Psalm 151

              Voor Ardjan Noorland, sela.

Het vuur dat op mijn lippen brandde
hebt Gij gedoofd. Houdt Gij mijn handen
nu voortaan ook met kracht omvat
zodat ik op mijn levenspad
al sta ik soms te watertanden
en rommelen mijn ingewanden
mij buigend voor uw woord en wet
voorgoed vermijd de sigaret.

Dan zal ik straks met schone longen
die eerder van uw wijsheid zongen
bevrijd van nare rokerswalm
aanheffen deze nieuwe psalm
waarbij ik tevens zal vermijden
om zo verschrikkelijk hard te rijden.
Maar grijp ik weer naar de tabak,
zeg dan uw knecht: ‘Jij bent een zak.’

Een strijdlied
Wij zullen opstaan tot de strijd
en feministen wijd en zijd,
verjaagd, verstrooid doen zuchten.
Hoe bits dit vrouwvolk wezen moog’
het zal voor ons ontzaglijk oog
al sidderende vluchten.

Al laagt g’o mannen als weleer
gebukt bij tichelstenen neer,
toen gij uw juk moest dragen
en zwart waart door uw dienstbaarheid,
u is een beter lot bereid,
uw heilzon is aan ’t dagen.

Gelijk een duif met zilverwit
met goud, dat op haar veren zit,
bij ’t licht der zonnestralen
ver boven alle vogels pronkt,
zult gij, door maagdenoog belonkt,
weer met uw schoonheid pralen.

Gewis, wij zien hen reeds berooid,
hun oorlogszuchtig heir verstrooid,
maar hier wordt rust geschonken,
hier ’t vette van ons huis gesmaakt,
een volle beek van wellust maakt
hier elk in liefde dronken.

* ‘Psalm 151’ en ‘Een strijdlied’ zijn afkomstig uit de collectie van Ardjan Noorland en werden niet eerder gepubliceerd.

Maarten ‘t Hart (1944) is een Nederlandse gedragsbioloog en schrijver.

Meer van deze auteur