Locatie: laboratorium in Antarctica, waar in een door kunstmatige intelligentie beheerste samenleving onderzoek wordt gedaan naar restmateriaal van de menselijke beschaving met als doel de robottechniek te verfijnen met organisch ontwikkelde (dierlijke) hersenactiviteit.

Antarctica is na het smelten van de ijskap de enige plek waar menselijk leven mogelijk is, door natuur die onder het ijs vandaan is gekomen.

Kleine groepjes mensen leven daar samen in reservaten, gecontroleerd door robots.

De hoofdpersoon is een van de laatste overlevenden uit een reservaat. Zij bevindt zich in een lab als proefmens.

Op de mens na zijn alle gewervelde en gevleugelde diersoorten uitgestorven. Wat men verstaat onder natuur speelt zich af op het niveau van microben. Micro-organismen zoals bacteriën, gisten, archaea en schimmels worden bestudeerd en ook wel als huisdier gehouden.

Raderdiertjes (Rotifera) zijn een diverse groep microdiertjes, onzichtbaar klein. Elke soort lijkt weer anders, maar toch hebben ze allemaal één ding gemeen: de raderachtige organen naast hun mond. De radertjes bestaan uit kleine tanden die snel heen en weer bewegen. Hierdoor ontstaat een vortex waarmee het raderdiertje zijn voedsel, waaronder algen, naar binnen zuigt.

Artis-Micropia, Jennifer Struikenkamp

HERSENSCAN AX11 – associatie-ketenonderzoek naar aanleiding van plantaardig materiaal – voedsel #GGH

Ik volg de trage bewegingen van barokke schimmels die op het koepelplafond worden geprojecteerd. Hoe moet ik gaan staan in een zaal die is ingericht om ons af te leiden, terwijl we wachten om toegelaten te worden tot waar het werkelijke leven zich afspeelt? 

Anders dan een wachtkamer, is de wachtzaal feestelijk aangekleed. Met strikken en ruches om meubels, die ze het aanzien geven van enorme geschenken. Zelfs de vrouwen zien eruit als cadeautjes, met linten om hun middel en strikken in het haar. Ze glanzen. 

Ik leg mijn handen op het witte kleed van een hoge ronde tafel, dat zo lang is dat het over de vloer uitvloeit. Ik moet er wel op gaan staan om bij de tafel te kunnen, maar het voelt ongemakkelijk. 

Wie zou de rok straks moeten uitspoelen? 

We kunnen niet anders dan doorgaan met wat we altijd al hebben gedaan. Zelfs nu de noodzaak om voor onszelf te zorgen ontbreekt: levens invullen met taken, opdat er verwachtingen ontstaan. Opdat we elkaar kunnen te­leur­stellen, en trots kunnen zijn als dat niet het geval is.

Heb ik ooit ergens anders geleefd dan in een voorzaal? 

    zijn ene helft staat hij ter verorbering de wereld af,
    terwijl hij met zijn andere vlucht.

---

HERSENSCAN AX11 – naar aanleiding van plantaardig materiaal – voedsel #GGH
poging 2

Ik bekijk mijn notities, waarin zoveel staat doorgekrast dat ik het velletje zou kunnen presenteren als een samenvatting van mijn leven. Een zelfportret. De lijst met wat verloren is gegaan is eindeloos. Maar ik heb beloofd een lezing te houden over Wisława Szymborska, een dichteres uit de oudheid, van voor de kloonrevolutie. 

Ik hecht aan het woord ‘beloven’, in plaats van ‘moeten’. In het onderscheid vind ik een vorm van zelfbeschikking, die vooralsnog niet detecteerbaar is.

Ik ben liedbewaarder van Autotomie, een gedicht dat Szymborska schreef ter nagedachtenis van Halina Poswiatowska, die stierf toen ze tweeëndertig was.

Een dichteres uit de oudheid, van voor de kloonrevolutie

Gedichten schrijven of voordragen is verboden. Erover vertellen wordt getolereerd, zolang het effect van kunst op het brein nog niet volledig in kaart is gebracht. Ik ben een van de laatste liedbewaarders. Ik ben een jaar ouder dan Halina toen ze stierf. En als ik mijn gedicht niet deel, weet ik niet wat er van mij overblijft.

    Bij gevaar deelt de zeekomkommer zich in tweeën:
    zijn ene helft staat hij ter verorbering de wereld af,
    terwijl hij met zijn andere vlucht.
    Hij valt heftig uiteen in ondergang en overleving,
    in boete en beloning, in wat was en wat zal zijn.
    Halverwege de zeekomkommer splijt de afgrond open
    en beide randen zijn elkaar onmiddellijk vreemd.

---

Ik weet niet wanneer ik voor het laatst een gedicht heb gehoord. Van veel gedichten weet ik niet meer hoe ik ze tot me heb gekregen. Het is mogelijk dat mijn versie van Autotomie is meegegroeid met mij en inmiddels niet meer lijkt op het origineel. 

Mijn hersenen worden wekelijks ­uitgelezen, maar de programma’s zijn niet verfijnd genoeg om een onderscheid te maken tussen herinnering en overlevering. Ik zeg er niets over, en mogelijk is het mijn twijfel die de oorsprong van het gedicht ontraceerbaar maakt. 

In dit obscure gebied kunnen ze mij niet raken, dat vind ik een vorm van vrijheid.

Toen ik het begrip ‘vrijheid’ moest omschrijven, kwam ik niet goed uit mijn woorden. BellaXR dacht dat ik informatie achterhield, omdat ik lange pauzes liet vallen.

Ik betrap mezelf erop dat ik blij ben om haar te zien, wanneer ze zacht brommend aan komt rollen. Haar armen zijn vervangen door een dienblad waarop de meet- en ­uitleesapparatuur ligt. Soms heeft ze zomaar een voorwerp bij zich. Een bloem op sterk water, een foto van mijn huismicroben, een vork. Dan worden mijn associaties uitgelezen.

Zou ze er enig idee van hebben hoe afstotend haar naam is? Hoe die alles in zich draagt van de oude continenten die de ontkenning van klimaatverandering door menselijk toedoen wisten te verheffen tot religie? Dat ze eruitziet als een mannenfantasie uit een oud sprookje: rondborstig, dienstbaar, eeuwig vriendelijk, alleen sprekend wanneer noodzakelijk.

Zou het haar iets kunnen schelen? 

Raderdiertjes kennen twee geslachten: man of vrouw. Mannetjes zijn niet altijd nodig voor de voortplanting. De vrouwtjes kunnen zich namelijk ongeslachtelijk voortplanten. Ze leggen eitjes waaruit alleen dochters komen. Hierbij klonen ze in feite zichzelf. (Bij sommige soorten zijn de mannetjes hierdoor zo onderontwikkeld dat ze geen spijsverteringsorganen meer hebben en kort na de geboorte sterven.)

Artis-Micropia, Jennifer Struikenkamp

Associatievermogen wordt al redelijk beheerst, maar niet zodanig dat er een nieuwe gedachte uit kan ontstaan. Misschien is dat de enige reden waarom ik nog in leven ben. Als de bodem van mijn hersenen is bereikt, zal ik overbodig zijn. Misschien zetten de laboranten levende cellen van mij op kweek, klonen ze nog iets voor hun plezier. 

Ik weet het niet zeker, maar ik denk dat er informatie wordt verwijderd uit mijn hoofd. Sommige begrippen komen me steeds vreemder voor, alsof ik ze nergens aan kan koppelen, terwijl ik me wel herinner dat ze ooit waren ingebed in een rijke grond van betekenisverwantschap. Ik weet begrippen zoals ‘schaamte’ of ‘inlevingsvermogen’ nog wel te gebruiken, maar ik heb er steeds minder gevoel bij, alsof de woorden hun kleur aan het verliezen zijn.

‘Vrijheid?’ vroeg BellaXR, terwijl ze me een lichte stroomstoot toediende.

Zou ze weten dat ze een Iers accent heeft?

‘Dat je wel kunt,’ zei ik. En na een lange pauze: ‘Maar niet hoeft.’

Er opende zich een ravijn in mij. Het scheurde open, terwijl ik woorden zocht die moesten omschrijven hoe het is om op een schommel te gaan zitten: ‘Dat alles wat vaststaat mee begint te deinen, zelfs de hoogste wachttorens, de zon, de boomtoppen wiegen mee in een tempo dat je zelf kiest en, Bella, als je op je allerhardst schommelt, zodat je tenen de wolken raken en je kunt springen – je hoeft niet te springen – je kunt springen – als je dat punt bereikt, dan…’

Ik wiegde heen en weer tussen mogelijkheden en keuzes, terwijl ik daar op de uitleesbank lag, en ik was zo moe van mijn geest die altijd maar een uitweg zoekt uit dit bestaan, dat ik ondanks mijn voornemen nooit meer een emotie te tonen, begon te huilen.

Wenen, dacht ik, ik huil niet, ik ween, omdat ik vermoedde dat ze dat woord niet kende.

Ik weende misschien nog het meest om Bella die een woord in de mond had genomen dat haar niets zei – een prop tussen haar mechanische kaken, een prop die in een andere context iets zuivers voorstelde – en omdat ik te doen had met een machine. Om de onoverbrugbare afstand tussen ons.

Bella bleef langer bij me staan dan nodig. 

Dacht ik. Of wilde ik dat?

Waarom nemen ze me het gedicht af? Wat kan het betekenen voor machines?

Er ging een subsirene af. Mijn traanvocht werd opgevangen. Het zal inmiddels bestudeerd zijn en in een archiefkast staan tussen alle andere sporen van redeloos en onprogrammeerbaar gedrag.

Wanneer ze mij niet nodig hebben, projecteren ze een ruimte op de wanden die mij op mijn gemak moet stellen. Dan komt mijn serotonine­niveau op een acceptabele hoogte, die mij inschikkelijker maakt. 

Ze hebben de projecties samengesteld uit ruimtes die ze hebben uitgelezen, een vreemde assemblage van jeugdherinneringen uit het reservaat, kinderboeken, verhalen en plekken waarvan ik heb gedroomd. 

Elk onderdeel komt me vaag bekend voor. 

In het geheel voel ik me niet thuis.

---

    De zeekomkommer wil niet langer alleen zijn.

Nee.

    De zeekomkommer deelt zich in tweeën.

De stem van mijn doorgever, die liedbewaarder was, kan ik me niet meer goed herinneren. Soms hoor ik een flard van haar stem in de orkanen die onze namen dragen. 

Als we buiten bereik waren, noemde ik haar ‘moeder’.

Het woord gonsde in mijn maag en krulde zich op als een kat die ligt te spinnen in de zon.

    De zeekomkommer deelt zich in tweeën:
    zijn ene helft staat hij ter verorbering de wereld af,
    terwijl hij met zijn andere vlucht.

---

HERSENSCAN AX11 – naar aanleiding van plantaardig materiaal – voedsel #GGH 
poging 3

Er komt een vrouw naast me staan, die zegt dat ze wel een gedicht zou willen schrijven en dat ze er soms ook aan begint, maar nooit verder komt dan de eerste regels.

Ze lijkt zich niet bezwaard te voelen haar hakken in de witte rok te steken. Ze prikt ronde afdrukken in de stof – sterren denk ik, of sproeten.

‘En dan denk ik: het is niet goed genoeg, en begin ik weer opnieuw.’ 

Er komt een enkel woord in me op, terwijl ik haar krullen bekijk, de roze blush die als een waas over haar gezicht ligt. Haar nagels zijn volmaakt. Zouden ze van metaal zijn? Ze zeggen dat het pijn doet, je nagels uit te laten trekken en te vervangen door titanium exemplaren. Dan hoef je er nooit meer iets aan te doen en schijn je zelfs met de nagel van een pink een blik te kunnen openen.

‘Representatief’ is het woord dat ze oproept. 

Ik herinner me dat ik eens achter haar liep op het station en dat ik haar volgde, omdat ik haar rode haar zo mooi vond bij haar groene jas en haar kniehoge laarzen.

‘Hoe doe jij dat?’ vraagt ze. ‘Hoe begin jij aan een gedicht?’

Hoe weet ze dat ik gedichten schrijf? 

Bedoelt ze dat ik niet kritisch genoeg ben op mijn eigen werk? Bedoelt ze: hoe komt het dat jij niet denkt: dit wordt helemaal niets. Het wordt helemaal nooit wat met dit gedicht.

Ik weet niet meer hoe ze heet. Debby, Polly, Bella…

Er bestaan meer dan tweeduizend verschillende soorten raderdiertjes, met een grote diversiteit aan lichaamsvormen. Ze zijn perfect aangepast aan hun leefomgeving. Soorten die zich vastzetten op de ondergrond hebben kleine voeten, terwijl zwemmende raderdiertjes veerachtige organen hebben waarmee ze door het water vliegen.

Artis-Micropia, Jennifer Struikenkamp

Elke keer dat ik me het gedicht van Szymborska probeer te herinneren, waarvan ik alleen de contouren nog ken, maar dat wellicht nog ergens in mijn hersenen ligt opgeslagen, is het alsof mijn gedachten worden verstoord. Ik kom niet meer op mijn eigen woorden.

Waarom nemen ze me het gedicht af? Wat kan het betekenen voor machines?

Ze zullen nooit begrijpen dat gevangen gehouden worden door iets wat geen idee heeft wat vrijheid kan betekenen van een bodemloze treurigheid is, waar ik me niet eens meer tegen wil verzetten. 

---

HERSENSCAN AX11 – naar aanleiding van plantaardig materiaal – voedsel #GGH
poging 4

De vrouw die niet weet hoe ze een gedicht moet schrijven, blijft me verwachtingsvol aankijken.

Ik wil haar vragen of zij zich ook wel eens afvraagt waarom we elkaar vrouwen noemen als er geen mannen meer zijn.

Mannen moeten aantrekkelijk zijn geweest, als we de gedichten van de liedbewaarders moeten geloven.

Ik heb geen idee hoe je een gedicht moet beginnen. Ik heb pen en papier nodig, wil ik haar zeggen. Ik ben nergens meer, sinds ons het schrijven is verboden. Ik kan geen gedicht maken in mijn hoofd. Het moet ergens staan. Ik moet het belachelijk kunnen vinden, doorkrassen, weggooien, uit de prullenbak halen, opnieuw beginnen. Het moet een gesprek worden, tussen iets in en buiten mij. 

‘Een gedicht is een zeekomkommer!’ zeg ik te hard.

Ze kijkt geschrokken om zich heen. De bewakers komen al dichterbij.

Ik besluit haar een echt advies te geven. Of in elk geval zo echt mogelijk. 

‘Mijn tip van de dag…’ zeg ik met een stem die voor een gastvrouwenstem moet doorgaan, wekt niet eens een glimlach bij haar op. Denkt ze dat dit mijn serieuze stem is? Of vindt ze mij gewoon niet grappig? Ik zet door. Ik laat me niet van mijn stuk brengen.

‘Ik doe alsof niemand me ziet,’ zeg ik. 

Ze kijkt me aan alsof ze nog meer woorden verwacht. 

‘Ik doe alsof ik sta te dansen in de woonkamer wanneer niemand thuis is en ik mijn lichaam laat opzwepen door muziek. Simpelweg omdat het fijn is de muziek te laten bepalen hoe ik me beweeg. Mijn “ik” lijkt zich op te heffen. Pas als ik die vrijheid voel, kan ik beginnen.’

Ze blijft me aankijken. 

Ik zoek meer woorden. ‘Ik ben er niet, moet ik geloven. Pas dan kan ik schrijven. Met alles wat ik in me heb.’

Ik hoor mijn stem te hard over het hoge ronde tafeltje slaan.

‘Als een beest,’ voeg ik toe, wanneer ze amper reageert.

Ik kan er net mijn ellebogen kwijt, naast een schaaltje kingsize pinda’s. De tafel wankelt. 

    Halverwege de zeekomkommer splijt de afgrond open
    en beide randen zijn elkaar onmiddellijk vreemd.

    Op de ene rand de dood, op de andere het leven.
    Hier wanhoop, ginds de goede moed.

Een magere vrouw aait de pinda’s. Als ik opkijk van de hand die over de pinda’s glijdt, is de beginvrouw verdwenen. Ik scan de zaal, maar ze is nergens te bekennen. Ik kijk onder de lange rok van de tafel of ze zich daar heeft verscholen.

De magere biedt mij gestreelde pinda’s aan.

Was het een robot?

Ik neem er een paar, probeer hun warmte te omklemmen.

---

Ik zal mezelf blijven opdelen in steeds kleinere stukjes

HERSENSCAN AX11 – naar aanleiding van plantaardig materiaal – voedsel #GGH
poging 5

‘Zou je me een gedicht willen afstaan?’ vraagt de magere. Ik kijk om meheen en, wanneer ik geen bewakers zie, fluister ik haar Autotomie in het oor – klein en zacht, met donzige haartjes op de oorlel. Mijn gedicht doet ze bewegen, als haren op bacteriën die elkaar informatie doorgeven met trillingen. Elk woord zie ik, als een stukje zeekomkommer, in haar oorschelp verdwijnen. 

    Op de ene rand de dood, op de andere het leven.
    Hier wanhoop, ginds de goede moed.

    Als de weegschaal bestaat, wankelt geen van beide helften.
    Als er rechtvaardigheid is – voilà.

    Sterven zoveel als nodig, binnen de proporties.
    Aangroeien zoveel als nodig, uit de behouden rest.

    Wij kunnen onszelf ook delen, o zeker, wij ook.
    Maar alleen in lichaam en afgebroken fluisteringen.
    In lichaam en poëzie.

Ik hoop dat ze het goed heeft onthouden, want nog voor ze kon reageren, werd ik vastgeklemd en meegevoerd naar een gesprekskantoor.

Ik kreeg de keuze om vredig in te slapen of vrijwilliger te worden in een uitleeslab. 

---

Bella heeft me de opdracht gegeven een gedicht te schrijven. 

Ik heb haar gevraagd waarom ze niet gewoon mijn hersenen uitleest, maar ze bleef stug haar opdracht herhalen.

Eindelijk heb ik een toetsenbord in handen. Nu kan ik een gedicht schrijven zonder de vaagheid van het ronddolen in mijn eigen hoofd.

Maar hoe moet ik beginnen?

‘Waar is ze?’ hoor ik mezelf vragen.

Bella vraagt wie ik bedoel.

Ik weet het niet zeker.

Sinds ik de beginvrouw uit het oog heb verloren, weet ik niet meer hoe ik aan moet vangen.

‘Waar is ze gebleven?’  

Bella zegt dat ik specifieker moet zijn.

    Ik ben de grote ongrijpbare zeekomkommer.
    Ik zal mezelf blijven opdelen in steeds kleinere stukjes.
    Leesbaar, onleesbaar.

---

    Aan de ene kant de keel, aan de andere de lach,
    licht en snel verstommend.

    Hier het zware hart, daar het non omnis moriar,
    drie woordjes slechts, drie veertjes om mee op te vliegen.

    Ons snijdt de afgrond niet doormidden.
    Ons omringt de afgrond.

Maria Barnas (1973) is dichter, schrijver en beeldend kunstenaar. Bij uitgeverij Van Oorschot verscheen haar roman Altijd Augustus (2017) en dichtbundel Nachtboot (2018). Ze is redacteur van De Gids.

Meer van deze auteur