Veel hout in dit huis aan de rand van de stad, en dat kreunt als er weer een zware windvlaag passeert. IJskoude regengordijnen vanuit het noordwesten strijken over het dak en langs de muren. Dan roffelt en tikt, ruist en tokkelt het huis. De bomen in de tuin fluiten in de wind, een kelderraam vecht tegen zijn slecht passende sponning. Luisteren naar een huis is een nachtelijke bezigheid, zeker als de duisternis vol onstuimig weer is.

Er wordt een oud instinct op scherp gezet. Wie zichzelf in de langste nacht in een huis als dit ziet zitten en luistert, stemt de aandacht af op de verschillende scenario’s die het huis suggereert.

Het interieur heeft een warme, zelfverzekerde stem en stelt voor: smoor die geluiden van buiten met gordijnen en muziek. Lees, kijk een film, klets over vroeger en volgende week bij een pot thee of een fles wijn. Warm je aan de kleuren, de stoffen, zacht en kruidig eten, bevriende ogen. Stook het warm en kruip tegen je lief aan, adem diep uit en zak weg tussen de onweerlegbare fabels van je dromen tot het weer licht wordt. Sluit de nacht buiten, sla het donker over.

Maar het exterieur van het huis zegt iets anders, met een vragende, vlakke stem, en het is een voorstel maar vooral een uitnodiging: ik ben in gesprek met de nacht daarbuiten, de langste nacht van het jaar, met een wassende halve maan. Geef toe dat je helemaal niet weet hoe het daar is. Je hoort hoeveel er gebeurt en je weet hoeveel er, al dan niet in de verbeelding, te beleven valt. Waarom zou je de ruimte die daardoor ontstaat niet verkennen? Je weet zeker dat het memorabel zal zijn, al ga je maar een uur. Loop naar buiten en zet je zintuigen open, kijk wie je tegenkomt. Wat heb je te verliezen?

Twee voorstellen, maar tegengesteld in vorm en aard. De een rond en warm als een nest met een verdwijnpunt naar morgen in het midden. De ander een in de koude, donkere verte slingerend spoor. Het nest binnen wil de tijd uitzetten, het spoor buiten wil de tijd openbreken en aanzetten.

Nacht in Shinagawa, Negoro Raizan, 1922.

Rijksmuseum

De derde optie

Vroeger zou ik na het horen van die twee stemmen gedecideerd hebben gekozen voor een derde optie. Binnen blijven en toch de tijd openbreken en aanzetten. Niet gaan liggen en slapen, maar wakker blijven. En dan tot de ochtend lezen en schrijven over de langste nacht. Tijdens de langste nacht. Over hoe godsdienst, mythologie en magie, maar ook wetenschap, filosofie en politiek zich spiegelen aan de menselijke ontdekking van de patronen in dag en nacht, zomer en winter, de veranderende sterrenhemel. De oermenselijke duiding van de bewegingen en verschijningsvormen van zon en maan, eb en vloed. Van de winterslaap en de wederopstanding van de sapstroom in bomen. Ik zou me tegoed doen aan herinneringen en fantasieën, van mezelf en duizend anderen.

Zo’n langste nacht, zoals deze, met zwiepende regenvlagen, en zonder licht van sterren of maan, kun je je voorstellen als een keerpunt. De zon die zijn keerkring bereikt en zich omdraait. Kennis van die regelmaat kan het podium worden voor verhalen over een gezamenlijke tocht naar het licht. Zo wordt de kalender een vervolgverhaal, een grande parade.

Elke dag een andere heilige, een andere mythe. Er zijn dagen met bepaalde maaltijden en spelletjes, stap voor stap, langs heidense tradities en christelijke folklore, via kerst, nieuwjaar, carnaval en vasten, wordt de winter doorstaan. Er is een legende bij een bloeiend gewas, er zijn fabels over vogels die terugkeren uit het zuiden. Kinderliedjes en alchemistische schema’s. Veel van die verhalen hebben een moraal. Ze voeren exemplarische personages op, waarschuwen voor overmoed, roepen op tot samenhorigheid, en, jaja, tot de vrome strijd tegen de duisternis in onszelf. Zo vult de langste nacht zich met een bonte geschiedenis, en wordt de opengebroken tijd in die uitgestrekte duisternis overspoeld met imaginaire en symbolische figuren, fabelwezens en mensen en gebeurtenissen die alleen denkbeeldig aanwezig zijn. In beelden en woorden.

Recht je rug

Ondertussen rillen de bomen, biggelen de regendruppels van de balken en de bakstenen, fluit de wind langs de dakgoten en tussen de glimmende kale takken. Buiten de stad liggen de velden wijd open, zwart en verbijsterend leeg. Soms is het een tijd raadselachtig kalm en stil en neemt de langste nacht vergeefs een vragende houding aan. Dan weer galoppeert de wind over de modderige weilanden en rammelt aan de wilgen langs de sloot.

Vroeger zou ik het allemaal geweten en gemerkt hebben en desondanks onverstoorbaar zijn blijven zitten, rustig doorlezend, de pen alweer op een nieuwe bladzijde. Nu denk ik, wie dat laat gebeuren heeft de langste nacht verkwist.

Daarmee doe ik mijn jas aan en ga.

Eerst blijf ik dicht bij het huis. Om te wennen aan de ijzige wind in mijn gezicht, aan het desoriënterende effect van de windvlagen op bomen en struikgewas, aan de vreemde geluiden die uit alle richtingen aanwaaien. Ik drentel een beetje over het terras, kijk even in de achtertuin en sta onder de luifel bij de voordeur te kijken naar kale takken die woest een lantaarnpaal langs het fietspad geselen.

Voordat ik vertrek kijk ik nog een tijd omhoog, en zie nu het even droog is tussen de wolken af en toe de halve maan. Ik herinner me dat ik als zestienjarige uit bed kroop en door een donker park liep in de hoop dat dat maanlicht als vloeibaar zilver in mijn aderen terecht zou komen. Ik kon ook lachen om die gedachte, maar liep daar toch, je wist maar nooit of het tegen de verwachting in, ondanks mijn ironie en scepsis, toch zomaar zou gebeuren.

Recht je rug, zeg ik tegen mezelf. Het is alsof ‘s nachts deze waarheid zich nog extremer laat gelden dan overdag: de lichaamshouding, de onderlinge verhouding tussen heupen, rug en hoofd, bepaalt hoe we de gegevens duiden die afkomstig zijn uit oren, ogen en neus. En hier eenmaal buiten in duisternis en hondenweer ben ik vooral een zintuiglijk wezen. Een waakzame en zelfredzame verkenner, die de langste nacht kriskras afspeurt naar zichzelf, oftewel het punt waar het zelf van de langste nacht en het zelf van de verkenner samenvallen; en dat zou overal kunnen zijn en kan alle denkbare gedaantes hebben.

Is het dat schijnsel in de verlaten schapenstal in het aflopende veldje bij het viaduct? Zit daar een zonderling en dakloos geworden aardrijkskundeleraar die schuilt bij een camping-gasbrander? Is het schijnsel het teken dat me naar een vriend voor het leven wijst, iemand die werelden aan ervaring en kennis voor me zal ontsluiten?

Het verwaarloosde landje zuigt aan mijn laarzen. Lager op de flauwe helling is er alleen nog modder. Het hok van ruw bijeengetimmerd sloophout waar schapen kunnen schuilen en drinken, heeft een haakse, open ingang. Overal kieren en gaten. Het licht dat ik zag blijkt te komen van een verlengsnoer waarvan het lampje dat aangeeft dat er spanning op staat zijn rode kapje heeft verloren. Het licht is vergeleken met de duisternis op het landje pijnlijk fel, ik sluit de ogen om weer aan de nacht te wennen. Stilstaand in het stinkende hok krijgt de kou vat op mijn benen, ik moet verder, ik draai me om en ploeter terug naar de weg. Het is weer gaan regenen, de druppels roffelen op de rug van mijn jas.

Ze zegt nog niets

De smalle asfaltweg waar regenwater vanaf de drassige berm in stroomt, buigt af richting snelweg. Een onverhard pad aan de rechterkant, kaarsrecht, verdwijnt in de richting van een bosje. Ik loop ernaartoe. Mijn laarzen knarsen over nat zand, kiezels en vermorzelde baksteen. Nu de wegverlichting achter me is, zie ik dat er midden in het bosje een kunstmatige heuvel is, die als een roerloze walvisrug tussen de bomen schemert. De regen is gestopt.

Bij de deur van wat een kruithuis of oude ijskelder moet zijn, natte hoogglans die het schaarse licht weerspiegelt, zie ik haar staan. Een capuchon, een lange regenjas, maar in maat en gestalte onmiskenbaar een frêle jonge vrouw. Ik ga langzamer lopen, om haar de kans te geven me op te merken en zich in te stellen op een begroeting.

De laatste passen. Ik heb een ruime bocht genomen op de open plek voor de hoge dubbele deur, ze draait zich naar me toe. Nog altijd is haar gezicht in de schaduw, en pas als ik helemaal stilhoud, op een meter of vijf, schuift een wolk weg voor de halve maan en zie ik haar smalle gezicht. Zie ik nou een glimlach verschijnen? Ze zegt niets, nog niet, dat zal ook nog wel even duren. Ik steek mijn hand op, houd hem even stil, tot ze knikt.

Er passeert een auto over de weg, agressief optrekkend in de bocht. Een hond in de verte. Dwars door het gieren van de wind in de kale boomtoppen. De takken kletteren tegen elkaar.

Ze zal pas gaan praten als ik ergens anders, later, de tijd en ruimte voor haar vind. Een omgeving waarin ik haar bewegen, handelen en spreken kan lezen. Om sporen en aanwijzingen te vinden, die ervoor zorgen dat ik haar ook verstaan kan. Dan zal ze gaan vertellen, vragen, zingen en schelden, spotten en roddelen. Hier kan dat hele verhaal beginnen, met een eerste welwillende ontmoeting. Die niets meer is dan het erkennen van elkaars bestaan en aanwezigheid. Oogcontact zonder beleefdheden, zonder introducties of script. Het duurt, zoals de tijd stroomt terwijl een mens en een paard bij elkaar staan in de wei, en naar elkaar kijken. Zonder plan of omgangsregels, zonder verwachtingen.

Ik kijk haar aan om, in de tijd die het neemt, ruimte te maken voor haar aanwezigheid, die zich uitvouwt als een zich automatisch oprichtende tent. Het is niet dat ik haar herken, maar ze is het, omdat ze het kan zijn. Er gaan waarschijnlijk minuten voorbij.

Vanaf deze keerkring, in het holst van de langste nacht, zal ik het dag voor dag leren en verdienen, om haar te schrijven. Terwijl ze het oogcontact verbreekt haalt ze haar hand uit haar jaszak en loopt met een rinkelende sleutelbos op de deur af. Nee, ik ken haar niet, ik kan nergens op hopen of aanspraak op maken. Ik recht nog maar eens de rug, ik neem me voor een open hand op afstand te zijn. Ze kijkt om, gebaart. De drie meter hoge deur kreunt in zijn scharnieren en schuift het natte grind en zand opzij.

De lege plek

Een aarzelend aanfloepende tl-balk verlicht een soort hal, klinkers op de vloer, eromheen deuren en hokken. Er blijft schaduw hangen tussen stoffige balken. Ze staat op een lege plek, recht tegenover de open deur, op de klinkers zie ik een olievlek.

Ik schrik van haar stem in de hoge holle ruimte. Vrij laag en nogal hard, met de overtuiging van iemand die lang heeft nagedacht.

Ze zegt: ‘Hier staat soms de camper van mijn moeder. Eigenlijk woont ze daarin. En als ze lang haar telefoon niet opneemt en het slecht weer is dan ga ik hier kijken. Of ze er staat.’

Ze pauzeert en speelt even met de sleutelbos in haar hand.

‘Je ziet zeker wel, ik doe dit tegen mijn zin. Ik vind het moeilijk om haar dochter te zijn. Waarom doe ik er moeite voor? Maar goed, nu sta ik hier weer.

En ze is er niet.’

Als ik vragen ga stellen, komt ze dichterbij, ik zie een fel en eenzaam vuur in haar ogen. Mijn vragen zijn onhandig, ik wek argwaan, ze zegt dat ik zeker weer zo’n mythomane vent ben, die het levenssap uit anderen wegpompt zoals Shell olie uit een Nigeriaans moeras, en doof en blind is voor de anderen, de omstandigheden, de wreedheid en potsierlijkheid van het eigen verhaal.

Ik loop achteruit de ijskelder uit, misschien voel ik wel iets van het maanlicht nu als vloeibaar zilver door mijn aderen stromen, het is verrassend veel warmer dan ik dacht. Tegen haar zeg ik, van een afstand: het is goed, we zien elkaar, wacht op me, ik wacht op jou, zo komt het echte verhaal er wel.

Waarna ik terugkeer naar het houten huis en bij mijn lief kruip en fluister: het is begonnen, het is begonnen!

Dirk van Weelden (1957) is schrijver en redacteur van De Gids. Hij debuteerde in 1987 samen met Martin Bril met Arbeidsvitaminen, daarna in 1989 solo met Tegenwoordigheid van geest. Hij schreef romans, novellen en bundels met essays en verhalen. Zijn recentste roman is Het laatste jaar (2013). Hij werkt aan een nieuwe roman.

Meer van deze auteur