De beer was ontsnapt omdat Mathias een ster zag.

Hij werkte in het dierenpark van Lotte Dunkel. Haar vader was directeur van de metaalfabriek waar iedereen uit Dunkelfeld werkte. Daar de vervuiling erger werd, namen de attracties toe.

Op zondagmiddag kwamen de families, en de beer mocht aan een lange ketting in het buitenverblijf, en wanneer het zonnetje scheen en de ketting glansde in het gouden licht, kregen de mensen echt waar voor hun geld. Op de informatiekaart aan het hek stond ‘beer van Mathias’, omdat niemand op een leuke naam kon komen.

Sterren zag je zelden. De lucht zat altijd vol met roetdeeltjes en vage zooi.

Maar vandaag was de hemel helder. De ster viel onwaarschijnlijk langzaam, alsof hij door iets werd tegengehouden. Het had Mathias ontroerd, dat trage, de tranen sprongen hem in de ogen, de weerzin van het hemellichaam tegen zijn einde, zoiets was het, een eigenwijs antitempo.

Geen wonder dat hij de beer vergat.

De ketting gleed uit zijn handen, de deur van de kooi stond op een kier – de vloer was een chaos van houtsnippers en drollen toen hij wilde schoonmaken – en de bezemstok die anders keurig tussen stang en slot bleef staan, verschoof onder de diepe zucht die aan Mathias’ keel ontsnapte.

De beer leek door de smalle opening te willen glippen, wat hem natuurlijk niet lukte, gezien de omvang van zijn lichaam, en met een grom die Mathias verdacht menselijk in de oren klonk, hief hij zijn voorpoten naar de vergrendeling en trok er kort aan.

Je zou zweren dat hij dit vaker had gedaan, de fijne bewegingen van een mensenhand schemerden door zijn vacht.

Het incident was onhandig getimed, de tuin zou eerder sluiten.

Stepan Lipatov

Het was 21 december, de dag van de langste nacht, en drie medewerkers hadden een week geleden bij Frau Lotte op een kortere werkdag aangedrongen. Ze wilden de winterwende vieren. Nu was het joelfeest rond de kerstdagen een vrije periode voor alle Dunkelfelders, de winterwende was folklore, een gek heidens feest, een excuus voor jongeren uit omliggende dorpen om vuren te ontsteken, om zich in de bossen aan dronken danspartijen over te geven en zich als dieren en duivels te verkleden, al wist de pastoor daar vaak een stokje voor te steken, een koffiegesprek met een ouder was meestal genoeg.

‘Vooruit, ik stem in. Laten we het park om vier uur sluiten,’ had Lotte tegen het drietal gezegd: twee jongens, broers, en hun vader. Ze waren afgekeurd voor fabriekswerk door haar vader, maar als bewakers ging het al jaren prima.

‘Mooi,’ zei de jongste, ‘dat is een uur voor zonsondergang. Genoeg tijd om…’

Eén blik van zijn vader was genoeg om hem zijn woorden te doen inslikken.

Lotte leunde achterover in haar bureaustoel. Wat de mannen deden in hun vrije tijd, ach, maar een echte leider toonde welwillendheid, leerde ze van haar vader.

‘Dat tijdstip is belangrijk voor jullie, begrijp ik dat goed?’

De mannen knikten een beetje, een antwoord geven wilden ze duidelijk niet, maar ze leken tevreden met het hare.


Door het verzorgen van de beer was Mathias van een achteloze dromer veranderd in een precieze werker. Hij zag alles. Had de beer zijn drinkbak verschoven en lag hij onschuldig in een hoek te slapen, dan merkte Mathias dit meteen op.

Soms liet de beer blijken dat hij Mathias kende. Hij lag languit, de voorpoten vooruit, de kop opgeheven. Of hij Mathias bewust aankeek, was twijfelachtig, de mens projecteert makkelijk zijn angsten en verlangens op alles wat stiller is, en anders, op het levende wezensvreemde, of het nu om een dier gaat of een donkere winternacht.

Dat soort dingen wist Mathias wel, maar als hij de beer zag vergat hij dat liever.

Het was een keer voorgekomen dat de beer een verdrietige bui van Mathias aanvoelde. Hij was net als Mathias op de grond gaan zitten, in het bench-gedeelte van zijn verblijf, de harige rug raakte de rug van Mathias, door de openingen van het getraliede gaas, het was gevaarlijk, en troostend, en omdat het genoeg van beide was, was het opwindend, en Mathias wilde niet meer weg, zo gelukkig werd hij van de aanraking door de beer.

Ze deden dingen waar geen taal voor nodig was. Samen naar het geluid van de hekken luisteren, de hoge toegangshekken, die aan het eind van de dag door Lotte Dunkel in eigen persoon gesloten werden.

Dat mocht niet lang duren, want Lotte wist precies waar haar mensen waren, haar gehoor was scherp, ze las de stilte die neerdaalde tegen het einde van een dag, wist dat de dieren sliepen, of deden alsof. Het tikken van haar hakken op het nieuwe tegelpad was genoeg om Mathias naar buiten te jagen.

‘Doe je voorzichtig?’ vroeg zijn moeder steevast wanneer hij thuiskwam, het stro in zijn haren, de vlekken verspreid over zijn overall, alsof hij gevochten had met een smerig beest. Dat was niet zo, de beer had nat voer naar hem gegooid, en hij gaf antwoord door de smurrie lekker op zijn kleren te laten, vrolijke gebaren maken, het bloed in de stof wrijven. Maar dat wist zijn moeder niet, gelukkig.

‘Goeie grutjes, wat zie je er weer uit, Mathias.’

De stront moest hij van zijn laarzen spoelen, de emmers stonden klaar naast de regenton bij de achterdeur.

Ze opende de keukenramen.

‘Niet de nieuwe plastic emmer pakken!’ riep ze.

‘Welke wél?’ riep Mathias terug, haar boze toon imiterend, want wat maakte het uit? En waarom stond het ding er dan? Deed ze dit om hem te testen?

En terwijl ze de ramen zachtjes sloot, wist hij dat ze op een zekere afstand van het raam bleef staan, stilletjes, om te zien of hij het water uit de regenton schepte, precies zoals zij het wilde, met de juiste emmer, niet de nieuwe van plastic, maar een roestig exemplaar, een oudje, geslagen uit authentiek Dunkel-metaal.

Zijn moeder had een hekel aan beren, maar aan de Dunkels had ze een grotere hekel. Ze vond dat de Dunkels alles wat ooit goed was in Dunkelfeld, verpest hadden. De lucht, de grond, het karakter van de mensen, niemand geloofde meer ergens in. Vaak was ze de enige aanwezige in de mis, klaagde ze.

‘In die enorme kathedraal. Hoe eenzaam is dat? En koud. Voor een vrouw alleen gaan ze niet stoken. Ik sta voor schut in mijn zondagse kleren.’

‘Maar de pastoor is er toch ook,’ schokschouderde Mathias.

‘Ja, zeker, en de misdienaar.’

‘De organist…’

‘Nee, die is overleden.’

Ze was boos op Mathias, die liever thuisbleef op zondagochtend, om een potje schaak te spelen met zijn vader, terwijl Anna, zijn zus, die in de verpleging zat, uitsliep, moe van de nachtdienst.

Maar Mathias was de Dunkels dankbaar. Het werk maakte hem gelukkig, hij werd ‘handig’ genoemd, een eigenschap waar ze thuis hard om moesten lachen. In het dierenpark kon hij een andere kant van zichzelf kon tonen. Door de beer was hij een beter mens.

‘Nee, nee, laat Mathias het maar even proberen te fiksen,’ zei de opzichter van Dunkels Dierenpark, wanneer een sleutel stroefheid demonstreerde in het slot van een dierverblijf, en het niet open wilde. Vooral aan de sloten van de kooien van praaldieren als de leeuwen werd gemorreld. Zeker in de wintermaanden. Bendes in de buurt, was een hypothese. Zigeuners. Vreemdelingen.

Ook het slot van de berenkooi had het moeten ontgelden.

‘Wat zouden ze van je willen, lieve “beer van Mathias”?’ had Mathias glimlachend gemompeld. Een oude circusbeer, gered van een minderwaardig bestaan, was het romantische verhaal dat Lotte Dunkel aan haar medewerkers had verteld, maar niemand geloofde haar. De beer sliep vooral. Mathias was de enige die hem op zijn achterpoten had gezien, maar ook dat was twijfelachtig. Mathias zei wel vaker dingen die niet waar bleken.

Een serieuze inbraak in de tuin had zich nog niet voorgedaan. Zoals het ging met alles wat nét niet gebeurde, maar naar alle waarschijnlijkheid makkelijk kon gebeuren – neem het gesodemieter met het slot, er was zichtbaar mee gerommeld, neem de werkloosheid onder jongemannen, op een vacature voor een simpel schoonmaakbaantje in het dierenpark reageerden soms wel honderd jongens – was het een kwestie van een tijdje afwachten, tot de gevreesde situatie zich zou voltrekken, al naar gelang de overtuiging van de mensen, om een paar variabelen te noemen die de voortgang der dingen bepalen.

Geloof.

Of fantasie.


Mathias wist dat de tuin eerder dicht zou gaan, het diminuendo van de dag die voor de langste nacht moest wijken, gaf aan de lucht een diepe tint waar de meteorenlichtbaan mooi tegen afstak.

Zijn verbazing over de val van de ster deed de ketting van de kooi uit zijn handen glijden.

Hij liet de baan van de vallende ster door zijn gedachten gaan, niet één keer viel hij, maar eindeloos.

De mens is een god in het diepst van zijn gedachten, dacht hij, en hopla-hop, daar ging de ster weer, hij steeg, en viel, puur door Mathias’ mentale inspanningen.

De vallende ster – geen ster maar een bescheiden meteoriet, maar niemand denkt aan sterrenkunde wanneer hij een ster ziet vallen – leefde op door de gloed van Mathias’ geestesoog, dansend fluorescerende lussen tekenend.

En de beer rende weg, zijn zware tred deed de nieuwe tegels op de grond klapperen.

De achtervolging die Mathias inzette, was geen verfilming waardig, zeker niet, het was verre van sensationeel, de beer stond af en toe wat suffig stil, soms een paar seconden, hij leek dit te doen om Mathias dichterbij te laten komen, en er was een moment dat Mathias dacht, ja, nu hoor ik hem toch echt iets tegen me zeggen.

Het klonk niet onvriendelijk.

Ze hadden het vertrouwde terrein rond het dierenpark verlaten, tussen het park en de fabriek hadden de grootouders van de Dunkels een flink bos aangeplant, van enkele hectaren, ruim een eeuw geleden, en je kon je voorstellen, zeker als je het graag wilde geloven, dat er in dit bos van alles huisde.

Een smalle rivier stroomde sierlijk tussen de eiken, en Mathias zag dat de beer sneller begon te lopen, tot waar de grond drassig werd. Mathias riep dat de beer uit moest kijken maar die luisterde niet. Meteen zakte hij weg, het zag er komisch uit, dat synchrone, alle vier zijn poten, en een deel van zijn buik, in de slijk.

Zijn kop draaide hij van Mathias weg.

‘Ach du, arme “beer van Mathias”! Je hoeft je niet te schamen, kerel,’ zei Mathias. We zijn allemaal mensen, en mensen maken fouten, had hij willen zeggen, maar daar had de beer werkelijk niets aan.

Je zag hier rond de rivier geen hand voor ogen, zo donker, maar in de verte, tussen de stammen, zag hij een rozig licht branden, een vuur flakkeren? Wat hem nu te doen stond, wist hij niet.

Het was prettig, dat staan, en wachten. Hij liet zich rustig op de grond zakken, en leunde met zijn rug tegen de lage welving van de eikenstam, zijn vingers vonden het begin van de wortelvlammen die dicht aan de oppervlakte van de grond groeiden, het voelde vreemd maar niet onplezierig, alsof hij beenderen streelde.

‘Hé, du, wat doe je daar?’

Een man was opgedoken aan de overkant van het rivier. In het midden stond de beer, doodstil, een standbeeld van een beer op zijn poten, het water glom olieachtig.

‘Jongens, kom eens kijken wat we hier hebben!’

Twee jongere mannen kwamen naast de eerste man staan, hun gestalten staken donker af tegen het oplichtende vlammendecor achter de eiken.

‘Heb je geen zaklamp bij je?’ vroeg de eerste man. Mathias schudde zijn hoofd. In het donker kon de man hem niet zien, bedacht hij, maar waarom zou hij antwoord geven?

‘Jullie moeten de beer met rust laten,’ zei hij, ‘als je hem laat schrikken, zakt hij misschien dieper weg, en dan…’

‘…verdrinkt hij, want deze kan niet zwemmen,’ vulde een van de jongere mannen aan.

Hij lachte en liep zonder aarzelen het water in. De beer liet zich willig vangen. Hij leek het prettig te vinden, hij hief zijn kop een paar keer omhoog. Er was een toename van licht, de vlammen in de verte bleken toortsen te zijn, een groep van mannen, vrouwen, jongens, een paar meisjes.

Toen gebeurde het ondenkbare, want uit de beer kroop een jongen, een flinke kerel was het, dat was duidelijk, maar hoe hij zo lang in het water had kunnen staan, zo op handen en voeten, was Mathias een raadsel.

De onthulling van de jongen uit de beer werd met applaus ontvangen.

Maar de meisjes klapten niet, eentje vouwde haar handen.

De groep bleef aan de overkant van de stroom, men wachtte op een reactie van Mathias.

Hij haalde adem, voelde de lucht in zijn longen.

‘Waar is de echte beer gebleven?’ vroeg hij boos. Zijn stem klonk anders, hij klonk ouder, krachtiger, strenger, sterker, hij was blij dat hij zijn angst kon maskeren.

‘Mathias! Bewaker, verzorger, beschermer van de “beer van Mathias”! We willen je uitnodigen om de langste nacht met ons te vieren,’ zei de eerste man, en ineens zag Mathias dat het de bewaker was, de vader, en zijn twee zoons, maar leuk vond hij het niet. Zijn lippen beefden. Ook dat was een vervelende sensatie.

Hij was klein, net was hij oud, zijn gemoed werd heen en weer geslingerd, net als zo-even, toen hij de ster in gedachten heen en terug liet gaan, lussen tekenend, felle, lichte lussen van licht.

Ze lieten het berenpak aan de voet van de eik liggen, precies daar waar Mathias had gezeten. Zo zou je kunnen denken dat er iets naars gebeurd was, een losse vacht, lege poten, de kop, de opening voor de ogen, de spleet voor de bek, maar het was een geintje geweest, een serieus geintje, en van de mensen die de langste nacht vierden zeiden een paar dat ze veel goeds over Mathias hadden gehoord.

‘Je bent een jongen die nog ergens in gelooft,’ zei een vrouw die voor de groep uit was gaan lopen. Ze droeg de fakkel aan hem over.

‘Hier,’ zei ze, ‘je mag de rij sluiten.’

En zo liet Mathias de groep passeren, hij hield de fakkel hoog, de vlammen flakkerden vrolijk, en zijn angst verdween. Iedereen keek vriendelijk, maar ernstig. De jongen die in het berenpak had geleefd, kwam natuurlijk als laatste aangelopen, hij had een dikke trui aan, en over zijn trui een wijde jas.

‘Je hebt het koud,’ wilde Mathias zeggen maar, bang voor wat de jongen van hem zou denken, onderdrukte hij zijn sentiment, en hij besefte dat hij flink was beetgenomen. Wat zou hij het gaan missen, de wonderlijke vriendschap met de beer, het stiekem samenzitten, rug aan rug, het hek tussen hen in, zodat de beer hem niet kon bijten, of erger, mocht hij dit willen, en Mathias voelde zich neerslachtig worden bij het idee dat hij nooit meer de haren van de beer in zijn overall zou voelen prikken.


Toen het feest flink op gang was, met heftige rondedansen, en heildronken, mocht Mathias met de oudste jongens een boom omkappen.

De jongen die voor beer speelde, had rillerig afscheid genomen.

‘Hij mag mijn bijl gebruiken,’ zei hij tegen de rest.

Het lemmet van de bijl leek scherp, in het metaal spiegelden de vlammen van het vuur.

Langs het pad naar zijn huis stonden verschillende bomen.

Hij hoorde droge dennennaalden onder zijn voetzolen kraken, hij rook de sparren, het wit van berkenbasten lichtte op in het donker.

Hij was weer thuis. De luiken waren open, in de woonkamer brandde licht, uit de schoorsteen kringelde rook.

Vreemd, dacht hij , de koude avond was anders een goede reden om het huis potdicht te maken, de ramen te bekleden met gordijnen van de zwaarste stof, gevoerde gordijnen, waar zijn ouders voor hadden moeten sparen, waar hij, omdat hij nog thuis woonde, ook een steentje aan had mogen bijdragen.

En nu straalde het huis één en al gastvrijheid uit.

Hij rook iets zoets, en hij vergat de jongens en de beer, en de jongen in de beer, en dat ze op het laatst een lied zongen met een grappige tekst, wat er op neerkwam dat hij, Mathias, best voor beer zou kunnen spelen, in de tuin, en dat een van de andere jongens dan zou solliciteren op zijn baantje als verzorger bij Lotte Dunkel, en hij hoorde weer hoe de stokken op de ruwe stam van de omgezaagde eik sloegen, het getrappel van de voeten, de roep van jongensstemmen om een zekere Diana, maar die kwam niet, nee, natuurlijk niet, welk fatsoenlijk meisje zou zich door een groep vreemde jongens in dierenpakken laten weglokken, nee, er kwam niemand extra bij, de groep bleef intact, en ze hadden daar een tijd gezeten, het vuur laaide op, en een tweede vuur werd aangestoken en nog een boom gekapt, een boom die toch ziek was, en oud, zei men, en een van de jongens was het berenpak gaan halen, dat eenzaam aan de oever van de rivier aan de voet van een oude eik lag, maar Mathias had geweigerd het pak aan te trekken.

De jongen die het pak had opgehaald, had moeite met de rits aan de zijkant, maar na gefriemel van vingers, de meisjes hielpen hem, lukte het, en de kop van de beer bungelde als een hoodie aan de rest van het harige berenpak, en iedereen lachte en was vrolijk, en de oudere vrouw die hem de fakkel had gegeven, zei dat hij een houtblok mocht meenemen, ja, mee naar huis, om met zijn ouders en zijn zusje joel te vieren.

Het hout rook naar hars, en hars is het bloed van de boom.

Hij was naar huis gelopen. In de voortuin was hij blijven staan, het heidense hout in zijn handen, een glimlach om zijn lippen, maar iets weerhield hem.

Emily Kocken (1963) is schrijver, kunstenaar, performer en cellist. Haar werk balanceert op de drempel van taal en teken. Haar roman Lalalanding verschijnt voorjaar 2021. In het najaar presenteert Arti et Amitiae in Amsterdam Direct me to the centre of gravity, een duo-tentoonstelling met kunstenaar Ruta Butkute.

Meer van deze auteur