In die tijd wandelde ik elke avond door de stad. Toen het einde van de quarantaine zich had aangekondigd maar het normale leven nog niet begonnen was, leek de stad in de optimale dichtheid van gebruik te zijn vervallen. Aan het begin van die wandelingen kwamen de gedachten onwillekeurig op. Ondergeschiktheid geeft onzichtbaarheid, en meer kennis van een organisatie dan de ondergeschikte doorgaans lief is. Zoveel weten ligt zwaar onder in de buik en wordt slechts uitgewisseld met een schuinse blik onderling, tijdens een toevallig passeren in de gang. De kantinemedewerkers, secretaresses en schoonmakers kennen het bedrijf op de intiemste wijze. Het is kennis die onmacht geeft. Pas na drie kwartier stopte de stem in mijn hoofd, de machine die elk wakend moment haar ervaringen opdiepte, tegen het licht hield, betekenis gaf en overschreef. Ik verlangde ernaar slechts een paar ogen te zijn.

De straatlantaarns gingen om tien uur aan. Precies de helft van de maan was boven de daken te zien en de zon bescheen ook het kielzog van een eenzaam vliegtuig in gloeiend goudgeel. De lucht was stil en rokerig van de komende duisternis, er was nog net genoeg zon voor een schaduwpatroon van overlappende bladeren in het tegenlicht. De hoge platanen herhaalden hun dikgetakte hoeken in een rij in de bocht langs snelweg, fietspad en stoep. In de verte zag ik groene vlakken, de hexagoon hangende lijnen van een treurwilg, dichterbij stroken donkerder groen van struiken laag bij de grond, daarboven een fijn en gelig lapje grasveld, de elzen achteraan rond en donker richting blauw. Elke variatie van textuur en groen werd afgesneden door een nieuw vlak. Maar niet opdringerig, de vlakken bestonden gemoedelijk naast elkaar, zonder ongeduld en zonder noodzaak. Het kon 1930 zijn en het kon 2030 zijn, de straat was elk moment en zonder afleiding zichzelf.

Ik liep verder en zag in de verte een man aan komen lopen. De man was stakkerig mager. Steunend op een kruk kwam hij mij met haperende tred tegemoet. Zoals veel vrouwen ben ik beter in staat afkeuring te detecteren dan andere emoties die ons door wildvreemden worden toegezonden. Ik wist dat hij me aan zou spreken, we deelden een kleur, ik schaamde me voor die kennis en zette me schrap. Ik probeerde te verdwijnen door mijn handen in mijn mouwen te verstoppen, me terug te trekken in mijn wijde trui, mijn ogen af te wenden en met een grote boog om hem heen te lopen. Hij bleef staan en riep me boos en luid iets toe. Ik dacht ‘trek je trui op’ te verstaan en zag decennia van teleurstelling en pijn die was botgevierd op dochters die nooit iets goed konden doen in benauwde schemerige appartementen.

De lucht was vol van de geur van vlierbloesem, in de berm zag ik de vierkante struiken met grote witte vlekken van de bloeiende schermen, weinig elegant behalve hun geur. Je ziet zelden plagen op vlierbomen, het loof is altijd vol en blakend. We verlangen naar kwetsbaarheid, maar vinden alles wat aangetast is door haar eigen kwetsbaarheid lelijk. Altijd anders zijn dan de omgeving maakt je tegelijk te zichtbaar en onzichtbaar. Bekeken maar niet aangesproken, stelt het je in staat te zien met wat voor gedachteloze en gewelddadige ijver eenvormigheid – het tegengestelde van gelijkheid – wordt nagestreefd. Hoe elke familie, organisatie, staat zichzelf reproduceert, tenzij bestreden met grote weerstand. De onbevangen wens hetzelfde te blijven is gelijk aan de gedachteloze wens alles wat anders is uit te roeien. De geur was bijna eetbaar en bracht zomers van vroeger terug, toen we in het park de bloesem plukten voor mijn moeders limonade.

De avond daarop kwam ik tijdens mijn avondwandeling een oude vrouw tegen. Of oud… het was moeilijk te zeggen hoe oud ze was. Ze duwde een buggy en liep moeizaam. Ze had weelderig geblondeerde lokken, manen, die naar achter gehouden werden met een haarband. Haar gezicht was rood geschminkt. Het woord schmink geeft misschien een verkeerde indruk, het was geen matte verf zoals gebruikt wordt op kinderpartijtjes om maskers van tijgers en prinsessen te maken. Het leek meer op een vettige crème. Ik had haar eerder gezien en me afgevraagd of de crème iets tegen brandwonden was of een oorlogsteken, of dat ze gek was. Ze keek van me weg toen ik haar passeerde, maar prevelde voor zich uit. Ik kon haar niet verstaan en toch wist ik dat het aan mij gericht was. Een zegen of een vloek. Vanachter het gaas dat om de buggy was gespannen kwam plotseling geblaf.

Eerder die avond had mijn zus gebeld om me te vertellen dat ze was teleurgesteld in een favoriete film uit onze jeugd. Ze zei: de politie-­inspecteur vangt helemaal niet de boef, de prinses blijkt dubbelspel te spelen, de schuldige komt weg met zijn misdaad. Hoe kan dat nou? Dat kan toch niet kloppen? Ik kan het me bovendien ook niet zo herinneren. Ze was verontwaardigd dat de schuldigen niet gestraft werden. Dat er zelfs van ons verwacht werd dat we sympathie voor ze hadden, dat wij aan de kant van de goedgeklede dieven zouden staan. Omdat ze slimmer waren, omdat ze wegkwamen met hun misdaad, omdat ze knap waren.


Op de derde wandeling zag ik een kind helemaal aan de andere kant van de weg. Het kon niet kloppen, zo een klein kind alleen zo laat op straat. Ik wachtte met oversteken in de veronderstelling dat ergens – maar waar? – een volwassene een hoek om zou komen. Tegen de tijd dat het feit dat er niemand verscheen zorgwekkend begon te worden bleek het kind verdwenen. Snel stak ik over en liep ik een stukje terug over de stoep, maar ik zag het nergens. Om van mijn paniek en schuldgevoel af te komen, hoopte ik dat het niet een kind was dat ik had gezien, maar simpelweg iets wat laag bij de grond bewoog. Een hond? Een alligator? In het voorjaar was er een uit de dierentuin ontsnapt. Je zou zeggen dat het dier binnen een paar dagen teruggevonden was in zo een kleine en dichtbevolkte stad. Maar de zoektocht was tevergeefs.

‘s Middags had ik het nog lachend over de alligator gehad met een kennis die ik was tegengekomen op weg naar de supermarkt. We hadden op straat staan roddelen over een gedeelde oud-werkgever met de onuitputtelijke interesse van precaire, verre familieleden. Hij zei met een glimlachje, verrukkelijk kwaadaardig: degenen die daar voet aan grond krijgen zijn de ongevaarlijke mannen. En het glimlachje gaf het schijnbaar onschuldige ‘ongevaarlijk’ de niet mis te verstane ondertoon van infantiliteit en impotentie. Ik moest lachen, beter deze kleine bittere wraak dan woede gemengd met onzeker­heid over al die werkgevers die wensten wat ze al kenden, maar dan als nieuw. Mocht je willen weten waarvoor een organisatie staat, kijk dan naar wie het meest verdient en wie als laatst een vast contract heeft gekregen. Niet naar de stagiaires, nieuwe stemmen en jonge talenten die met fanfare worden binnengehaald. Hij knikte instemmend.

We liepen samen maar op afstand door de winkel, blij met onze toevallige ontmoeting. De vrouw achter de toonbank straalde een diep ongenoegen uit dat me beangstigde. Had ik de nieuwe regels onvergeeflijk overtreden? Had ik frivole boodschappen gedaan? Was ik werkelijk zo sloom en onhandig? De ontevredenheid leek in de vrouw te kloppen als een zichtbare hartslag. Toen ik aan mijn kennis vroeg of hij dezelfde sensatie had bij de vrouw antwoordde hij: ze is doodsbang. Je ziet een vrouw die steeds op het punt staat controle te verliezen. Met absolute overtuiging zei hij: ze ruikt naar angstzweet. Ik weet niet hoe hij die geur zo makkelijk herkende.

Terwijl ik dacht aan het kind of het mogelijke kind dat ik uit het oog had verloren, liep er een vrouw op me af in de schemering. Het was warm, maar ze trilde.

Kan ik een stukje met je oplopen?

Waar moet u heen?

Nergens, zei ze. Maar ik zou graag een stukje oplopen.

Ik vroeg of ze in de buurt woonde.

Ja, zei ze, maar zonder toelichting.

Ze rook misselijkmakend naar angstzweet. Verder zag ze er keurig uit.

Schuldig maar opgelucht zei ik haar dat ik moest afslaan richting huis. Het was na tienen maar nog steeds licht. De temperatuur aangenaam, het avondlicht bleek en liefelijk.

Bijna thuis fietsten een man en vrouw de straat in. De man zat op een iets te kleine damesfiets met kinderzitje en droeg een leverworstkleurige hoodie. ‘Ik ben tegen racisme,’ zong hij met gelaten stem. De vrouw probeerde hem terwijl ze haar fiets vastzette zwijgend tot stilte te manen. Het verlangen hem te laten stoppen zat in elke driftige beweging van haar lichaam. Ze zei alleen niets. De man bleef traag rondjes fietsen en die ene zin zingen, langzaam en dreinerig. Ze hadden me gezien, maar ik negeerde hen terwijl hij bleef doorzingen. Toen ik een minuut later bij mijn voordeur stond, bedacht ik dat ik had moeten vragen of dat echt zo was.

Een paar dagen later kwam ik de man met die haperende tred – bij elke stap hield je je hart vast dat hij deze keer ging omvallen – weer tegen. En terwijl ik me wapende tegen zijn afkeuring, lachte hij me allerhartelijkst toe, alsof ik een verloren dochter was.

Dag, zei ik. Hoe gaat het, zei hij. Goed, was mijn antwoord. En ik liep terug naar huis.

Fiep van Bodegom is redacteur van De Gids. Ze schrijft regelmatig voor De Groene Amsterdammer en NRC, doorgaans over literatuur. Daarnaast publiceert ze essays, proza en vertalingen.

Meer van deze auteur