Ver voordat de doodgraverszoon uit Maassluis zich als een gereformeerde prins Carnaval in oudmodische vrouwenkleren ging hullen, wufte pruiken opzette en een bh aantrok om als ‘Maartje’ op het Boekenbal te verschijnen, had ik al in de gaten hoe Maarten ’t Harts ideale vrouwbeeld eruitziet. In zijn Maartje-outfit leek hij op een christelijke huismoeder uit de jaren vijftig die zich heeft opgetut voor het maandelijkse bijbelkransje, omdat ze stiekem een oogje heeft op een jonge, vlotte ouderling. Als je je bij tijd en wijle zo graag als vrouw manifesteert, waarom dan niet een kek androgyn tiepje gekozen, een George Sand, een Marlene Dietrich of desnoods een Simone de Beauvoir-achtige? Ik denk omdat ons ondeugende carnavalsprinsje vrouwen die niet passen in het christelijke madonna/ hoer-patroon doodeng vindt en hen voorheen misschien zelfs wel als verwerpelijk zag.

Op 14 juni 1979 opende ’t Hart in NRC Handelsblad een furieuze aanval op feministe Joke Smit. Dat was alweer twaalf jaar nadat Smit in De Gids haar fameuze essay ‘Het onbehagen bij de vrouw’ had gepubliceerd en haar gematigde denkbeelden en strijdmethodes waren inmiddels links ingehaald door radicale actiegroepen als Dolle Mina, De Bonte Was, de Socialistisch-Feministen en Paarse September, die Joke maar een brave doos vonden.

Voor Maarten vertegenwoordigde de oprichtster van Man Vrouw Maatschappij echter het absolute kwaad, net zo gevaarlijk als Adolf Hitler, even gestoord als een religieuze sekteleider. Hij bestempelde Joke Smit als iemand die ‘haar Führerneigingen nauwelijks bedwingen kan’, de ‘Billy Graham van het Hedendaagse feminisme’, die als een ‘betuttelende en bevoogdende Opoe dwingeland’ een bedreiging vormde voor de hoeksteen van de Nederlandse samenleving, het gezin, dat toch steunde op gezeglijke en gezellige huismoeders. De ideale vrouw van Maarten ’t Hart, zo interpreteerde ik zijn aanval op het feminisme (en later zijn Maartje-vermomming), is een steunpilaar van mannen.

’t Hart was toen een jonge schrijver van vijfendertig, maar zijn opvattingen waren – althans in mijn achtentwintigjarige ogen – die van een gereformeerd fossiel. Hij zou wel getrouwd zijn, dacht ik, met de voorzitster van de protestantse tak van de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen, maar dat bleek niet het geval. Zijn eega Hanneke komt uit een vrijdenkersfamilie en in zijn dagboek van 1999 schrijft ’t Hart dat zijn echtgenote hem ‘een monument van treurigheid en verstardheid’ vindt.

En dat terwijl Maarten zelf zijn ‘grote gekte’, zoals hij zijn neiging tot travestie noemt, juist als ontzettend frivool, grensverleggend en zelfs kunstzinnig beschouwt. Het is een uiting van zijn schrijnende verlangen naar meisjes, ‘zoals zo prachtig door Mozart op muziek gezet in “Non so più” uit Le Nozze die Figaro’. ‘Ben je zelf een deerne, dan hoef je niet meer naar meisjes te hunkeren’, zo verklaart hij zijn periodieke verkleedpartijen.

Dus Maarten transformeert zich in een deerne om zijn verlangen naar deernes op te heffen? Maar dan – zie zijn uitdossingen – verlangt hij naar iemand die eruitziet als de bijzit van, pakweg, de arp-voorman Barend Biesheuvel, of – enkele echelons lager – het scharreltje van de penningmeester van de Gereformeerde Tuindersvereniging Westland. Zo’n rondborstige, troostschenkende trien die mopperend maar liefdevol je poepbroek verschoont of je bretels verstelt.

Ik ben geen psychiater, maar na lezing van zijn jongste roman Verlovingstijd (over een kind dat voortdurend aan z’n piemel zit en dan zijn broekje vol poept) krijg ik zo langzamerhand wél de indruk dat zijn verlangen niet zozeer naar wellustige meisjes als wel naar veilige, zo uit de jaren vijftig weggelopen matrones uitgaat. En dan heb ik het niet over seksueel verlangen, want dat lijkt bij Maarten ’t Hart niet heel sterk ontwikkeld. De hartstocht waarmee hij over kikkerdril, maden, ganzenvoet, viervlek en donderbolk schrijft openbaart zich nooit als het over erotiek gaat. Anders dan bij Jan Wolkers, die met eenzelfde intensiteit over griezelige spuugbeestjes of prikkend onkruid schreef als over het lichaam van een beminde vrouw, lijkt ’t Harts passie zich te beperken tot Moeder Natuur. ‘Wat was er nu luisterrijker dan een poldersloot met glazenmakers boven krabbescheer?’ verzucht zijn alter ego in Verlovingstijd. Ik zou denken: seksuele lust, brandende liefde om met Wolkers te spreken, lichamen die geen genoeg van elkaar krijgen, verlangen dat je opvreet en verteert – zoiets.

Maar niets van dat alles bij ’t Hart, of hij nu Maarten heet of Maartje. Lust, erotiek, liefdesgenot – het komt in zijn systeem niet voor. Ik heb weleens voorzichtig bij hem geïnformeerd of vrouwen hem seksueel opwinden. Nee dus. ‘Seks is niet meer dan een domme behoefte waar je aan wilt toegeven. Het kan ontzettend leuk en plezierig zijn en het kan veel voldoening geven, maar geniet er vooral niet van, want dan wil je alleen maar meer,’ was zijn antwoord. Kort daarvoor had hij in ongeveer dezelfde bewoordingen, maar met aanzienlijk meer wellust, over poepen gesproken: ‘Je moet het zo inrichten dat je lekker afgaat, zonder te persen.’

De eerste keer dat ik Maarten ’t Hart in levenden lijve ontmoette, vond ik hem vooral aandoenlijk. Hij wekte een emotie bij me op waarvan ik niet wist dat ik erover beschikte: een mengeling van medelijden en vertedering. Noem het moederlijke gevoelens. We waren samen in een tv-programma te gast geweest en Maarten was na afloop euforisch. Hij gedroeg zich als een kleuter, een lief blozend bolleboosje dat enorm zijn best had gedaan en opgetogen kraaide over alle aandacht die het kreeg. Aandoenlijk vond ik hem, schattig zelfs, ik wilde hem aaien zoals ik mijn huisdieren aai, hem met lieve woordjes kalmeren, geruststellen, schouderklopjes uitdelen, een beetje knuffelen, om te voorkomen dat het hem te veel zou worden en hij ineens zou gaan huilen.

Waarschijnlijk deed ik iets te empathisch want voor ik het wist begon Maarten mij als vriendin te behandelen, niet als ‘liefdesvriendin’ – hij maakte geen avances of iets van dien aard – maar als toffe buurvrouw, vertrouwelinge uit het wekelijkse theekransje. Hij werd een theetante die in mij een collega-theetante meende te herkennen. Dat ging vrij abrupt. Uit zijn binnenzak griste hij met een nogal manlijk gebaar een verkreukeld krantenknipsel dat hij mij geagiteerd voorhield. Het bleek een uitverkoopadvertentie van Maison de Bonneterie te zijn. De Bonneterie had afzichtelijke ‘damesblazers’ in de aanbieding in de kleuren knalrood, kanariegeel en korenbloemenblauw, compleet met een overdosis aan blinkende gouden knopen. Glunderend en met rode konen verklaarde Maarten dat hij snel weg moest om zo’n koopje te gaan scoren voor zijn Maartje-garderobe. Welke kleur vond ik het beste bij hem passen, en zou ik ’t niet ontzettend leuk vinden om hem op deze zaterdagmiddag te vergezellen naar de Bonneterie op het Rokin?

Ik geloof dat ik te verbouwereerd was om Maarten mijn gekrenktheid te laten blijken. Had hij me gevraagd om samen ratten te gaan bestuderen, slootje te springen, salamanders te vangen, oké, graag zelfs – maar samen winkelen en dan nog wel in de tuttigste winkel van Amsterdam, waar ik alleen kom als ik een verjaardagscadeau voor mijn hoogbejaarde moeder zoek? Waar zag de grote schrijver mij voor aan? Na het mompelen van een smoes – nog veel werk te doen Maarten, sorry – heb ik hem nog geadviseerd de kanariegele blazer te nemen en daar dan een mooie sjaal met paarden en hoofdstellen bij aan te schaffen, waarop hij me bedankte met een hartelijke vriendinnenzoen.

Mijn stelling over Maarten ’t Hart en de vrouwen is dat hij ’t liefst vriendinnetje met hen wil zijn. Hij is allesbehalve vrouwenhater, hij is geen seksist, hij wil op gelijke voet met meisjes verkeren, geen vieze spelletjes doen, maar gezellig babbelen over uiterlijk, haardracht, nagellak, make-up, ongesteldheid en over koken, tuinieren en gezondheid. Nooit heb ik een man ontmoet die zo kan doorzeuren over moestuinen, de prijs van etenswaren en dranken alsmede over ziektes, kwalen, pillen, bijwerkingen, operaties en ziekenhuizen, als Maarten ’t Hart. Waarschijnlijk denkt hij dat meisjes en vrouwen hun levens met het uitwisselen van dit soort onbenulligheden vullen en kan hij maar moeilijk accepteren dat er ook andere exemplaren rondlopen. Vandaar zijn woede-uitbarsting tegen Joke Smit, die hij verweet dat zij als een Führer of een dolgedraaide sekteleider vrouwen opstookte om toch vooral niet te blijven voldoen aan deze karikatuur.

‘Niet datgene waarvoor de feministen ijveren wekt weerzin op,’ schreef ’t Hart in zijn stuk in NRC Handelsblad, ‘maar de wijze waarop ze dat doen.’ Ja, het zal je ook maar gebeuren: durf je eindelijk als man dat felbegeerde bh’tje aan te trekken, die gesoigneerde pruik op te zetten, felrode nagels aan te plakken en dan beginnen die halve of hele potten publiekelijk bh’s te verbranden, hun haren af te knippen en in mannenbroeken rond te lopen. Met wie moet je dan nog gezellig theeleuten over de koopjes bij de Bonneterie en praten over je dikke enkels, je hartritemestoornissen en je spataderen? Misschien was nog wel het grootste schrikbeeld voor Maarten dat er op deze manier geen vrouwen meer zouden overblijven met moederlijke gevoelens voor stoute jongetjes die de hele dag in hun broekjes poepen om aandacht te trekken.

Maarten ’t Hart is dol op vrouwen, zolang ze aan zijn gedateerde ideaalbeeld voldoen. In Een deerne in lokkend postuur beschrijft hij hoe hij als presentator van een boekenprogramma op televisie verliefd werd op bijna alle vrouwelijke schrijvers die bij hem te gast waren. Niet toevallig waren degenen die zijn ‘ontvankelijke gemoed’ het meest wisten te beroeren schrijfsters met één zoon, zoals Carl Friedman, Mensje van Keulen, Tessa de Loo en Rascha Peper. Ongetwijfeld hebben deze dames zich vol vertedering ontfermd over de uit zijn krachten gegroeide broekeman, hem op zijn potje geholpen en wat dies meer zij – waardoor zijn hartje op hol sloeg. Dat is wat ’t Hart ‘een hopeloze verliefdheid’ noemt.

Er was één vrouwelijke auteur die hem niet in vuur en vlam zette, Connie Palmen, bepaald geen moederlijk type, doof voor geklets over make-up, maar iemand die serieus genomen wil worden als schrijver. Een soort Joke Smit dus, al verwijt ’t Hart haar geen Führerneigingen, maar wel een ‘verhard gemoed’ en nog veel meer akeligs. ‘Met Palmen kon ik totaal niets beginnen. Het is een slijmerige naaktslak, die vrouw, ze kronkelt steeds tussen je vingers door.’

Joke Smit vond alles best wat gefrustreerde mannen over haar beweerden, maar een vergelijking met Hitler pikte ze niet. In een ingezonden brief aan NRC Handelsblad dreigde ze stappen tegen ’t Hart te ondernemen als hij niet binnen twee weken zijn excuses aan zou bieden. Ze ontving een reactie van Rob Soetenhorst, adjunct-hoofdredacteur van de NRC, die haar in het gelijk stelde. Vervolgens gebeurde er niets meer, waarop Smit een klacht bij de Raad voor de Journalistiek indiende. Ook die koos haar kant. Niettemin heeft Maarten ’t Hart het niet opgebracht zich persoonlijk bij haar te verontschuldigingen. Pas een jaar na dato, op 14 juni 1980 – Joke Smit was toen al stervende aan borstkanker – publiceerde de NRC een tweekoloms berichtje met de mededeling dat de hoofdredactie ’t Hart nadrukkelijk verzocht had zijn beschuldigingen terug te trekken. En ja hoor: ‘Ook hij acht de term Führerneigingen betreurenswaardig.’

Waarom zo weinig ruimhartig met excuses aan deze buitengewoon slimme, moedige en warmbloedige vrouw die niets anders op haar geweten had dan haar niet-aflatende strijd tegen het vastnagelen van vrouwen op stereotiepe, middeleeuwse rolpatronen? Ik denk omdat Maarten ’t Hart in het madonna/hoer-schema geloofde. Zo moesten vrouwen zijn, moeder of hoer en het liefst allebei tegelijk, alleen aan zulke vrouwen kan hij zich warmen.

Aan de vooravond van zijn vijfenzestigste verjaardag verscheen Maarten weer eens als Maartje op de cover van Vrij Nederland. Op radio en tv gaf hij uitleg over zijn ‘grote gekte’: Hij had zélf zo graag een vrouw willen zijn, zei hij, vandaar ook in het verleden zijn aanvallen op feministen. Hij was gewoon jaloers op hen geweest!

Zo langzamerhand begin ik dat laatste te geloven. Natuurlijk was hij jaloers op feministen die zich niet neerlegden bij de van God gegeven orde, die zich niet in het geniep maar openlijk in mannenkleren hulden als zij dat wensten, vochten om toegang tot beroepen waar ze tot voor kort van buitengesloten waren, ageerden tegen het huwelijk en een leven als gratis huishoudster annex kinderoppas en seksslavin. Zo zou Maartje bij nader inzien misschien ook wel willen leven. Laten we zeggen dat zijn ontwikkeling langzaam is gegaan, maar dat hij inmiddels bij de les is.

Wat verweet hij als vijfendertigjarige, degelijk getrouwde burgerman de feministes eigenlijk precies? Ik heb zijn boutade er nog eens op nagelezen en hun ergste misdaad was volgens ’t Hart dat zij in een vrouwenhuis te Leiden ‘vrouwen met gruwelijke demagogische verhalen over kanker en trombose ompraten om de pil niet meer te gebruiken’.

Twintig jaar later schrijft hij zélf in Een deerne in lokkend postuur dat hij de zorgeloosheid waarmee zo veel vrouwen soms decennialang de pil slikken totaal onbegrijpelijk vindt. ‘Wie laat zich, kerngezond, nu aanleunen om een half leven lang een middel te slikken dat weliswaar zwangerschap voorkomt, maar daarnaast allerlei bijwerkingen heeft, de kans op trombose, en misschien zelfs sommige soorten kanker vergroot en in ieder geval de libido verkleint? Was ik zo bevoorrecht een vrouw te zijn, ik zou pertinent weigeren om de pil te slikken. Desnoods zou ik het neuken ervoor laten.’

Gelukkig maar voor Maarten dat hij geen vrouw is, zodat hij zich niet met menstruatie, anticonceptie, zwangerschap, kinderopvoeding, menopauze en tot slot een verlepte en uitgebluste kostwinner hoeft bezig te houden. Als hij een vrouw was geweest, geschapen naar zijn ideaalbeeld, zou hij zich iedere dag als een lustige Witwe uit de bible belt hebben moeten uitdossen. Nu hoeft hij dat alleen maar periodiek, zoals ‘echte vrouwen’ ook alleen maar periodiek menstrueren en zwanger zijn.

Na een lange uiteenzetting in Een deerne in lokkend postuur over het maskeren van de adamsappel en de nadelen van aanplakwimpers, netkousen en stilettohakken komt ’t Hart in een verhandeling over zijn ‘grote gekte’ tot de conclusie dat een travestiet het meeste succes heeft (dat wil zeggen: het meeste lijkt op een vrouw) als hij er een beetje meisjesachtig uitziet. ‘In feite krijg je de beste resultaten als je een spijkerbroek, een T-shirt en simpele tennisschoenen aantrekt, en alleen je baard een beetje camoufleert met een dekkende crème.’ Maar zó’n vrouw zou Maarten nooit willen zijn, zo’n androgyn wezen, zo’n jongensachtig type dat misschien wel filosofie heeft gestudeerd en nooit eens gezellig over haar eksterogen wil beppen, zo’n naaktslak die van de boom van kennis heeft gesnoept, en als een slang tussen je vingers door kronkelt.

Maarten wil het liefst een domme, niet al te aantrekkelijke, lieve boerentrien zijn. Niet altijd natuurlijk. Er moet ook op niveau over muziek en literatuur worden gepraat, maar dan doet hij vlug zijn behaatje uit en begeeft zich in boerenkiel of trui onder de kerels. Maar dat hij het type vrouwen dat hij naspeelt ook als man begeert, kon ik mij moeilijk voorstellen. Totdat ik een gedicht las dat Maarten ’t Hart ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van een vriend schreef over het afnemen van seksuele lust bij mannen op leeftijd. Hij feliciteerde die vriend daar van harte mee:

Tel uit je winst, de drang om d’andere sekse
dag in, dag uit steeds aan de haak te slaan
blijkt zachtjesaan uit je systeem te gaan.
Gelukkig maar, het zijn toch meestal heksen.

Het gedicht eindigt met een kwatrijn waarin ’t Hart zich laat kennen als het brave burgermannetje dat hij op zijn vijfendertigste al was. Als hij ’t niet al zelf geschreven had zou ik ’t hem dan ook graag voor zijn vijfenzestigste verjaardag aanbieden:

Je kunt je schapen op het droge weiden,
Je kostje is gekocht, je hebt het voor elkaar.
En wat een vrouw heb jij als steunpilaar!
Ach beste man, wat ben jij te benijden.

Hier hoort natuurlijk wel een voetnoot bij, want ik betwijfel of Hanneke van den Muyzenberg, ’t Harts echtgenote, wel zo’n klassieke steunpilaar is of wil zijn. Zij lijkt me eerder een aanbiddelijke heks, of naaktslak, die haar ‘monument van treurigheid en verstardheid’ hooguit gedoogt. Misschien houdt ze van hem om dezelfde reden waarom ik van deze aandoenlijke gek zou kunnen houden. Haar heeft hij vermoedelijk nooit meegevraagd om in de Bonneterie mantelpakjes uit te zoeken. Haar heeft hij vast verleid met dauwtrappen op Hemelvaartsdag en gevaarlijk waden in het riet.

Toen Hanneke weigerde om ‘steunpilaar’ te zijn – zo stel ik het mij voor – heeft Maarten noodgedwongen zichzelf tot steunpilaar getransformeerd. Maartje met haar gereformeerde jurken en scheefhangende boezem is de liefdevolle matrone bij wie de blozende bolleboos op schoot kan kruipen, zijn poepbroekje kan laten afstropen, zijn traantjes kan laten drogen. Maartje is wat trots op haar enige zoon – een bijzonder kind en dat is-ie –, ze houdt onvoorwaardelijk van hem en ze weet zeker dat er ooit nog een groot schrijver uit hem zal groeien.

‘En nu weer lief gaan spelen hoor,’ roept moe hem vanuit de keuken toe.

O Maarten, als je mij die zaterdagmiddag had gevraagd om mee te gaan slootjespringen en kikkers vangen in de polder, dan had ik zonder aarzelen ja gezegd. Vrouwen willen heus graag jouw vriendje zijn, maar niet je truttigste vriendinnetje, laat staan je moeder of je oma. Gelukkig heb je daar met Maartje nu zelf in voorzien: zij haalt als ‘steunpilaar’ de kooltjes uit het vuur. Geef jij, Maarten, de echte meisjes, vrouwen, lezeressen en muziekliefhebsters voortaan weer wat ons toekomt: plezier, passie, schoonheid en al het andere moois wat jij te bieden hebt.