Het wandelpad voert door een dichtbegroeid bos van Antarctische reuzenceders: gigantische stammen, zware takken en zwarte bladeren. Vanaf de rand van het bos is het twee dagen lopen naar het allereerste exemplaar van deze soort: een half gelukt experiment, meer machine dan boom, een onooglijke zaailing niet hoger dan je knie. Toch wordt dit monument regelmatig bezocht, want al vijfenzeventig jaar leeft dit twijgje, ontsproten uit inmiddels verouderde technologie, zonder te groeien en zonder te sterven, in perfecte balans, onderhouden door het netwerk aan bomen eromheen.

Tomo Simukase is evolutiebioloog en boswachter en stond aan de wieg van de reuzenceder, cryptomeria antarctica, half-computer, half-boom. Tomo toont me het Antarctische bos.

Wandelend in de richting van zijn appartement in Humboldtstad, de economische hoofdstad en het innovatieve hart van Antarctica, neemt het aantal woontorens af en het aantal bomen toe. Humboldtstad is een stad in een bos, en een stad én een bos. Een unicum, want vanaf de eerste menselijke nederzettingen ontstonden steden altijd door open plekken in het bos te maken, door bomen te kappen, bos te laten verdwijnen.

In de westerse cultuur zijn bossen altijd tegengesteld geweest aan beschaving. Wildernis die moest worden bedwongen of juist beschermd. Paradoxaal, want inlijven, opmeten, afbakenen, instrumentaliseren en oogsten van hout gebeurde tegelijkertijd met recreëren, herstellen, uitrusten, je laten overweldigen en betoveren. Het bos als voorraad hout én als levend organisme. Heilige plek én profane wildernis. In het bos geldt, kortom, de logica van de distinctie niet meer.

De eerste boomflat van volledig kunstmatige, levende ceder werd onthuld in 2190. Tomo woont met zijn vrouw en dochter in een van de ­verste woonbomen. De lift brengt me naar hun verdieping. Marion, Tomo’s vrouw, doet open. Hun appartement is ruim en licht. Op de vloer is rondom het tapijt vlakke boombast zichtbaar. Tomo staat met zijn dochtertje in zijn armen aan tafel; achter hen, aan de muur een kaart van het continent. Hij zet zijn dochter neer en ze begroet me met gestrekte armpjes. Samen bekijken we de kaart met de steden, bossen en bergen. Tomo’s voorouders vluchtten generaties geleden uit Japan. Hij staat rechtop, fier, is behoorlijk veel langer dan ik en heeft een donker baardje. Hij spreekt kalm en ­direct.

‘De kaart van Antarctica was ooit volledig wit, het onbedrukte vel van sneeuw, ijs en onontgonnen gebied. Maar de transformatie van de afgelopen eeuwen heeft niet veel triomfantelijks, want de langzaam toenemende bewoonbaarheid van dit continent staat in de schaduw van de toenemende onbewoonbaarheid van de rest van de planeet.’

Een boom zal nooit meer materiaal gebruiken dan nodig is

Miljoenen jaren geleden was Antarctica begroeid met beuken en coniferen. Het continent lag als onderdeel van het supercontinent Gondwana nog op een andere plek op de aarde. Van de toppen van de bergen zijn, toen de temperaturen daalden, de laatste dennen verdwenen. Hun verdwijning luidde hier een boomloze geschiedenis in van duizend millennia. Een tijdperk dat achteraf slechts een interval blijkt te zijn geweest.

Ik volg het werk van Tomo Simukase al lang. Zijn stukken lezen is ingevoerd worden in de geschiedenis van de Antarctische reuzenceder.

In 2008 voegt Ecuador als eerste natie een natuurrechtenartikel toe aan haar grondwet als gevolg van een rechtszaak die aangespannen is door een inheemse gemeenschap. Rivieren krijgen in dat artikel rechten die tot dan toe waren gereserveerd voor personen.

De Duitse autofabrikant Opel maakt gebruik van biologisch onderzoek bij de kooiconstructies van zijn auto’s. Een computerprogramma berekent hoe met zo min mogelijk materiaal de sterkste constructie kan worden gemaakt. De belangrijkste ontwerpregel is afgeleid van bomen: de lastenverdeling is gelijkmatig. Als het evenwicht wordt verstoord door een scheur of een holte, voert de boom materiaal aan om dit te herstellen. Een boom zal nooit meer materiaal gebruiken dan nodig is. De vorm van de boom komt voort uit deze balanceeract. Rondrijden in een Opel aan het begin van de eenentwintigste eeuw is gedeeltelijk rondrijden in een boom.

Een groep onderzoekers sticht in 2018 een bos – genaamd terra0 – dat zichzelf bezit, beheert en utiliseert. Ten oosten van Berlijn wordt een stuk bos gekocht en voorzien van een serie computers. Een programma verschaft zichzelf toegang tot satellietbeelden om te bepalen welke bomen door gelicenseerde bedrijven gekapt en verkocht kunnen worden zonder de vitaliteit van het bos aan te tasten. Contracten worden gesloten tussen bosbedrijven enerzijds en het bos, een non-menselijke partij, anderzijds. Winst wordt opgespaard, zodat het bos uiteindelijk zichzelf kan afkopen en uitbreiden.

Het wood wide web is de bijnaam die aan het begin van het nieuwe millennium ontstaat voor het netwerk dat bomen via voor het menselijk oog onzichtbaar dunne schimmeldraden verbindt. Microben, te weten eencellige schimmels – ook wel microsporen genoemd – en bacteriën werken samen met bomen. De microsporen geven voedingsstoffen van grote, sterke bomen door aan jonge of zwakkere soortgenoten. Ook wordt via het microbiële netwerk gewaarschuwd voor dreigingen zoals parasieten, waar bomen zich met geur tegen kunnen verweren. Precies op het moment van de herontdekking van deze symbiotische relatie – herontdekking, want iedere inheemse bosbewoner wist dit allang1– wordt het verband gelegd tussen temperatuurstijging, CO2-toename in de atmosfeer en een desastreuze afname van deze symbiotische relaties.

‘Het is nu eenmaal ons erfgoed dat we de populaties van andere dier- en plantensoorten hebben doen verdwijnen,’ zegt Tomo in de lift omlaag, ‘en zelf zullen we ook verdwijnen. Desondanks zijn we in staat om dingen te ontwikkelen die ons eigen belang overstijgen.’

Simukase heeft gen- en biotechnologie gestudeerd en heeft zich gespecialiseerd in dendrologie. Hij combineert het traditionele ontzag voor alle materie in de Japanse, animistische traditie met een eindeloze ontdekkingsdrang. Zijn vrouw Marion is computerwetenschapper en ze werken samen aan verder onderzoek naar de reuzenceders.

De liftdeuren openen en we staan vrijwel onmiddellijk in het bos.

‘Dit is een uitzonderlijk stuk aarde.’

Antarctica is inderdaad een uitzonderlijk stuk aarde. Het was altijd een solide continent en tegelijkertijd een soort verre ijsplaneet. Complottheorieën plaatsten hier het ondergrondse toevluchtsoord van Hitler. Het ondergrondse meer zou nog altijd levende dinosaurussen bevatten. Begin twintigste eeuw waarschuwde horrorschrijver H. P. Lovecraft al voor de kolonisatie van het zuidelijkste continent. De jacht op fossielen en brandstoffen zou, zo zag hij aankomen, de ijskappen doen smelten, en hij voorvoelde dat er oeroude en destructieve krachten zouden vrijkomen. Hij schreef over ‘de Antieken’, leden van een onclassificeerbaar organisme, rondwarend in de ondergrondse meren. Vergeleken bij de onvoorstelbare ouderdom van deze Antieken en hun veel geavanceerdere evolutie stellen wij mensen niets voor. In Lovecrafts tijd werden op Antarctica daadwerkelijk fossielen gevonden, botten van gigantische reuzenpinguïns en sporen van oeroude ginkgobomen. Op Antarctica heeft daarna lange tijd niets zo goed gebloeid als de verbeelding. Misschien moesten er eeuwenlang wilde fantasieën op dit continent worden geprojecteerd voordat het daadwerkelijk een krankzinnig gebied vol fantastische tegenstellingen kon worden.

Tomo: ‘De verduistering in de zomer en het kunstmatige licht in de winter2 doen het je soms even vergeten, maar alles leeft hier in een vrijwel continue, trage schemerzone, met dan opeens, alsnog onverwacht, een omslagpunt. Zes maanden licht, zes maanden donker.’

(De ervaringen van Simukase op dit vlak komen overeen met wat de beroemde Amerikaanse schrijver Barry Lopez eind twintigste eeuw over de noord- en zuidpoolgebieden schreef.)

Het geruis van de machines van de stad is langzaam overgegaan in dat van de bladeren. Alle bomen hier zijn gigantisch, maar dit is nog niets, verzekert Tomo me, dit zijn slechts de uitlopers. We lopen langs tientallen levende specimen van de hybride cryptomeria antarctica – ‘cryptomeria’ betekent letterlijk ‘verstopte gedeeltes’ – maar ook dat is niet zo vanzelfsprekend als het lijkt, zoals later zal blijken.

Tomo: ‘Op IJsland is eeuwen geleden geprobeerd om nieuwe bomen te kweken, nadat de bestaande bomen allemaal door kolonisten waren gekapt. Dat begon pas weer een beetje te lukken nadat was ontdekt hoezeer een bomenpopulatie afhankelijk is van het ondergrondse sporennetwerk. Antarctica is het eerste continent waarbij de kolonisatie begon met het planten van bomen in plaats van het kappen.’

Het is ironisch dat uiteindelijk Antarctica, dat gedurende de hele menselijke periode van vooruitgang leeg, koud, dor, stil en schoon is geweest, de puinhoop die we van de wereld hebben gemaakt mag opruimen. Ontbossing zorgde tot aan het jaar 2000 voor de grootste toename van CO2 in de lucht. Antarctica, goed voor een miljard hectare, vangt nu een groot gedeelte van het teveel aan koolstof op.

‘De aarde heeft inmiddels zes massa-uitstervingsgolven gekend. Zesmaal stortte de fylogenetische stamboom van de planeet – het boomdiagram dat laat zien hoe de ene groep organismen ontstond uit de andere – in, om daarna in gewijzigde vorm weer op te groeien. Zes op en neer gaande bewegingen, zes ademteugen van elk miljoenen jaren. Elke uitademing vaagde telkens het grootste gedeelte van de levende soorten van de aardbodem. Al die massale sterfte – behalve die van de dinosauriërs en hun meteoriet – kwam door klimaatverandering en de laatste maal kwam die klimaatverandering door ons.’

Tomo port met zijn schoen in het begroeisel op de grond en haalt een groenzwarte klimop van de bodem omhoog.

‘Zoals de reuzenceders met hun versnelde CO2-opname zijn er ook wingerds die plastics verteren en wilgen die de halfwaardetijd van nucleaire afvalstoffen minimaliseren. Uit dood groeit leven.’

Honderd jaar lang is er gedroomd van technofixes: ideeën over ­carbon capture, CO2-stofzuigende vliegtuigen of atmosferisch ingrijpende ruimte­schilden waren een soort magisch denken over het klimaat, waar vrijwel niets van terecht is gekomen. De antarctische reuzenceder is geen technofix, want hij fikst niets wat kapot is gegaan en is niet meer of minder technologie dan jij of ik.

‘Het lijkt erop dat we de wetten van de evolutie hebben kunnen omzeilen, dat we nieuwe wetten hebben afgedwongen, waar we de consequenties niet goed van kunnen overzien. Als je het mij vraagt, hangt ons overleven af van hoezeer we ons aan die wetten zullen kunnen houden.’

Antarctica is het eerste continent waarbij de kolonisatie begon met het planten van bomen in plaats van het kappen

Tomo’s langdurige verblijf in de nabijheid van cyborgbomen moet hem ervaringen en inzichten hebben gegeven die maar weinigen van ons zijn gegund.

‘Je kunt ook zeggen,’ vervolgt hij, ‘dat we zijn ingehaald, de wereld verandert sneller dan wij.’

In 2031 wordt in Tokyo de zeventig verdiepingen tellende Sumitomo-wolkenkrabber van hout onthuld met per elke vijf verdiepingen een ­tuinverdieping met levende bomen. Voor de Japanners is het een nieuwe manier van bouwen en tegelijkertijd grijpt deze manier terug op de tra­ditie van bouwen met hout.

In British Columbia in Canada worden in dezelfde periode meerdere houten wolkenkrabbers gebouwd van kleine houtstaven, die samen de kracht en de schoonheid van grote stukken oerboshout nadoen, maar zonder de ecologische schade. De flatgebouwen van de voorsteden rijzen net zo hoog de hemel in als de ceders in het oerbos op enkele kilometers afstand.

Van metaal en kunststof wordt ondertussen in het Midden-Oosten de eerste bionische toren ontwikkeld, die met van bomen afgeleide responsen reageert op wisselingen in luchtdruk, temperatuur, vochtigheid, luchtverontreiniging en zonnestralen, en die daardoor beter bestand is tegen extreme weersomstandigheden.

Berlijn, het fin de siècle van de eenentwintigste eeuw. Europese regel­geving voorziet alle bomen van een genetische tag, een onzichtbare streepjes­code in elke cel, zodat fraude, diefstal, stroperij en moord worden tegengegaan.

 De wedloop om mammoeten en dinosauriërs te ‘ontuitsterven’ wordt in 2124 stopgezet en verboden wegens ethische bezwaren tegen de tussentijdse uitkomsten, maar de ontwikkelde techniek om versneld organisch weefsel te laten groeien wordt toegepast in de bouwsector.

Het Lake Vlostok Building wordt in 2141 opgeleverd. Het is de eerste torenflat die is gemaakt van kunstmatig oerboshout uit één stuk.

In 2155 wordt het non-humaan recht – gelijke rechten voor alle natuurlijke entiteiten – wereldwijd ingevoerd in het Rio Grande-verdrag.3

De eerste keer dat een computernetwerkverbinding wordt aangesloten op de organische hyfen van een schimmelnetwerk vindt niet lang daarna plaats in een lab van Octagon, de grootste multinational van het midden van de tweeëntwintigste eeuw. Microben communiceren met qubits. Het doel om de gigantische databases met informatie over alle inmiddels uitgestorven soorten aan te sluiten komt in beeld. Het idee dat hybride netwerken de grotendeels verloren gegane schimmelnetwerken zullen kunnen vervangen is niet langer pure sciencefiction.

Tomo: ‘Bomen wilden hier vroeger nooit groeien door gebrek aan licht, warmte en vocht. De temperatuurstijging verbeterde de omstandigheden, relatief gezien, maar een beetje. Het droogste gebied op aarde, het is nu misschien ondenkbaar, was lange tijd niet de Sahara, maar dit. Pas sinds de ijskappen gesmolten zijn, in combinatie de met vrijgekomen ondergrondse rivieren en meren, is er voldoende vocht.’

Nu we echt de stad uit zijn zie ik meer en meer soorten, vaag herken ik een bosbesachtige begroeiing.

‘Er zijn hier talloze nieuwe soorten van bomen en planten die nog nooit zijn beschreven. Er gebeurt hier iets fundamenteel vreemds en dat is de reden waarom Marion en ik hier nooit op uitgekeken zullen raken. Je kunt het vergelijken met wat er gebeurt bij programmeren in computercode. Het geheel aan code van een programma, de codeline of ook wel algoritmische boom genoemd, kent een stam met vertakkingen. Terwijl men verder werkt aan de code in een van die takken, wordt vaak een zogenaamde schaduwtak van de eerdere versie van die tak gemaakt, om zo kleine veranderingen vol te kunnen houden terwijl anderen werken aan de oudertak. Meestal wordt die schaduwtak later weer geïntegreerd in de originele stam, maar wat er hier in de grond gebeurt is dat de schaduwtakken van de genetische code onder de invloed van de input van de microsporen razendsnel minuscule wijzigingen ondergaan. Nauwelijks merkbaar, maar voldoende om niet meer opgenomen te kunnen worden in de originele ­codeline. In gewone mensentaal: vrijwel elke boom is hier meteen ook een eigen soort. Het is dus eigenlijk ook niet correct om te spreken van dé Antarctische reuzenceder.’

Bosbouw was tienduizend jaar een eufemisme voor bosvernietiging, maar in enkele decennia is dat omgedraaid. Het begint met een kweekset die in de grond wordt gestoken. In de tijd die vroeger een wilg nodig had om volwassen te worden, groeit er een gigantische zuidpool-yakusugi uit, inclusief de jaarringen van eeuwen. Yakusugi, cryptomeria japonica, zo heetten de millennia oude dennen van Japan die bestand waren tegen water en niet konden rotten. Superbomen. We weten niet beter dan dat die ­bomen, waren ze door ons met rust gelaten, onsterfelijk zouden zijn geweest.

Tomo gaat met zijn vingers over het breukvlak van een omgevallen, jong exemplaar. Nog een Antarctische paradox: dit bos is tegelijkertijd wilde natuur en productiebos. Evenveel wildernis als plantage.

‘Schommelingen in het licht, de wind, de temperatuur en de vochtigheid in de stad worden hier gebruikt om versneld jaarringen te maken, ­eentje per etmaal. Ze zien eruit als jaarringen, maar zijn in feite dagringen. In deze bomen lees je in elke rimpel het ritme van de stad en de verbondenheid ermee. Wanneer de kweekset is leeggetrokken, stappen de bomen over op een ouder ritme en groeien haast niet meer, dat wil zeggen, met een ring per jaar, zoals vroeger.’

In een halve eeuw bouwden we zo een bos van ogenschijnlijk tienduizenden jaren oud. En ook al zien sommige exemplaren er daadwerkelijk zo doorleefd uit, natuurlijk hebben ze niet echt tienduizenden jaren meegemaakt. De rampen van de afgelopen eeuwen hebben geen sporen achtergelaten in hun weefsel. Hun grillige structuren vertellen slechts het verhaal van hun eigen totstandkoming. Elke kunstmatige variant is als de schaduw van het origineel, heeft wel de contouren, maar niet het reliëf. Het synthetische lijkt het zware van de dood te missen.

‘Deze bomen dragen geen geschiedenis in zich,’ zeg ik. ‘Ze zijn niet langer verbonden met het geheugen van de wereld zoals de oude bomen dat waren.’

‘Wat geeft het,’ zegt Tomo hoofdschuddend. ‘Ze zijn het begin van een nieuwe geschiedenis. Al zou ik toch graag een antiek oerbos hebben gezien.’

Hij staart omhoog naar de toppen van de reuzenceders, waarvan de zwarte bladeren overdag automatisch een tikje transparanter worden dan ‘s nachts, zodat het kunstmatige dagritme ook in de bossen zichtbaar is. Het zonlicht doet de lichtbruine huid op zijn voorhoofd glinsteren.

De Antarctische ceder heeft flinterdunne, zwarte bladeren met een groenige glans. De zwarte siliconenbladeren nemen in de zomer het overvloedige zonlicht op, dat, omgezet in elektriciteit, via het ondergrondse netwerk wordt opgeslagen, zodat het in de winter weer terug kan vloeien. Ze genereren inmiddels ook energie voor Humboldstad in de winter. De bladeren zijn spiraalsgewijs gearrangeerd, zoals naalden, en zijn slechts een paar centimeter lang. Dunne bladeren nemen meer CO2 op en dat is nodig voor de verhoogde groei en energieproductie. De dunne blaadjes zijn het omgekeerde van wat bomen historisch gezien vanaf de negentiende eeuw zijn gaan doen: steeds dikkere bladeren vormen naarmate de CO2-concentratie in de lucht steeds hoger werd. We weten nog steeds niet precies waarom bomen en planten dit zijn gaan doen, maar deze reactie is veelvuldig gedocumenteerd bij vele plantensoorten.

‘Oerbossen zijn er al driehonderd jaar niet meer,’ zeg ik. Waar wij nu lopen, lagen ooit kilometers dikke ijskappen, waarvan gedeeltes wel miljoenen jaren oud waren. Uit dat ijs viel de geschiedenis van eerdere tijdperken af te lezen en die geschiedenis is weggelekt met het ijs. Nu staan hier bomen met duizenden en duizenden synthetische jaarringen. Zou je die jaarringen als echte jaarringen opvatten, dan zouden deze bomen hier vrijwel even lang hebben gestaan als de hele geschiedenis van de menselijke beschaving. Stel je voor, een alternatieve geschiedenis van de mensheid met al die tijd een oerbos op Antarctica. Misschien wel een geschiedenis zonder overstromingen, bosbranden en andere klimaatrampen. Een parallelle stroom, een schaduwtak die weer is verdwenen, maar ­waarvan je met een beetje verbeelding hier wel de stille, groeiende getuigen kunt zien. Met Tomo in dit nep-oerbos lopen is iets van die alternatieve geschiedenis meemaken. Alsof niet alleen de toekomst kneedbaar is, maar ook het verleden. Alsof alle destructie, pijn en verdriet ook grote schoonheid hebben opgeleverd.

In een halve eeuw bouwden we zo een bos van ogenschijnlijk tienduizenden jaren oud

Boven ons vergroten en verkleinen de bladeren hun transparantie telkens net voldoende om het pad goed zichtbaar te houden. Bomen waren al intelligent voordat ze kunstmatig waren, schreef Tomo in een van zijn artikelen.

‘De nieuwe verbindingen die met deze bomen tot stand zijn gebracht zijn een logisch gevolg van eindeloos veel tests. Er is niets obscuurs aan. En toch kan ik wel begrijpen dat vele niet-ingewijden de eerste hybride reuzenbomen aanbaden als spirituele wonderwezens.’

Bij een splitsing houden we halt. Tomo gaat terug naar huis, want Marion moet aan het werk. Ik zal in mijn eentje de route lopen die, nauwelijks begaanbaar, een wandeling is van twee dagen, eindigend bij het monument van de eerste zaailing. Maar ik hoop dat ik mijn eigenlijke doel eerder zal bereiken.

Met roze lintjes in de takken is de route aangegeven, want een echt pad is er niet. Wortels, takken en stammen dienen als leuningen, traptreden en bruggen. Een geknakte, dikke boom dient als plateau. Elke tien stappen brengen me in een volledig nieuwe omgeving. Ik vraag me af of hier ook nog puur biologische soorten doorheen groeien. Toch is hier niets dat aan technologie doet denken. Het bos komt op me over als elk ander bos, en tegelijkertijd enigszins vreemd.

Dit land is nooit echt van iemand geweest, dit landschap vormde zich samen met haar bewoners. Het is gekoloniseerd zonder dat wij koloniaal waren. Eigendom, ontwikkeling, politiek en grenzen ontstonden hier tegelijkertijd met het landschap. Er zijn hier nooit inheemse volkeren geweest. Wij moesten zelf inheems worden.

Na een uur ben ik vergeten waarheen ik wandel, waarvandaan en waarvoor. Schrammen op mijn armen. Ik heb al mijn aandacht nodig om de roze lintjes te vinden en om niet te struikelen, vallen, een been te breken.

De beste kampeerplek is onmiskenbaar, had hij gezegd. Een door rotsen beschutte minivallei met een paar reuzenceders. Ik ga zitten op een bemoste, platte rots. Hier zal ik straks mijn tent opzetten. Ik doe wat ik altijd doe als ik een nieuwe plek bezoek. Luisteren. Zonder iets te verwachten.

Er gebeurt iets met het licht als het door het bladerdek heen gaat. Het verandert, verfijnt. En omdat toch niemand me kan zien, ga ik als vanzelf ‘in de boom’ staan. Een houding waarin je zonder spierkracht te gebruiken urenlang stevig kunt blijven staan, geconcentreerd op de in- en uitgaande energiestromen van het lichaam. Een oefening waarmee de oude Chinezen honderden jaren oud meenden te kunnen worden. Altijd alleen sta ik desalniettemin dagelijks samen met al die anderen die deze oefening doen, ieder in een ander appartement, kelder, parkeergarage, perron of duin, ieder van ons alleen, wiegend in de wind, tezamen een bos vormend van ver uit elkaar staande figuren, slechts verbonden door dezelfde, simpele oefening.

De kunstmatige avond valt. De bladeren worden donkerder. Een natuur­lijke dag en nacht duren hier samen precies een jaar. Wie een Ant­arctisch etmaal uitzit is een jaar ouder. Een Antarctisch jaar overleven is 365 jaar ouder worden. De tijd heeft hier een andere vorm.

Ook bomen vallen in slaap. Elke nacht laten ze hun bladeren een beetje zakken om ze de volgende morgen weer op te richten. Anderhalve eeuw consciousness studies heeft geen andere zekerheden opgeleverd dan dat het aloude idee dat alle materie voorzien is van de een of andere vorm van bewustzijn opnieuw gemeengoed is geworden. Kan een boom ook dromen? Het lijkt me niet, maar als ik me in zo’n boom probeer te verplaatsen, zou ik willen weten hoe het moet zijn geweest om in een antiek oerbos te hebben geleefd.

Na een tijdje gebeurt wat er altijd gebeurt als je maar lang genoeg je mond houdt. Ik voel me verwelkomd. Een serie tikken klinkt, een doffe klap in de verte, een zachte zoem. De geluiden van het bos, van elk bos, zijn raadselachtig. Zijn het de bladeren die ik hoor? Is het de stroom door de verbindingen? Later aan Tomo vragen.

  1. Bij veel westerse vindingen is het van belang om te spreken van herontdekking in plaats van ontdekking. De term ontdekking negeert bestaande kennis en handelingen van inheemse volkeren. Zo is bijvoorbeeld historisch gezien de eerste kolonie op Antarctica niet daadwerkelijk de eerste, want in 2090 vestigden zich al heimelijk Inuit op Marie Byrdland. Zie ‘De Adam en Eva van Antarctica’ op project-antarctica.nl

  2. Het parabolisch daglicht in de winter in Humboldtstad wordt verkregen via spiegels. Zie ‘De oase Humboldt City’ op project-antarctica.nl

  3. Zie de Wikipediapagina ‘Het Rio Grande-Verdrag’ op project-antarctica.nl

Dirk Vis (1981) is schrijver en kunstenaar. Hij presenteerde teksten in de vorm van performances, chapbooks en bewegende gedichten. Dirk Vis studeerde Beeld & Taal aan de Gerrit Rietveld Academie en Design aan het Sandberg Instituut. Hij doceert theorie aan verschillende kunstacademies, is redacteur van De Gids en oprichter van DIG. In 2020 verschijnt, deo volente, zijn debuutroman. Zie ook dirkvis.work.

Meer van deze auteur