze hebben een wereld. Murray besluit zijn stuk met de hoop dat de soort ons iets zal leren over de uiterste temperaturen waaronder ­leven op aarde mogelijk is.

Aurora Australis is het eerste boek dat op de Zuidpool werd gemaakt, door leden van Shackletons Nimrod-expeditie. De houten kaften van de originele exemplaren zijn gemaakt van bevoorradingskratten. De voormalige inhoud staat nog op de boeken, in gestencilde zwarte letters. Boter. Kip.

Het groeiende besef dat slechts wie niet goed kijkt kan denken dat een land bestaat uit wildernis en leegte.

Geef hun een druppel water: Antarctica is officieel geclassificeerd als een woestijn. Jaarlijks valt hier minder regen dan in de Sahara, het verschil is dat hier heel weinig verdampt. Van de twee actieve vulkanen op het continent, Deception en Erebus, is de eerste een populaire stop voor toeristenschepen. Op de tweede, Erebus, stortte in 1979 na een routeverandering een passagiersvliegtuig neer. Oorzaak van de crash was een sector white out, waarbij ‘noch schaduwen, noch de horizon, noch wolken te onderscheiden [zijn]; het gevoel van diepte en richting verloren gaat; slecht zeer donkere, dichtbije objecten kunnen worden gezien’. Dit zorgt voor verwarring, evenwichtsverlies, de onmogelijkheid om jezelf in de ruimte te positioneren, zodat het mogelijk is dat een piloot bij heldere ­hemel tegen de berg recht voor hem vliegt.

Loren Eiseley vertelt in een van zijn essays over de ontmoeting met een kraai in dichte mist. De vogel, die meestal op veilige afstand blijft, vliegt die dag bijna tegen hem aan en krijst van ontzetting. Eiseley vraagt zich af waarvan de oude en ervaren kraai zo kan zijn geschrokken, bedenkt pas later dat de vogel in de war moet zijn geweest. Dat hij dacht hoog in de lucht te vliegen, zijn domein, en daarin plotseling dat reusachtige wezen tegenkwam, de mens die doorgaans veilig op de grond blijft.

De kust krijgt vorm, trekt zich weer terug, lijkt er opnieuw te zijn

In april 1915 rapporteerde Shackleton een zonsondergang, waarna de zon direct weer opkwam, opnieuw onderging en weer opkwam.

nimrod | ˌnɪmrɑd | zelfstandig naamwoord 1 letterlijk een bekwaam jager. Naar Nimrod, de achterkleinzoon van Noach. In het Engels van de dertiende eeuw Nemb­rot, de stichter van steden, bouwer van de toren van Babel. In de zestiende-zeventiende eeuw is de naam synoniem aan een tiran.

Aan boord van Shackletons Nimrod, dat werd voortbewogen door een combinatie van stoomkracht en zeilen, bevonden zich een auto, twintig schapen en tien pony’s. Het schip was klein en oud en had zwakke motoren, maar Shackleton had geldgebrek en kon zich niets beters veroorloven. Het hielp niet dat zijn broer was betrokken bij wat wel werd beschreven als de roof van de Ierse kroonjuwelen.

Ont-dekken: het wegrukken van de sluier over iets wat al bestaat, maar zich doorgaans verbergt.

Soms vraag ik me af wie we geworden zijn, wat ervoor nodig was geweest om ons te stoppen. Maar ook: wat het met ons doet om ons voortdurend schadelijk te voelen, schuldig alleen al door het feit dat we bestaan. Sneeuw die nog niet betreden is noemen we maagdelijk, of ongerept; zelfs het zetten van een enkele stap, het achterlaten van een simpel spoor een overtreding. In sommige gebieden kunnen sporen jaren blijven bestaan. Gek: hoe soms een complete ijsberg zich verplaatst, terwijl elders bijna niets kan worden uitgewist.

Wat wel verborgen wordt: de kloven in het ijs, verborgen onder sneeuwbruggen van soms wel zestien meter breed. Als de sneeuw niet dik genoeg is breekt de brug op het zwakste punt, het midden, en val je in het ijs. De spleten zijn wigvormig, zodat je eerst een vrije val maakt voordat je komt vast te zitten met je heupen of je ribbenkast. Als er iets is waarvoor ik bang ben op Antarctica, is het wel dat: de illusie van vaste grond, de val als je te ver van vaste grond bent, het donker waarin je verdwijnt.

De keizerspinguïn zal de klimaatverstoring niet overleven.

1934. Byrd trekt naar Antarctica, geassisteerd door Thomas Poulter, die hem later zal redden van koolstofmonoxidevergiftiging. Vanuit Nieuw-Zeeland treedt Helen Gray op als Poulters secretaresse en legt de wetenschappelijke data vast die vanaf de Zuidpool via de korte golfradio worden verzonden. Thuis in Iowa had Gray bijgedragen aan de ontwikkeling van meetinstrumenten voor de expeditie. Het ijs was nog lang niet volledig in kaart gebracht, Antarctica zo onbekend als een andere planeet. En om dat continent te leren kennen bouwden Poulter en een leger boerenzonen in de hitte van Iowa glimmende meetinstrumenten, zetten hun ontwerpen zelf in elkaar. Gray zou later met Poulter trouwen, een sprookje dat de bevolking van Iowa tijdelijk wat afleiding gaf van de crisistijd. In Nieuw-Zeeland was Gray niet slechts verantwoordelijk voor de data: ze werd ook geacht te zorgen voor Poulters drie kinderen, van wie de moeder was overleden.

Opnieuw mensen uitgezwaaid, dit keer degenen die hier alleen voor de zomer waren. De overblijvers, wij, lijken zichzelf te beschouwen als een soort elite. Bijkomend voordeel is dat er meer ruimte is, iedereen heeft nu een kamer voor zichzelf. We grappen dat dat wel nodig zal zijn om in het midden van de winter, als irritaties oplopen, moord en doodslag te voorkomen.

De dagen worden snel korter. De zon blijft rood en laag boven de horizon en geeft praktisch geen warmte meer.

Temperatuur nu geregeld min veertig, met uitschieters naar min vijftig graden.

De besneeuwde grond is lichter dan de lucht, wanneer het stormt kan ik niet eens mijn eigen voeten zien. Zelfs het overbruggen van enkele meters is een reis.

In 1842 stond de Antarctisch ontdekkingsreiziger Charles Wilkes voor de krijgsraad op verdenking van immoral mapping. In een rapport aan de marine van zo’n twee jaar daarvoor had Wilkes genoteerd dat op de ochtend van 19 januari: ‘we land zagen ten zuiden en ten oosten, en vele indicatoren dat we bij land waren, zoals pinguïns, zeehonden en de verkleuring van het water, maar de ondoordringbare barrière van het ijs maakte een benadering ervan onmogelijk.’ Hij wantrouwde zijn ontdekking, zich al te bewust van de atmosferische illusies op de pool. Het zicht was al dagen slecht, zoeken naar land onder deze omstandigheden volgens Wilkes zoiets als rondtasten in een verduisterde kamer. Tegelijkertijd stond hij onder enorme druk om terra firma te vinden en te claimen, op tijd, dat wil zeggen: eerder dan zijn concurrenten. Toen zijn bemanningsleden land claimden te zien, was hij sceptisch en niet bereid om hen te geloven. De kust krijgt vorm, trekt zich weer terug, lijkt er opnieuw te zijn. Maar op 15 januari, een heldere dag, schetst hij zelf het land dat nu geleidelijk aan echter lijkt te worden, dat hij enkele dagen later Wilkes Land doopt. Op dat moment is het nieuwe land geobserveerd vanaf drie verschillende schepen, en de vergelijking tussen die drie waarnemingen laat geen ruimte voor twijfel.

Midwinterduik. We springen uitgelaten, gillend in het water, springen er even snel weer uit. Als we hard genoeg rennen, schreeuwen, lukt het misschien om datgene te verdrijven wat de afgelopen weken tussen ons in is gekropen, de kleine irri-taties, mijn ergernis over hoe Leah altijd weet hoe alles moet, de feiten die David rondstrooit, Jannicks te harde lach.

Begonnen aan Poes Narrative of Arthur Gordon Pym of Nantucket.

Moeilijker dan naar het ijs te komen is er vandaan te gaan, terug naar een wereld van kleuren, geluiden, van mensen en auto’s. Wie thuiskomt kan zijn familie veranderd vinden, hun routines niet langer dezelfde als toen hij ­maanden geleden wegging. Kan zichzelf een vreemdeling vinden in zijn eigen huis. Het wordt aanbevolen om bij terugkomst dagelijks meerdere uren alleen door te brengen, om de aanpassing te vergemakkelijken.

Wilkes land bestond niet. Voor altijd zou hij de man zijn die land had ontdekt dat er niet was.

We nemen amper nog de moeite om ons te wassen of tanden te poetsen, het lijkt de moeite van het werk niet waard. Onmogelijk om nu van Antarctica weg te komen, als we dat zouden willen. Wanneer het niet stormt zijn de nachten stil, de stilte is massief. Het zuiderlicht trekt strepen door de lucht, gloeit blauw, groen of rood op. De rest is al naar bed en ik sta hier alleen. De hemel is nog nooit zo groot geweest, het licht verandert steeds. Elke minuut is een nieuwe minuut.

Wytske Versteeg (1983) is schrijver, redacteur van De Gids en verbonden aan de Urban Futures Studio. Ze publiceerde zowel non-fictie als fictie (haar recentste roman is Grime, 2017). Haar werk werd bekroond met o.m. de Frans Kellendonkprijs en BNG Literatuurprijs, en vertaald in zes talen. Begin 2020 verschijnt het non-fictieboek Verdwijnpunt, een zoektocht langs geweld, taal en trauma.

Meer van deze auteur