1.

‘Bedelvende borsten te denken zwaar en wit’
zou mij van denkend wakker zijn ontbinden
maar tuinde mij hoven van verzoeking in
die mij van rust en slaap en droom beroofden.
Mijn leden en gedachten tolden rond
en smachtten naar een eindpunt van verdwijning
en wachtten op verzinking in een grond
waarin geen woord meer naar een zin zou reiken.
    Een uur werd het en twee en buiten hoorde
ik uilen zich beraden op een jacht
die voor de schemering geslaagd moest zijn –
nog even en acht stappen op het grindpad
verkondigden de wederkomst van nieuws
waar al het ouds nog niet bezonken was.
Waartoe nog bouwen waar het water steeg?
Hoe zich te verhouden tot krakende gewrichten?
Hoe hoop te kweken voor wie kogels raakten?
Waartoe nog schrijven waar geen mens meer las?
Ik tolde en verloor me in partijen
die vastliepen in pat – waarna opnieuw.
    Dan dacht ik aan een kunstgreep die mijn voedster
mij leerde toen ik klein was en wanhopig
wanneer ik slapen wilde maar niet kon
omdat ik bang was voor de diepe dromen
die brachten wat niet uit te houden viel.
Het middel was eenvoudig doch doeltreffend:
van teen tot kruin je lichaam af te schrijven
totdat er voor gemaal geen plaats meer bleef.


2.

Uit wreef en Hektors hiel kruipt stilte koud
je lemen enkels in. Een verzen slaat
graag tegen prikkels die haar op de knieën
dwingen willen maar neemt nu haar verlies.
Je hebt nog tijd genoeg om aan een haan
te komen voor de dokter met zijn slang:
het duurt nog even voor het hart verkilt.
    Gehavend is je scheenplaatloze linker
onderbeen: je kuit vertoont een ladder
die wit en ongevoelig voor aanraking
zijn weg omhoog zoekt. Eens heeft daar een arts
een middag in een knekelbed getast
om wat gebroken was aaneen te voegen.
Je rechter heeft zijn ingekorte makker
steeds dapper bijgestaan en rust nu uit.
    Laat dit een kleine lofzang zijn op koene
tweeheid: kameraadschap tussen leden
in één gestalte die één ziel verlijft.


3.

Je hebt het stiksel van je dove ladder
beklommen tot de knersende scharnieren
die wat recht is verdraaien tot het krom staat
en wat gekromd is ompraten tot recht.
Iedere buiging is een onderwerping
aan steile wetten van de zwaartekracht.
Wie zich verheffen wil moet kunnen knielen
en elke sprong gaat van een hurken uit.
    De knie is van het been de gladde naaf
zoals het wiel een knie kent om zijn spaken
de voeten van zijn velg te doen besturen.
Ofschoon natuur geen afkeer heeft van rondheid
schiep zij wat ademt zonder as en wielen
opdat het weten zou wat stappen zijn
want wat geen ritme kent denkt niet vooruit.
Een steeds gebroken vallen is het lopen
dat telkens opvangt wat in roekeloze
voortgang wil bereiken wat ontsnapt.
Wie rolt loopt onherroepelijk eens vast
maar voor wie stapt bestaan er nauwelijks
obstakels – hekken horden: interpunctie
en regels die hun wit met stilte vullen.


4.

Versleten het gewricht dat aan twee dunne
knoken één fors dijbeen weet te voegen
dat op zijn beurt een draai vindt in de holte
die het bekken aan weerskanten open stelt.
Je benen die in loop elkaar proberen
te mijden liggen nu tam zij aan zij
maar zo dat in het smal ravijn ertussen
nog ruimte is voor uitgerolde ballen.
    Men zegt wel dat we vroeger bolvormig
vier benen twee geslachten en vier armen
alsmede twee gezichten hadden tot we
ten hemel voeren om de hoogste macht
te vloeren. Maar de goden grepen in
en sneden ons doormidden. Sindsdien zouden
we steeds op zoek zijn naar wie bij ons hoort
maar onherkenbaar is daar we elkaar
van aangezicht tot aangezicht nooit zagen.
Je vraagt je af hoe zo’n tweevuldig wezen
ooit in een bed de slaap zou kunnen vatten
als het geen rug heeft en gehinderd wordt
door dat verstrikkend web van ledematen.
Je prijst jezelf gelukkig om de staat
van halfheid die je steeds verlangen doet
naar helften die nooit helemaal gaan passen.


5.

Intussen heeft het uitontwikkeld been
toch kans gezien een hecht verbond te sluiten
met wielen: kwestie van twee ferme trappers
getande raderen en een vette ketting.
Wie fietst voltrekt een nieuwe evolutie
een wenteling waarbij de puls van lopen
wordt omgezet in draaiing die de vaart
waarmee wij reeds gebaande paden gaan
vergroten met een factor vier à zeven.
Die snelheid kan ons aapbrein nog verdragen:
de stroom van prikkels die het zintuig treffen
zal zo de bedding van het neurologisch net
die klaarligt om ervaring te verwerken
niet overvragen – anders dan wanneer
het lichaam zich verplaatst in door motoren
aangedreven wagens vol rumoer.


6.

Hier is het stil. Soms hoor je in de verte
de misthoorn van een allerlaatste trein
klinkt in de straat de jachtroep van een uil
en slaat de oude torenklok zijn uren.
    Zodra je straks in slaap glijdt ben je weg.
Natuurlijk – ook die dromer ben jij zelf
maar wie dat is en wat hij daar ervaart
blijft voor jouzelf verborgen. Vreemd te weten
dat nagenoeg een derde van jouw leven
geleefd wordt door een man die jij niet kent
al fietst hij door dat landschap met jouw benen
en is het met jouw tong dat hij oreert.


De eerste regel is een citaat uit het laatste gedicht van de bundel Ontbinding, die in januari 2021 verschijnt.

Piet Gerbrandy (1958) is dichter, classicus en poëziecriticus. Hij doceert Latijn aan de Universiteit van Amsterdam en is redacteur van De Gids. In 2018 verschenen zijn dichtbundel Vloedlijnen en de essaybundel Grondwater.

Meer van deze auteur