Maarten ’t Hart nieuwste roman Verlovingstijd staat in het teken van het gevaar dat de partner van prille geliefden door een rivaal wordt weggekaapt. Maarten ’t Hart onderstreept dit thema in het motto, een citaat uit Het leven der dieren van Bernhard Grzimek: ‘In de verlovingstijd, als de paarband nog niet zo sterk is, moeten diverse diersoorten, waaronder de mens, er rekening mee houden dat een rivaal zich van de partner meester kan maken.’

Verlovingstijd bestaat uit zes variaties op dit thema: zesmaal wordt de geliefde van de hoofdpersoon weggekaapt door een rivaal. Misschien moet ik zeggen zeven variaties, als ik de rivaliteit meetel die leidt tot de geboorte van de ik in Maassluis aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. Zijn moeder vertelt hem namelijk dat zij als meisje verkering had met de goeiige en aardige Siem, maar dat zij werd weggekaapt door de vader van de ik die Siem letterlijk en figuurlijk in de wielen reed en de moeder in bezit nam, als direct gevolg waarvan de ik ter wereld kwam.

De variaties blijken ingewikkelder in elkaar te zitten dan het motto doet vermoeden. Het verhaal van vader, moeder en Siem is misschien een aardige illustratie van Grzimeks thema, maar de zes variaties die de ik daar vervolgens op speelt, laten een belangrijke verschuiving zien ten opzichte van het oorspronkelijke thema.

Om te beginnen is het steeds dezelfde rivaal, Jouri Kerkmeester, die alle zes vriendinnetjes afhandig maakt. Het begint al op de kleuterschool waar Jouri het prille vriendinnetje van de ik, Ansje Groenveld, inpalmt door een gat te graven in de zandbak en daar de spinnetjes in te begraven waar Ansje bang voor is. Ter zijde merk ik op dat hiermee een motiefje wordt geïntroduceerd dat ook al doorklonk in het verhaal van moeder, vader en Siem. Moeder is namelijk als de dood voor een hondje dat eropuit is om haar in de kuiten te bijten, denkt ze. Vader palmt moeder in door de hond te vangen en in een juten zak, verzwaard met een baksteen, te verdrinken. Het is een sluw motiefje, dat dierendodersmotiefje, omdat de hoofdpersoon zich ten opzichte van deze dierenmoordenaars profileert als een dierenvriend die zich moeilijk kan verdedigen tegenover macho’s die zich meester maken van zijn geliefden doordat ze als toreadors door zeeën van dierenbloed waden.

De kapingsacties van Jouri gaan een leven lang door. Op de lagere Groen van Prinstererschool heet het gekaapte vriendinnetje Ria Dons, op het Vlaardingse Groen van Prinstererlyceum heten ze achtereenvolgens en in opklimmende volgorde van belangrijkheid: Wilma uit Schiedam, Hebe uit Maasland en in de examenklas Frederica, het prijsdier van het lyceum. Tijdens de studie in Leiden heet de vriendin Julia. Al deze vriendinnen worden weggekaapt door Jouri Kerkmeester.

De zes geliefden ontlenen hun aantrekkelijkheid voor Jouri aan het feit dat zij vriendinnetjes zijn van de ik. Jouri merkt ze pas op als begerenswaardige wezens als de ik ze als vriendin verwerft. En dat is nog te veel gezegd, want Jouri vindt deze meisjes helemaal niet begerenswaard, ook niet nadat hij ze van de hoofdpersoon heeft afgepakt. Ze ontlenen hun begeerlijkheid uitsluitend aan het feit dat ze vriendinnetjes zijn van de ik. Zodra Jouri ze heeft weggekaapt en veroverd, verliezen ze hun belang voor hem en dumpt hij ze. Jouri trouwt uiteindelijk met prijsdier Frederica, ook al interesseert Frederica hem geen malle moer. Hij trouwt met haar omdat ze hem mateloos bewondert en zij hem een makkelijk leven kan bezorgen.

De simpele Grzimek-rivaliteit blijkt te berusten op een ingewikkelde driehoeksrelatie, waarin de belangrijkste spanning niet verloopt tussen de ik en de opeenvolgende vriendinnetjes – want die komen en gaan zonder een spoor na te laten – maar tussen de ik en Jouri. Hun relatie duurt een leven lang. Jouri Kerkmeester en de ik zijn ‘tweelingbroers’, ze zijn onafscheidelijk.

De aard van hun tweelingrelatie kan kernachtig worden aangeduid met het woord nabootsing. Jouri doet de ik na; de ik doet Jouri na. Ze zijn aan elkaar vastgeklonken voor het leven als een Siamese tweeling.

Jouri’s kapingen zijn nabootsingen. De hoofdpersoon toont Jouri met zijn opeenvolgende veroveringen een model waarmee Jouri wil wedijveren. Dit mimetische gedrag impliceert wederzijdse hoogachting en bewondering voor de tweelingbroer. Als de hoofdpersoon een sukkel was geweest en met een sukkelig vriendinnetje thuis was gekomen, dan had Jouri geen poot naar dat vriendinnetje uitgestoken. Je kunt ook zeggen dat de ik dan geen vriend was geweest van Jouri, want de mimetische relatie veronderstelt een wederzijdse selectie van partners op hetzelfde (in dit geval heel hoge) niveau. Laten we even aannemen dat Jouri toch bevriend zou zijn met een sukkel en dat deze sukkel plotseling voor de dag zou komen met een stuk van een vriendin, dan zou er een bijzondere situatie ontstaan. Jouri zou zijn vriend opwaarderen (‘als hij met zo’n stoot thuiskomt is hij minder sukkelig dan ik dacht’) en/of twijfelen aan de stukkerigheid van zijn vriendin (‘als deze stoot verkering wil met die sukkel van een vriend van mij, kan zij niet zo’n groot stuk zijn als ik dacht’).

De liefdesdriehoek heeft veel ondoorzichtige aspecten. Naast de relaties tussen enerzijds de ik en zijn opeenvolgende vriendinnetjes en anderzijds Jouri en dezelfde vriendinnetjes, dringt de relatie tussen de hoofdpersoon en Jouri zich op de voorgrond. De gevoelens van elk van de leden van de driehoek jegens de beide andere leden zijn steeds afhankelijk van de gevoelens van dat andere lid jegens de derde persoon in de driehoek.

De filosoof René Girard heeft in een aantal studies benadrukt dat een dergelijke driehoek universeel is. Liefdesrelaties zijn volgens Girard niet relaties tussen iemand die liefheeft en het voorwerp van zijn liefde, maar altijd tussen deze twee en een derde persoon. Deze derde is de rivaal en de rivaliteit of wedijver tussen beide rivalen bestaat niet simpelweg uit het wegkapen van de buit van de ander. De diepzinnige aard van deze rivaliteit is mimetisch. Rivaliteit is in diepste wezen nabootsing van een bewonderd voorbeeld. Jouri is een geduchte rivaal voor de ik; de ik is een geduchte rivaal voor Jouri, omdat ze elkaar mateloos bewonderen en bezig zijn hun leven vorm te geven met een voortdurende blik over hun schouder naar hun voorbeeld/dubbelganger/rivaal.

Dat is de reden waarom de levens en de carrières van Jouri en de hoofdpersoon net zo parallel verlopen als de rails van een spoorlijn. Ze zitten op dezelfde kleuterschool, op dezelfde middelbare school, ze volgen vergelijkbare studies in dezelfde stad. Ze zijn als knapste jongetjes van de klas voortdurend met elkaar verbonden en aan elkaar gewaagd. Hun beider afkomst vertoont bovendien een vergelijkbare schandvlek (Jouri’s vader was fout in de oorlog; de vader van de ik is rioolwerker bij de gemeente) en dat beklinkt hun relatie.

Als we nu terugkeren naar de driehoek zien we dat niet alle hoeken (a, b en c) even belangrijk zijn, dat niet alle relaties (a – b; b – c; c – a) even belangrijk zijn. Eigenlijk is maar één relatie van belang en dat is de relatie tussen Jouri en de ik. De opeenvolgende zes vriendinnen hebben maar één functie en die is: te bemiddelen in de relatie tussen Jouri en de ik. Buiten deze bemiddeling zijn de vrouwen onbelangrijk, onaantrekkelijk, nutteloos en zinloos. Hun enige belang ligt erin dat ze de relatie tussen de beide hoofdfiguren gaande houden.

Dat is een opmerkelijke vaststelling over een roman die zich presenteert als de liefdesgeschiedenis tussen de ik en een aantal geliefden. Verlovingstijd is wel een liefdesroman, maar de liefdesrelatie speelt zich af tussen Jouri en de ik. De vrouwelijke geliefden zijn afleidingsmanoeuvres. Net als in een goede detective spelen zij de rol van ‘red herring’, van dwaalspoor, en verhullen ze datgene waar het in feite om gaat: de onverbrekelijke en diepgevoelde relatie tussen beide vrienden. De vriendinnetjes zijn stukken in de betekenis van speelstukken waarmee Jouri en de hoofdpersoon een spel spelen, stukken die zij met groot gemak offeren naarmate het spel vordert.

De roman biedt een stroom van illustraties waaruit blijkt dat de twee vrienden niet wezenlijk in vrouwen zijn geïnteresseerd. De ik roept wel heel vaak en luid dat hij geobsedeerd wordt door vrouwen, maar het blijkt altijd te gaan om ‘Ferne Geliebten’. Alle zes geliefden zijn intrigerend, mooi, begeerlijk, maar alleen op afstand en dat overigens maar een beperkte tijd. Komen ze dichterbij, dan is de charme snel verdwenen, zoals blijkt uit de vrouw met wie de hoofdpersoon trouwt en die volgens de mening van de ik en van al zijn vrienden een ‘fietsenrekje’ is waarmee de ik alleen kan leven omdat hij met haar een passie voor muziek deelt.

De andere zes vriendinnen van de ik zijn daarentegen wel bloedmooi en voor de ik hoogst aantrekkelijk, maar dat komt omdat ze op afstand worden gehouden door Jouri. De functie van Jouri is dus niet alleen om vrouwen weg te kapen, maar om ze hun aantrekkelijkheid voor de hoofdpersoon te laten behouden, doordat hij ze buiten zijn bereik zet, zodat de hoofdpersoon tot in der eeuwigheid verliefd kan blijven op deze Ferne Geliebten.

Werkelijk intieme gevoelens heeft de ik alleen voor vrienden. In de eerste plaats gevoelens voor zijn vriend Jouri. Hij kan deze gevoelens niet de vrije loop laten. Waarom niet? Wordt hij geremd door het taboe van homoseksualiteit waar zijn moeder hem regelmatig aan herinnert, bij welke gelegenheden zij Gods zwavel overvloedig laat neerdalen op Sodom en Gomorra? Het lijkt me heel aannemelijk. Is dat de reden dat hij deze gevoelens alleen op een indirecte manier kan uiten en wel via de bemiddeling van meisjes die op de liefdesbalans niet meer gewicht in de schaal leggen dan wisselgeld in de relatie tussen Jouri en de ik? Ook dat lijkt me zeer aannemelijk.

Vast staat in elk geval dat de ik alleen op een heel heimelijke manier te raden geeft waar zijn feitelijke interesses liggen. Bijvoorbeeld in het hoofdstuk waarin hij vertelt over het veldwerk dat hij doet met een andere vriend die Toon heet. Toon is de tweede potentiële dubbelganger/broer/geliefde/rivaal. Hij is net zo’n briljante student als Jouri en als de ik. Hij zou net zo geschikt zijn als rivaal/dubbelganger van de ik, als deze plaats al niet was ingenomen door Jouri. Het ‘toeval’ wil dat Toon en de hoofdpersoon tijdens dat veldwerk op dezelfde kamer en in hetzelfde bed belanden waar ze ‘als wij wakker werden, steevast broederlijk tegen elkaar aan [bleken] te liggen’. De plaats waar ze veldwerk doen heet Gulpen en deze plaatsnaam vat op een besmuikte manier de aard van de relatie tussen de vrienden samen.

De hoofdpersoon is dus niet wezenlijk geïnteresseerd in vrouwen. Jouri is dat nog minder. Jouri heeft zelfs geen fantasieën over Ferne Geliebten. Hij vindt vrouwen oninteressant, nietszeggend, onaantrekkelijk. Hij begrijpt niet wat andere mannen in vrouwen zien en alleen uit wedijver en imitatiedrift kijkt hij van de hoofdpersoon af wat dat is: een aantrekkelijke vrouw, en bootst hij vervolgens mechanisch het versiergedrag na dat geen versiergedrag is, omdat hij zich verveelt met al die meisjes die bij bosjes op hem vallen. De arme Frederica met wie hij trouwt doet haar leven lang vruchteloos haar best om zijn aandacht te trekken. Aan het eind van de roman zegt Jouri met zovele woorden dat zijn vrouw hem de keel uithangt. Frederica wil voortdurend met hem vrijen en dat staat hem zo geweldig tegen dat hij een zucht van opluchting slaakt als hij hoort dat zijn vrouw een minnaar heeft. Is hij tenminste van het gezeur af.

Jouri heeft wel een minnares buiten zijn huwelijk en dat is Hebe, nummer vier van de vriendinnen die hij van de hoofdpersoon heeft weggekaapt. Ik voeg terloops toe dat Maarten ’t Hart Hebe weglaat uit de opsommingen die hij zo nu en dan geeft van alle vrouwen die Jouri heeft weggekaapt bij de hoofdpersoon. Ik heb een aantal keren in de kantlijn genoteerd dat hij er dan een te weinig noemde, totdat ik, aan het eind van de roman, begreep dat Maarten een heel bepaalde reden heeft om dat te doen, namelijk om Hebe aan het slot als de onvermoede buitenechtelijke minnares uit de hoed te kunnen toveren.

Maar zelfs deze Hebe interesseert Jouri als vrouw nauwelijks. Hij is blij dat hij ‘het’ niet met haar hoeft te doen: ‘Later hoefde dat gelukkig niet meer, lagen we alleen maar naast elkaar op bed, elkaar af en toe knuffelend en de meeste tijd vredig met elkaar pratend.’

Wat de roman te raden geeft is dat de liefdesband tussen Jouri en de ik verschuift naar de bemiddelende vrouwelijke liefdesobjecten. Je kunt het ook zo zeggen dat Jouri en de hoofdpersoon een liefdesrelatie opbouwen via hun opeenvolgende vriendinnetjes. Ze doen wat dat betreft denken aan de gebroeders Goncourt die net zo onafscheidelijk waren als Jouri en de hoofdpersoon en die er dezelfde maîtresse op na hielden.

Waarom kaapt Jouri de vriendinnetjes weg bij de ik? De enige overtuigende verklaring is de volgende: door alle vriendinnetjes weg te kapen bij de ik, zorgt Jouri ervoor dat de liefde van de ik voor Jouri niet kan worden weggenomen door een vrouw, zodat deze liefde op hem, Jouri, gericht blijft. Jouri beschouwt deze meisjes als rivalen en hij kaapt ze weg om te verhinderen dat zij de hoofdpersoon van hem wegkapen. Deze redenering wordt bevestigd door de uitzondering Katja. Katja, de vrouw met wie de hoofdpersoon uiteindelijk trouwt, wordt niet door Jouri weggekaapt, maar dat hoeft ook niet, want ze is zo lelijk, bits en onappetijtelijk, dat hij van haar geen concurrentie te duchten heeft.

Al met al geeft de roman zich, als zovele romans van Maarten ’t Hart, te lezen als een oppervlakteverhaal dat bol staat van de onwaarschijnlijkheden op het gebied van liefde, seks en erotiek en dat uitnodigt om het diepteverhaal daaronder te ontdekken dat zich van deze onwaarschijnlijkheden bedient als sluiers die erom vragen weggerukt te worden.

De hoofdlijnen van het echte verhaal tekenen zich ongeveer als volgt af:

  1. De hoofdpersoon koestert liefdesgevoelens voor jongens die zijn dubbelganger kunnen zijn: tweelingbroers die tegelijkertijd zijn meest geduchte rivalen zijn.

  2. Hij kan dat niet bekennen aan deze jongens. Hij kan dat niet bekennen aan anderen, zoals aan zijn gereformeerde moeder. Hij kan dat vooral niet bekennen aan zichzelf. Daarom stelt hij het in zijn verbeelding zo voor dat niet hij verliefd is op deze jongens, maar dat deze jongens verliefd worden op hem, waarbij hij zichzelf nestelt in de rol van het begeerde (vrouwelijke) object.

  3. Maar ook dat kan hij niet openlijk toegeven, noch aan zijn moeder, noch aan de jongens, noch aan zichzelf. En dus verschuift hij deze liefde die hij in eerste instantie in de tegenpartij had geplaatst (want deze jongens houden van hem, niet andersom) nog een stap verder door deze jongens de vriendinnetjes te laten uitschakelen die tussen hen en de ik zouden kunnen komen te staan.

  4. Zo verkleedt en verhult de ik zijn verlangens naar een ideale liefdesrelatie met een vriend onder hun tegendeel: een onmogelijk verlangen naar onbereikbare meisjes.

Verlovingstijd sluit aan op het grondthema van Maarten ’t Harts werk. De hoofdpersonen van Maarten ’t Harts romans en verhalen (in wezen allemaal verbeeldingen van Maarten ’t Hart zelf) hebben alleen gevoelens van intimiteit en liefde gekend in hun vroege jeugd voor hun moeder. Alle pogingen tot het leggen van liefdesrelaties in hun latere leven zijn pogingen om die oorspronkelijke intimiteit te herstellen. In deze oorspronkelijke liefdesrelatie is geen plaats voor seksualiteit. Seksualiteit is voor Maarten ’t Hart een verontreiniging van deze zuivere liefde. Maarten heeft vaak genoeg beschreven hoe de confrontatie met de paringsdaad (in de vorm van parende koeien of paarden) hem het gevoel geeft uit het paradijs geworpen te worden. Het herstel van de oorspronkelijke liefdesband is mogelijk met een meisje, is nog beter mogelijk met een jongen, zolang seksualiteit maar geen roet in het eten gooit.

In Een vlucht regenwulpen zegt Maarten ’t Hart het als volgt: ‘Ik was niet geïsoleerder dan anderen, ik had alleen maar minder vertrouwen in de surrogaten die werden aangeprezen als middelen om de eenzaamheid te verdrijven: liefde, vriendschap, gezelligheid. Het enige wat geen surrogaat was, was de vanzelfsprekende, woordeloze intimiteit zoals die bestaan had tussen mijn moeder en mij. Misschien dat je, als je lang optrok als man en vrouw, of man en man, of vrouw en vrouw, diezelfde intimiteit van je jeugd kon herbeleven, voorzover je hem al had ervaren, maar het leek me dat juist de onvermijdelijke seksualiteit al a priori alles bedierf.’

Het ideaal dat zich aftekent is dat van een intimiteit tussen eeneiige tweelingen, een ideaal dat de hoofdpersoon in Een vlucht regenwulpen perfect verwoord vindt in een opmerking van Simon Vestdijk: ‘Een mens moest een cel zijn, dacht hij, een klompje dat zich in tweeën splitst, dan zou er niets aan de hand zijn.’

Een paar weken geleden feliciteerde ik Maarten ’t Hart met zijn nieuwe roman. Ik sprak mijn bewondering uit voor het mooie verhaal en voor de fraaie foto op het omslag waarop twee eenden (of wat voor drijfsijzen zijn het eigenlijk, vroeg ik me af) hun koppen op een betekenisvolle manier naar elkaar toe buigen, zodat zich in de ruimte tussen beide koppen een hart aftekent. De naam van de schrijver staat afgedrukt onder dit fraaie zinnebeeld van zijn naam als een vingerwijzing hoe de foto moet worden gelezen.

Maarten reageerde ogenblikkelijk, uitgebreid en vriendelijk zoals hij altijd doet en natuurlijk verbeterde hij mijn domme fout over die eenden. ‘Wat je op die affiche ziet zijn geen eenden,’ zei hij in zijn antwoordmail, ‘evenmin drijfsijzen, maar futen.’ Vervolgens gaf Maarten me een prachtige uitleg van de betekenis van deze futen. Ik had gewild dat Maarten deze buitengewoon interessante en betekenisvolle passage had opgenomen als motto in zijn boek, want ze zegt veel meer over het boek en zijn verhulde inhoud dan het citaat van Grzimek:

‘Het aardige van futen is dat mannetjes en vrouwtjes identiek zijn (net als zwanen en kauwen en ooievaars en vele andere soorten vogels). Er is geen geslachtsdimorfie. Daardoor zijn wij niet in staat te zien of je met een vrouwtjesfuut dan wel met een mannetjesfuut te maken hebt. Waarschijnlijk kunnen de futen dat zelf ook niet. We hebben onderzoek gedaan in de Leidse singels waaruit bleek dat je paren hebt van twee mannetjes of twee vrouwtjes. Die hebben zich vergist, die denken dat ze met een partner van het andere geslacht aan de haal zijn gegaan.’

Misschien zijn de futen op het omslag dus twee vrouwtjes of, waarschijnlijker, twee mannetjes en verwijst ’t hart dat zich tussen hen aftekent naar de liefde tussen twee gelijkgeslachtelijke wezens.