‘Geen menselijke tong, geen menselijk verstand, geen menselijke volharding is bij machte al de verschrikkelijke dingen te vertellen die in de verschillende landstreken, nu eens massaal en in alle streken tegelijk, dan weer in delen van het land afzonderlijk, door deze openlijke en gezworen doodsvijanden van het menselijk geslacht werden begaan.’
–Bartolomé de las Casas, De verwoesting van de West-Indische landen, 1542


Je hebt een droom gehad. Een opeenstapeling van verschrikkingen, dat weet je nog, maar de concrete beelden ben je kwijt. Wel is er dat woord: wétiko.

Je plukt je telefoon van de nachttafel – het is pas kwart voor zes – en zoekt het op. In de taal van de Cree, een indianenstam, betekent het een kannibaal, een slecht persoon of een kwaadaardige geest. Er wordt gesproken van een psychische ziekte, een plaag waaraan de Europeanen leden die vanaf de vijftiende eeuw naar Amerika trokken. Jack D. Forbes, een professor met een Native American-ouder, beschreef het voornaamste symptoom van de wétiko-plaag als ‘het nuttigen van andermans leven voor privédoeleinden of uit winstbejag’, een ultieme vorm van egoïsme. Het ‘matchi-syndroom’ gaat ermee gepaard: geboeid zijn door het slechte, het wrede en het sadistische. Deze vorm van krankzinnigheid bestond volgens Forbes al duizenden jaren voor onze jaartelling en ontwikkelde zich grotendeels parallel met wat doorgaans beschaving wordt genoemd.

Je klikt van link naar link, leest twee uur lang vanuit je bed, met je hand op je warme buik, over de onderwerping van de Nieuwe Wereld, de buitensporige agressie en hebzucht, de grootste genocide uit de geschiedenis, een eenzame helper, details en overkoepelende inzichten waarvan de meeste nieuw voor je zijn, waarover niemand je ooit wat heeft verteld. Al voor het ontbijt ben je wijzer en stiller geworden en heb je het gevoel dat er ter hoogte van je maag een gat is ontstaan.

Het is geen honger. Verder dan een banaan en een kop thee kom je niet. Je ontwijkt de bezorgde blik van je moeder. Soms verdenk je haar ervan dat ze hoopt op anorexia, zodat haar obsessie omtrent je eetgewoonten meer bestaansrecht verkrijgt. Maar zulke dingen zou je niet over haar moeten denken, ze houdt van je.

Aangezien niemand ‘s ochtends de deur uit moet, ontbijten jullie samen: je moeder, je vader, je zusje, jij en – zij het niet aan tafel – Mozes, jullie hond. De overheid raadt aan de tijd te structureren.

‘Zou iemand een boek voor mij kunnen bestellen?’ vraag je. ‘Voor die opdracht voor geschiedenis?’

‘Aha. En wie is de uitverkorene? Churchill?’ Je hebt je ouders gisteren verteld dat je over een persoonlijke held uit het verleden moet schrijven. Je vader drong toen ook al op Churchill aan. Hij kent nogal wat citaten van de man uit het hoofd, en voelt de behoefte die met een aangezet Engels accent en een gedragen, wat dronken klinkende stem te brengen. Dat van vandaag is langer dan dat van gisteren: ‘Never give in. Never, ­never, ­never, never – in nothing, great or small, large or petty – never give in, ­except to convictions of honour and good sense. Never yield to force. Never yield to the apparently overwhelming might of the enemy.’

Je laat een respectvolle stilte vallen nadat hij klaar is en zegt: ‘Bartolomé de las Casas.’

‘Wie is dát?’ vraagt Emma. Zoals altijd negeer je haar dedain.

‘Zegt me niets,’ echoot je vader.

‘Zijn bekendste boek heet De verwoesting van de West-Indische landen. Ik zag dat de Nederlandse vertaling alleen nog tweedehands bestaat.’

‘Gaat het over zwarten of over indianen?’ vraagt hij.

‘Over indianen.’

‘We hebben hier geloof ik nog een boek staan over Sting bij zo’n stam in het regenwoud,’ zegt je moeder.

‘Wie is Sting?’ Je vraag doet je ouders lachen met een eensgezindheid waar je zelf blij van wordt.

‘Ik zal het bestellen,’ zegt je vader. ‘Jammer dat je niet over Winston Churchill gaat schrijven.’

‘Eet dan toch wat yoghurt,’ zegt je moeder.

In afwachting van de koerier die het boek voor de deur zal leggen en er van gepaste afstand naar zal wijzen, schuim je het internet af op zoek naar meer informatie over de man van wie je vermoedt dat hij je held kan zijn. Je noteert. Zijn vader reisde met Columbus mee en schonk de kleine Bartolomé een indianenjongen als speelkameraad. Die moest terug omdat koningin Isabella het niet vond kunnen. Toen Bartolomé (in je werkstuk moet je hem Las Casas noemen) in 1502 voor het eerst naar Amerika (Indië, dacht men toen) vertrok, was hij zo oud als jij nu: zeventien. Er volgden veel lange reizen tussen twee continenten. In Latijns-Amerika verlangde hij naar een utopische kolonie. Groter nog was zijn behoefte om de gruwel en grootschalige roof, aangericht door zijn landgenoten, aan te klagen. In Spanje sloot hij zichzelf geregeld op in een dominicanenklooster om er te schrijven. Zijn relaas over de verwoesting (dat je hopelijk morgen al zal bereiken) is gericht aan Philips II, die in Spanje, in naam van zijn vader Karel V, de koninklijke macht uitoefende. Bartolomé hoopte de man tot het inzicht te brengen dat er dringend moest worden ingegrepen in een situatie die naar een sadistische uitspatting van ongeziene proporties was vergleden; hij kon het simpelweg niet meer aanzien. Zijn protest kreeg bijval en leidde tot voorschriften, die grotendeels werden genegeerd. Enkelen van zijn tijdgenoten stelden alles in het werk om Bartolomé krankzinnig te verklaren, en tot op vandaag zijn er die dat proberen. In Zuid-Amerika geldt hij als een held. Je hebt zin om over hem te schrijven.


In een enthousiaste e-mail breng je meneer Stevens op de hoogte van je keuze. Je vermeldt dat Las Casas’ boek naar je onderweg is en dat je zit te popelen om het te lezen.

‘Hoi Lina,’ schrijft hij terug. ‘Omdat je je ouders al op kosten hebt gejaagd, zal ik toestaan dat je een held buiten de opgelegde lijst met suggesties kiest. Het was echter verstandiger geweest je keuze eerst bij mij te toetsen. In het vervolg ietsje minder impulsief?’ Daarnaast prijkt een knipogende emoticon.

De weerzin die je al langer onderdrukt laait in je op. Dat je die voor jezelf moet houden, is duidelijk; meneer Stevens is met stip de populairste leraar van de school. Je klasgenoten appreciëren het dat hij zich niet door politieke correctheid om de tuin laat leiden. Zijn openlijke geflirt met de knapste meisjes van de klas – die daar doorgaans dankbaar op ingaan – wordt levenslust genoemd. Hij zou stand-upcomedian moeten zijn, zo luidt de gangbare mening. Ooit had je hem per ongeluk op een fout gepakt. Iets kleins, verwarring omtrent een datum, een misverstand, je herinnert je de details niet eens. Toen je tijdens de daaropvolgende collectieve joligheid verbaasd de klas had rondgekeken, was je geschrokken van zijn blik die zich in de jouwe boorde. Angstaanjagend hoe je, zonder daar zelf op aan te sturen, iemands bloed kunt doen koken. Daarna was je hem zorgvuldiger ter wille geweest. Je glimlachte zelfs mee als de anderen gierden. Je wilde de middelbare school zo snel mogelijk achter je laten.

Nu heb je spijt van elke tegemoetkoming aan zijn aandachtshonger, de enthousiaste toon van je mail.

Die knipogende emoticon. Opgelegde suggesties. Echt een genie.

Niet tonen wat je voelt. Die zekerheid heet waarschijnlijk instinct.

Je merkt dat Mozes naast je bureaustoel staat te wachten tot je naar hem terugkijkt. Hij kwispelt aarzelend als je dat doet.

Het boek is gearriveerd en je moeder vindt het ‘geen vrolijke boel’. Je kijkt met haar mee naar de gravures die erin zijn opgenomen. Alle indianen zijn kaal en grotendeels naakt. Ze zijn vastgebonden aan palen en worden geslagen of in brand gestoken, gegrild boven een vuur, aan een rooster bevestigd of opgehangen. Er wordt een staaf door hun oren of anus geduwd, kokende olie druipt over hun rug, nagels worden uitgetrokken, neuzen en oren, handen en voeten, benen en armen afgesneden, baby’s uit zwangere buiken gehakt. Baby’s aan het spit. Kuilen vol mensen, levend begraven tussen brandende huizen.

‘Zeg, schat! Wat is dat allemaal?’ Je moeder klinkt oprecht verontwaardigd.

‘Dat is geschiedenis, mama.’

‘Ja, maar, er is toch zoveel andere geschiedenis!’ Je verifieert niet wat ze bij die andere geschiedenis precies voor ogen heeft, al vraag je het je af.


De rest van de dag lees je in je kamer. Je onderbreekt Bartolomés ontzetting enkel om Mozes uit te laten. Er waren winkeltjes met mensenvlees. De conquistadores voerden afgesneden lichaamsdelen aan hun honden of hongerden de beesten eerst uit en wierpen hun slachtoffers er dan in hun geheel voor, levend. Op het thuisfront dacht iedereen dat alle indianen kannibalen waren.

‘Ze slingerden pasgeborenen zo ver weg als ze konden,’ vertel je bij het avondeten. ‘Ze zetten voor de lol een vuur bij iemands voeten tot het merg uit hun zolen droop.’

Emma drukt haar handen over haar oren en huilt luidruchtig.

‘Nu is het genoeg!’ schreeuwt je moeder. ‘Ik heb twee uur staan koken, voor jou nog wat extra omdat het per se vegetarisch moet zijn. Een beetje respect, zou dat lukken?’

‘Ik heb de indruk dat jouw Bartolomé ook wel een beetje genoot van zijn beschrijvingen. Mooie held.’

Je snapt niet hoe je vader zoiets kan zeggen, zomaar een moedig man en diens levenswerk kan verfrommelen in zijn vuist.

‘Hij heeft zijn leven gegeven aan het aanklagen van wantoestanden. Het gaat over miljoenen mensen. Waarom mag daar niet over worden gepraat?’

‘Omdat we aan het eten zijn!’ Je moeder heeft er zowaar tranen van in haar ogen gekregen. ‘Het is allemaal al moeilijk genoeg! Denk misschien eens aan de mensen die voor je zorgen! Wees dankbaar voor wat je hebt, in plaats van de miserie op te zoeken!’ Ze ging twee keer per week turnen en mist dat enorm.

Op internet heb je gelezen over de grote bedreiging die het virus vormt voor de oorspronkelijke bewoners van Brazilië. Net als toen een geïmporteerde ziekte. Ook de slachting is nooit gestopt, niet echt. Onder de jongste generatie Native Canadians heerst een zelfmoordgolf. Kinderen die zich massaal van kant maken, verpletterd onder doorgegeven trauma’s. Je besluit het er niet over te hebben.

Na het eten kijken jullie met z’n vieren tv. Een overlever van de Holocaust getuigt over lijken die op elkaar werden gestapeld op een smal bed op wieltjes: de een met zijn hoofd bij de ander zijn voeten, zijn vader onderaan, dat beeld in elke droom. Jouw vader reageert na een elleboogstootje van je moeder. Ook een vluchtelingenkamp wordt weggezapt. Je zus zet haar koptelefoon op en kijkt naar haar eigen scherm. De anderen volgen haar voorbeeld. Je gaat Las Casas’ boek uitlezen.

Je vader klopt en komt binnen terwijl je de eerste zinnen van je stuk schrijft. ‘Je gaat niet graag horen wat ik ga vertellen,’ glundert hij. ‘Maar je moet het wel weten als je over die Las Casas gaat schrijven.’

Je draait je bureaustoel naar hem om.

‘Wist je dat hij er verantwoordelijk voor is dat er Afrikaanse slaven naar Zuid-Amerika werden gebracht?’

Hij kan aan je zien dat je het niet wist en vervolgt gretig: ‘Enfin, hij was niet de enige die dat een goed idee vond, maar toch: zijn rol is daarin cruciaal geweest. Hij was zodanig gefocust op die indianen dat hij dacht: Afrikanen zijn veel sterker, ze vervangen wel vijf indianen per man. Hij wilde hen ermee ontlasten. Veel indianen vonden dat een aan te moedigen plan.’ Hij lacht hardop.

‘Dat is niet grappig. Waar heb je dat gevonden?’

‘Ik heb je de link gestuurd. Kijk maar eens.’ Hij grinnikt opnieuw als hij zegt dat de weg naar de hel geplaveid is met goede bedoelingen. Dat zegt hij vaak.

Dan volgt het medelijden, dat eerst nog geduldig is.

‘Nicht so betoiterd, schatzen.’ Dat nepduits van hem is even geleden. Vroeger kon hij je er altijd mee aan het lachen krijgen, dan deed je met hem mee. Omdat dat niet meer lukt, raakt hij geïrriteerd. ‘Ach, Lina, ga je hier depressief zitten doen over iets wat in de zestiende eeuw is gebeurd? Wat heb jij daarmee te maken?’

‘Ik ben niet depressief. Maar het gebeurde niet enkel in de zestiende eeuw, en ook niet enkel daar, dus heeft iedereen er iets mee te maken.’ Je zegt het voorzichtig, glimlachend, doet je best niet verdedigend of afwerend of arrogant te klinken, jij moet op een gesprek afsturen, op harmonie, je moet er een zijn die rekening houdt met anderen, die onopvallend voor ze zorgt, daar zijn er te weinig van. Je moet voor je ouders zorgen. Ze weten kennelijk niet wat ze doen. En Churchill heeft bewust niets gedaan om de Bengalezen van de hongerdood te redden.


Helaas heeft je vader ook gelijk. Wat Bartolomé de Las Casas betreft. Die had alles in het werk gesteld om de oorspronkelijke bewoners van de Nieuwe Wereld te beschermen tegen de agressie van zijn landgenoten, maar was er medeverantwoordelijk voor dat de handel in Afrikanen een nieuw afzetgebied vond. Hij drong er voor de derde keer bij Philips II op aan in hetzelfde jaar dat hij zijn aanklacht schreef.

Later begreep hij dat wat in West-Afrika gebeurde niet minder tragisch was dan het onrecht dat hem zelf onder ogen was gekomen. Hij stelde alles in het werk om zijn fout recht te zetten – lange reizen en lange schrijfsessies in afzondering volgden – maar faalde. Vijf jaar voor zijn dood schreef hij in zijn Historia de las Indias in de derde persoon over zichzelf: ‘Het was geen goede raad die hij gegeven had (…) Het is niet zeker dat zijn onwetendheid en zijn goede wil hem tot excuus zullen dienen bij het laatste oordeel.’

Je weet dat je dit niet mag verzwijgen. Je vingers zweven boven de toetsen tot je je laptop sluit. Het houdt je wakker. Met zijn poging de handel in Afrikaanse slaven terug te draaien maakte hij het anderen nog makkelijker hem weg te zetten als een fanaticus, een extremist, een gek die zich niet tot één strijd wist te beperken.

Na een lichte slaap met een donker droompje is hij nog steeds je held, zij het een fatale.

Je houdt de gezamenlijke maaltijden kort. De sfeer is overdonderend vijandig. Het wordt je kwalijk genomen dat Emma zoveel om de verbrande voeten en weggekeilde baby’s heeft moeten huilen. Ze kan er niet van eten, loenst sluw onder haar verdriet.

‘Wat ik er ook nog over las,’ kan je vader niet laten te zeggen. ‘Begin ­jaren tachtig was er een invloedrijk boek van een indiaan over het verschil tussen de “primal mind” en de “western mind”. Moest iedereen hebben gelezen – om te begrijpen dat die eerste geestesgesteldheid beter was, uiteraard. En toen bleek de schrijver, Jamake Highwater, een Griekse immigrant.’ Zijn lach is schamper nu, ongegeneerd gemaakt. ‘Zou jij ook zo graag een indiaan willen zijn, Lina?’

‘Dat Native Americans zulke zware drinkers zijn, daar kun je de Europeanen na al die eeuwen toch de schuld niet meer van geven,’ onderbreekt je moeder bits. ‘En dat ze zo goed waren voor hun omgeving, dat blijkt dus een mythe. Ook zij pleegden roofbouw op de natuur.’

Je eet en zwijgt. Laat je er niet toe verleiden, zegt je instinct.

De hele dag blijf je tikken en lezen. Je wordt met rust gelaten. De afzondering doet je goed. Je mag geen fouten maken.

Bij zonsopgang herlees je wat je hebt geschreven, je haalt hier en daar een zin weg, voegt er een toe, kiest enkele juistere woorden. Je weet dat dit goed is en dat maakt je zo blij en trots dat je je voorneemt dit je leven lang te blijven doen. Nog enkele maanden en je kunt naar de universiteit. Je wilt geschiedenis gaan studeren. Je toomt je enthousiasme in om een zakelijke e-mail bij de bijlage te schrijven.

Kort na de middag is er al antwoord van meneer Stevens. Even beknopt en zakelijk. Er is ook een cijfer: een zes. Snelle lucht ontsnapt langs je mond, je weet niet of je moet lachen of huilen. Een zesje. Je instinct draagt je op het over je heen te laten gaan. Je weet dat je dit uitstekend hebt gedaan, het gaat niet over cijfers, niet over zijn goedkeuring, het gaat niet over hem, hoe graag hij dat ook wil. Geef er niet aan toe, beveel je jezelf, zit het nog enkele maanden uit tot een nieuw begin, met nieuwe mogelijkheden en kansen. Maar je hebt ook je trots, en die is gekrenkt. Dit is niet correct en voor jezelf opkomen is ook een plicht. Je hebt recht op een feedbacksessie en die zul je – zo neutraal mogelijk – aanvragen.

Tijdens het eten ga je na of er al een antwoord is binnengekomen en tijdens een wandeling met Mozes ga je na of er al een antwoord is binnengekomen. Om de tijd te doden neem je Mozes mee naar de tuin, waar je hem langdurig borstelt. Hij kijkt je daarbij zo dankbaar en gedwee aan dat je het onmogelijk acht dat hij ooit als moordmachine van de conquistadores had kunnen dienen. Je slaat je armen om zijn zachte warmte. Hij is de enige bij wie je deze nabijheid kunt ervaren, en dat was lang voor de maatregelen al zo.


Pas de volgende middag is er antwoord. Meneer Stevens heeft vijf minuten. Je kunt er maar het best meteen op ingaan, voor hij zich bedenkt. Zijn hoofd verschijnt op je scherm, het jouwe op dat van hem.

‘Hé, Lina.’ Zijn expressie doet vermoeden dat hij niet van plan is de grapjas uit te hangen.

‘Hallo.’

‘Je had nog een vraag over je werkstuk?’

Je moet. ‘Ik wilde graag weten waarom ik er maar een zes voor had gekregen. Zelf was ik er wel tevreden over en ik, ja, ik vroeg me af waar ik dan punten aan had verloren, want dat kon ik ook niet echt afleiden…’

‘Kijk, Lina, het zijn uitzonderlijke tijden, ik probeer iedereen zo goed mogelijk op te volgen, maar je kunt momenteel niet verwachten dat ik je bij het handje zal nemen bij elke taak die je zelfstandig hoort te maken. Als ik dat bij iedereen moet doen, dan slaap ik niet meer.’

‘Maar dat verwacht ik niet. Ik wil alleen graag weten wat ik niet goed had gedaan, volgens u?’

Hij zucht.

‘Geschiedenis is geen kwestie van een mening verkondigen. Het gaat om kritisch leren denken. Het is niet omdat je iets leest dat je aanspreekt, dat je dat zomaar in een werkstuk kunt gieten zonder andere bronnen te raadplegen. Daar kun je aan de universiteit niet mee aankomen, mocht je die binnenkort een kans willen geven.’

‘Ik heb verschillende bronnen geraadpleegd. Ik heb ze duidelijk vermeld.’

‘Je bent een kind van je tijd en de gedachte dat het kolonialisme alleen maar kommer en kwel was, dat wij westerlingen de grote booswichten zijn en alle andere volkeren onze door en door goedaardige slachtoffers, daar wordt jouw generatie nu heel sterk door gehersenspoeld. Maar hoe dieper je de geschiedenis in duikt, hoe minder je je door tijdsgeest en modes laat leiden, hoe meer je zult merken dat het allemaal niet zo’n zwart-witverhaal is. Het is ook nergens goed voor daar zo halsstarrig aan vast te houden, de samenleving is al gepolariseerd genoeg. In de eerste plaats moet je de gebeurtenissen en de mensen in hun tijd kunnen aanschouwen. Je kunt niet zomaar alles op jezelf en op vandaag betrekken.’

‘Maar Bartolomé de las Casas zag het toch in zijn tijd? Hij was een ooggetuige.’

Hij is even stil. Je ziet de haat opflakkeren. Een seconde kijkt hij naar je alsof hij niet kan geloven dat je bestaat, dan glimlacht hij met gesloten ogen, blijft even zo zitten, alsof hij in slaap is gevallen. Vermoeid vervolgt hij: ‘Je moet leren alles wat je leest niet meteen voor waarheid aan te nemen. Er zijn genoeg redenen om ervan uit te gaan dat we wat die priester schrijft met een serieuze korrel zout moeten nemen. Eigenlijk moet je het als literatuur zien, in plaats van een verslag van feiten. Hij heeft op zijn minst overdreven, om te beginnen over de hoeveelheid indianen – pardon, pardon! Native Americans! Straks klaag je me nog aan! – over het aantal dat zou zijn omgekomen.’

‘Maar hedendaagse berekeningen bevestigen zijn cijfers juist!’ Je wordt luider. Houd je in! ‘In 1650 bleef er nog ongeveer tien procent over van de bevolking die eerder werd geteld! Het is een heel kleine minderheid die is overgebleven! Net als bij de Joden na de Holocaust!’

‘Rustig, meisje! Rustig! De vogeltjes fluiten, het is een heerlijke dag!’

Je ademt langzaam uit, telt tot negen, herneemt: ‘Er gingen anderen aan hem vooraf die hetzelfde zeiden: Montesinos, bijvoorbeeld, die hem inspireerde, ik vermeld hem in mijn stuk. En het is niet zo dat iedereen het zomaar eens was met wat de conquistadores er aanrichtten.’

‘Maar dát moet je in de context zien van een protestants verzet tegen de Spaanse inquisitie.’

‘Daar schreef ik toch ook over?’ Heeft hij je stuk gelezen? ‘Maar in Spanje kwam er dus een polemiek tussen voor- en tegenstanders van het kolonialisme op gang. Mensen waren toen ook gepolariseerd.’

‘Probeer je íétsje minder op het negatieve te richten. Je íétsje minder door emoties te laten leiden.’

Wétiko, denk je. Zieke man. Je moet dit afronden, de eer aan jezelf houden.

‘Oké, meneer Stevens. Bedankt voor de feedback. Nog een prettige dag.’

Even is hij uit het lood geslagen.

‘Ik kan inderdaad niet meer tijd aan jouw specifieke geval besteden, het spijt me. Probeer toch het beste te maken van de quarantaine, het is tenslotte niet alleen voor jou een lastige tijd. Nu en dan wat proberen te sporten kan de hormonen een beetje…’

Je hebt je laptop dichtgeklapt voor hij zijn zin heeft afgemaakt. Mogelijk zal dat gevolgen hebben. Ja, dat zal gevolgen hebben. Je had het wellicht nog maar enkele seconden uit moeten houden. Je hebt jezelf op de valreep in gevaar gebracht.

Toch ben je blij om wat je hebt gezegd. Je hebt nog nooit zo vlot gesproken, hebt je maar zelden zo zeker over iets gevoeld.

Jullie moeten eens praten, vinden je ouders. Je volgt ze met aarzelende pasjes naar de eetkamer, waar ze je manen tegenover hen aan tafel plaats te nemen. Je zusje is nergens te bekennen. Mozes gaat aan je zijde zitten.

‘Je geschiedenisleraar heeft ons gebeld,’ begint je moeder.

Je bent een zandloper, je voeten worden zwaar. Je gaat iets begrijpen over je lot.

‘Het kan niet de bedoeling zijn dat je hem de les gaat spellen,’ vervolgt je vader. ‘Je bent verstandig, maar je bent nog heel jong. Sinds Greta Thunberg zijn de verhoudingen wat zoekgeraakt – daar moet ik hem gelijk in geven. Neem van ons aan dat je nog veel moet leren.’

Het is één grote gevangenis, begrijp je. Maar je bent inderdaad jong, je hebt de kracht. Voor jou wordt het beter dan dit, dat moet je geloven. In die gevangenis leven niet enkel kannibalen.

‘Als je zo de held wilt blijven uithangen, dan zul je niet veel vrienden maken,’ zegt je moeder. ‘En jongens jaag je ermee weg.’

‘Ik probeer helemaal niet de held uit te hangen,’ glimlach je. ‘Ik verdiep me in iets wat me interesseert, iets wat ik wil weten. Ik denk dat hij gewoon gefrustreerd raakte omdat ik ergens meer over wist dan hij.’

Je ouders wisselen een blik, een eensgezindheid die je buitensluit.

Het is je moeder die de draad weer opneemt. ‘We denken dat het je goed zal doen om eens met iemand te praten over wat je bezig houdt. We hebben contact opgenomen met een psycholoog die gespecialiseerd is in jouw leeftijdsgroep. Jullie kunnen elkaar online spreken, elke week een uurtje. Wij proberen zo goed mogelijk voor je te zorgen, maar we kunnen je niet overal bij helpen, zeker niet in deze vreemde tijd.’

‘Hij kan je helpen om de juiste proporties terug te vinden,’ voegt je vader er vriendelijk aan toe.

Dit weet je nu: het gevaar schuilt in de normaliteit. Inzet wordt fanatisme. Werkijver wordt manie, rechtvaardigheidszin zwakte, protest hysterie, taboes vermoeienissen. Het is heel helder plots. De verwoesting die ontdekking wil heten, of verovering, of zorg. Je zult standhouden als je held, een leven lang. Liefdevol likt Mozes je hand.

Annelies Verbeke (1976) debuteerde in 2003. Ze schrijft vooral romans, verhalenbundels en theater, dat laatste meestal voor Wunderbaum. Haar werk verscheen intussen in 25 talen. Haar roman Dertig dagen (2015) en haar verhalenbundel Halleluja (2017) vielen meermaals in de prijzen. In januari 2021 verschijnt haar verhalenbundel Treinen en kamers.

Meer van deze auteur