Geslachtelijke bepaling

Trok in plaats van een grijs vest een jongen aan.
Zo vaak in de slobberfase gezeten dat er weinig postuur overbleef,
ik kon voor alles doorgaan. Het was te groot bij mijn schouders,
ach het kon me wat. Met veel dingen heb ik vrede gehad,

maar niet met geslachtelijke bepaling, met blauw of roze speelgoed.
Wilde ruw zijn en tegelijk lief, kocht op een dag mijn eerste piemel
voor zeventienvijftig. Ik waste hem voor het slapengaan zachtmoedig,
rolde hem door maïzena om hem levensecht en houdbaar

zoals de bijsluiter beweerde – en maakte een keuze, rechts of links dragen.
Streelde hem te pas en te onpas, verlangde steeds vaker naar een vrouwenhand,
o alsjeblieft, een vrouwenhand. Piste tegen iedere boom die ik tegenkwam,
riep soms God aan: laat dit nooit voorbijgaan.

Maar mensen hielden niet van grijze vesten. Ze zeiden:
onder al die laagjes zit een meisje verscholen, dat zo vaak verkouden is,
ze staat al jaren op de tocht. En ze knepen in mijn bovenarmen,
schudden moedeloos het hoofd, schopten tegen mijn kuiten in de hoop

dat ze roze, balden hun vuisten. Je moet weten: niets was mij vreemd.
Dit ongenadig betasten, deze donderpreek. Dit gejammer
over de natuur en zijn beloop. Ik schreeuwde de longen uit mijn lijf,
gumde beterschap noch vrede uit al mijn tekenschriften.

Kreeg bloemen, gatverdamme te veel bloemen, en maakte mijn borst
schaamteloos plat, streek iedere ochtend de kreukels uit mijn vertrouwen.
Tuurde tussen mijn benen in de hoop dat de piemel aan zou groeien.
Alles wat te bepalen valt, heeft ongeschreven regels.

De brieflezer

In soberheid zitten de grootste vondsten, schreef je die dag.
Hoewel dit je triest maakte, zag je in alles een verband.
Je schaafde wat citroenrasp over de pasta, salie in boter
en je dacht: dit jongen-zijn heeft me lichter gemaakt. In woord en daad.

En brieven geschreven, zo veel brieven. Hoe meer inkt je verspilde,
hoe minder bloemrijk de woorden. Ergens onderweg God verloren.
Nu spaar je zijn mankementen. In een boek over jongens
onderstreep je de hartslagen en boy o boy, fluisterde je nerveus,

maakte je je schouders breed.
Een mens moet in zijn leven zijn eigen coulissen verplaatsen
hoorde je op de radio, en probeer dan maar eens tevoorschijn te komen.
Je verzweeg: de sprong wagen van je dakterras, je onvrede.

Strooide liefkozend Parmezaanse kaas, wat walnoten
en serveerde het aan de brieflezer die met zijn hoofd in zijn handen
de situatie probeerde te verbeteren, de spelfouten.
Niet dat je het nooit hebt geweten, je was alleen nooit zo zeker.

Mijlenver van hem vandaan, een muur die maar niet afbrokkelde:
alles wat hij zag kwam voorbij in rapporten, maar niet die jongen.
Die zich meermaals aan je toonde, soms aan je hand,
dan weer alleen en in het donker.

In soberheid zitten de grootste vondsten, als je even niet kijkt schitteren ze.
Brief met te veel speeksel dichtgeplakt. Stotterde daarna
het hele recept op, drie eetlepels slagroom. En jaja
altijd moet je alles anders doen, en o God doe toch gewoon.

Hij gaat je brief lezen. Morgen of overmorgen.
Nee meisje, zegt hij, ik ben je niet vergeten.

Marieke Lucas Rijneveld (1991) debuteerde in 2015 met de dichtbundel Kalfsvlies, die werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs. Haar debuutroman De avond is ongemak uit 2018 stond op de longlist voor de Libris Literatuur Prijs 2019. Haar nieuwste dichtbundel Fantoommerrie verscheen in januari 2019. Momenteel werkt ze aan een tweede roman. Naast haar bestaan als schrijver werkt ze op een melkveebedrijf. 

Meer van deze auteur