Oorzaken van dwaling

Halsstarrig is dit handgemeen met het zelf. Och, leg toch
de wapens neer, blaas schotresten van handen, maak geen
moordkuil van de mond, en nu niet weer het gezwam over
in het verkeerde lichaam, o, het verkeerde lichaam.

We willen waarheden, kernkwaliteiten, we willen huiswerk,
een tochtonderzoek. Het idioom waar in geleefd wordt, zullen we
doorsnee maken. Om minder op te vallen moet je het geheim
van oppervlakkigheid kennen, alleen in holte kan geluk zich schuil

houden. Te beginnen bij hoe de bedrading loopt, moeten we je
ontleden. We gebruiken geen scalpels, alleen maar verklaringen,
over hoe de wind door de kieren, over hoe de werking van de
meterkast in het gestel, en alle dwalingen. Soms zullen we

hier en daar verzet tonen, onze macht in de strijd gooien.
Niet dat we niet het onstuimige zien, de worsteling, maar besef:
zelfs de mooiste boom krijgt op een dag te maken met de
hakbijl, we moeten nu eenmaal het zieke van het zuivere

onderscheiden. En soms zullen we de schaafwonden op de
knokkels verzorgen, wij zijn niet van de veldslagen, wel van
overwinningen verwerven. Op deze plek doen we alleen aan
zingen, aan commandoliederen, met de huil hoog in onze kelen.


Ongeoorloofde afwezigheid

Laat mij gissen naar het motief van deze regels, naar hoe ze uit
elkaar barsten als ik op zoek ga naar een lief woord, gewoon een
lief woord. Zonder toestemming ben ik uit de krijgsmacht gestapt,
gedeserteerd mens dat je bent. Straks komen ze je halen, je vragen

om je laffe genade. Niet dat je diep in het vlees bozig bent, alleen
verlang je steeds meer naar het weerbarstige, naar verlorenheid.
Oproep gekregen om terug in dienst te treden, ze vragen naar je
schutkleuren, om alles waar je aan lijdt op te schrijven. Ik raak

bedolven onder alle onderstroom, het is om stil van te worden.
Vriendschap, zandhazen, bloembakken, dagdier zijn: het is
de taal die ik mis, niet het gevecht in het fluwelen licht.
Niet het inliggen van de slaap, het strijdgewoel in lust en leed.

Dan maar weer de ziel verzacht met een nodeloos gebed. Ik brul
tot in het ondonker, tot aan de grondslag toe. Ons valt niets te
verwijten, fluisteren je kameraden, wij marcheren alleen om niet zo
onzeker, wij hebben het buskruit niet uitgevonden, onschuldig zijn we.

Geen bevallig woord gevonden. Vragen beantwoord over allergieën,
een cijfer voor het leven: het zijn altijd de fijnproevers die geen
gevoeligheid voor stoffen, maar wel een onvoldoende geven.
Onderaan mijn handtekening gezet, de plicht snijdt in mijn huid.

Marieke Lucas Rijneveld (1991) debuteerde in 2015 met de dichtbundel Kalfsvlies, die werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs. Met haar debuutroman De avond is ongemak (2018) stond ze op de longlist voor de Libris Literatuur Prijs en won ze de International Booker Prize. In 2019 verscheen de dichtbundel Fantoommerrie. Momenteel werkt ze aan een tweede roman. Naast haar bestaan als schrijver werkt ze op een melkveebedrijf.

Meer van deze auteur