Zo zal de planeet
klinken, niet als het gat 
rond het bed van de man zonder slaap

waar het dieren regent, 
een airco zeurt, zijn reisgenoot 
zich nog eens omdraait, 

zucht – het woelen
dat het leven heet, 
dat als het meezit meebeweegt, 

maar als de aarde als een woud
zonder regen, zonder vogels,
waar het kort tevoren oorverdovend was. 

 

Halverwege
werd de man zonder slaap
volledig zichzelf,

de wereldreis 
een wildernis, 
onstilbaar. 

Zich met de snelheid van het licht
tot dat licht licht wordt
afspelende kakofonie, 

in dat licht
volledig zichzelf in nietigheid, 
zijn jaskraag

een nekklem. 
Is dat dood zijn, 
zonder slaap in het holst van de dag,

niet aan de voet van een berg
maar in een Airbus 
zonder weerga. 

 

De man zonder slaap
is de schim van zichzelf
met een rugbypostuur 

die hem in zijn dromen
in een voorgaand leven, 
in een onverstoord bestaan, 

de zon een kompas in het noorden, 
loodste naar zijn voorvader;
is de naakte navigator 

die hem de horizon liet zien
waarachter niet het niets, 
zich een langgerekte witte wolk bevond.

 

Tegen het waken
van de man zonder slaap
zijn kruiden gewassen, 

hele fabrieken verrezen. 
Waar hij naar taalt 
ligt voor het oprapen, 

maar de maan. 
Een licht van lood, 
een vers gesteven spanlaken

tot aan zijn opengesperde
ogen opgetrokken. 
Witter dan dit wordt het niet. 

 

De man zonder slaap
schreef een brief
aan de dichter van dienst,

Allerheiligen 2008,
gewoon overdag,
nadat hij de nacht van zich afgeschud had.

Over no matter
try again fail again
fail better

en be content with your life
it may not get any better
schreef de man zonder slaap:

‘Als je boven de tachtig bent,
nog veel kunt en wilt en doet
(maar niet alles lukt meer)

maar ook anderen ziet worstelen
met toenemend onvermogen,
dan zijn dat twee rustgevende adagia.’

De man zonder slaap
liet de man zonder slaap
zijn correspondentie na.

 

De droom van de man zonder slaap:
wakker te worden,
met een stalen gezicht

te beweren
dat hij niets heeft gemist,
en dat dat dan ook echt zo is.

 

Begin jaren zestig,
de man zonder slaap, ruggelings
drijvend, op een foto, in de Dode Zee. 

Zonnebril op de neus, 
een boek op zijn borst houdt hij vast. 
Hij doet of hij leest. 

Witblinkend zijn bast, bollend;
kruis, in rode zwembroek gehuld,
een minipiramide uitpiepend boven

een woestijn van water.
Zijn benen bleke schaduwen, haaks 
de hakken in het zout. 

Heelhuids, 
de man zonder slaap, 
poserend, het spel meespelend, ten voeten uit,

koud en tijd te over.
Ver weg drijvend op de Dode Zee
de foto. 

Onno Kosters (1962) is dichter, vertaler en docent Engelse literatuur en vertalen aan de Universiteit Utrecht. In 2018 verscheen zijn vijfde bundel, Waarvan akte. In ‘De man zonder slaap’ waakt een zoon bij zijn vader, een vader over zijn zoon.

Meer van deze auteur