Horen­zien­voelen­ruiken­proeven? Present.

Altijd­ten­naaste­bij­weten­hoe­laat­het­is? Present.

Kudde­modus­radar­ontvangst? Diffuus maar oppermachtig present.

Dit zintuig huist inwendig, rondom het sacrum.

Dichtheid- en zwaartekrachtbeleving? Onontkoombaar en derhalve voor het dagelijks ­lichaam haast onnaspeurlijk geworden, tenzij in extreme proefopstellingen, doorgaans boven-, onder- of buitenaards. In het ‘niet-hier’ dus. Het zintuiglijk aspect ervan is non-gradueel, oftewel absoluut: dichtheid en zwaartekracht reduceren ons tot objecten, tot onderhevigen. Dat we toch de berg op willen: ja hoor eens, spieren trainen is nu juist ons kabouterachtig vrijheidsvertoon tegen brute natuurkrachten in.

Maar misschien zal een andere bestaansvorm als, laten we zeggen, een collectief in de diepzee, ons in de entourage van zo’n nieuw ‘hier’ enorm verruimende ervaringen bieden. Niet gewichtloos maar superzwaar, zal het woord ‘zweven’ een ongekende lading krijgen.

Skeletkrimp tot keiharde microstructuurtjes is een techniek die we zonder twijfel spoedig onder de knie zullen krijgen, gezien onze kundigheid met moederborden en interne extensies; en die hersens dobberen wel achter ons aan in een zilt-gelatineuze, kwalachtige symbiose. De diepzeecompressie zou kunnen bewerkstelligen, bijvoorbeeld, dat we net als sommige daar nu reeds onderdak gevonden hebbende schepselen, schijnsel gaan uitstralen en daarmee is dan tevens het energieprobleem grotendeels opgelost. ‘Yes I’m gonna be a star.’ (John Lennon)

Zijnsbesef? Als ideologisch of retorisch concept hangen we het aan – maar in de dagelijkse levenspraktijk krijgt het verdomd weinig kansen om zich als zintuig te ontplooien. Dat komt doordat het zijn interactie met de umwelt in een ander tijdsbestel dan dat van de maatschappelijke ritmiek volbrengt. Zoals (dit louter ter vergelijking) er wezens zijn die een levenscyclus doormaken in een spanne die voor ons een krankzinnige versnelling of juist een krankzinnige vertraging van tijd zou veronderstellen.

Het zijnszintuig in bredere zin, als een gestage, licht osmotische receptiviteit voor influx van grondstoffelijk-etherische aard, zoals alom waargenomen – bij de bewegende mens, in de vorm van spraak en schrift; bij de rustende steen, in de vorm van splijting/verwering zoals o.a. door mens/poëet/petroloog T. van Deel omschreven (‘een steen in de beek verveelt zich niet’); bij de gewortelde boom, in de vorm van groei en bloei (naar de schijn nog abundant) – is, in al deze verschijningsvormen ervan én hun samenhang, uitvoerig behandeld door William Wordsworth, in zijn dichtwerk The Prelude (1805, onlangs vertaald door Jan Kuijper). Net als de overige zintuigen valt ook het zijnszintuig aanvankelijk samen met de loutere gewaarwording ervan. Exact te lokaliseren binnen in het betreffend fysisch corpus is een en ander nog niet. Verdergaande mentale exploratie (zonder intrusieve participatie, blijf met je poten van onze bomen af) lijkt geboden.

In een hypothetische synthese van alle zinnen met dit (tot op heden alleen bij de mens als concept gesignaleerde, hoewel we het ‘huilen naar de maan’ van wolven en honden misschien evenzeer als talige en dus conceptuele weerslag zouden kunnen interpreteren) zijnszintuig beschikken we als mens binnenkort over:

het ethisch zintuig. Dat wordt nu nog gerangschikt onder de ‘toppers’, want het ethisch zintuig heeft één onoverkomelijk schijnend bezwaar: het is – voor zover het al is – ondeelbaar. Weliswaar is het vatbaar voor navolging, of beter gezegd verspreiding, in de diffuse gedilueerde vorm van wat hierboven reeds werd aangeduid als kudde­modus­radar­ontvangst, maar… om zich te manifesteren als zelfgenererende krachtbron van inzichtelijk, handelingsbekwaam, verantwoordingsgezind, lucide en universalistisch doch op detail toegespitst wikken en wegen zonder verlies aan tempo en/of visionaire warmhartigheid, heeft een zich erop toeleggende mens tot op heden een welhaast goddelijke statuur van node, en dat is, nog altijd, geen kattenpis.

Zij die zich als pretendenten aanmatigden dit ethisch zintuig het hunne te noemen en er de wassen neus van gezag uit te kneden, zij die met volksverlakkerij en het grofst bejag door de mand zijn gevallen, leiders en tirannen in de achter ons liggende eeuwen, hebben het mensdom bij de ontwikkeling van dit precieuze zintuig een welhaast desastreuze achterstand bezorgd, zodat we nu, terwijl de tekenen erop lijken te wijzen dat ons einde nadert, nog maar aan het begin staan van een mogelijk maar o hoe broos ontluiken van dit ethische tuigje.

Maar, eenmaal zijnde, zal het een attribuut zijn van ons allen, dus in die zin ook deelbaar zoals het zijn zelve dat is. Evenmin als bij ho­ren­zien­voe­len­rui­ken­proe­ven et cetera is er dan nog een introductie vereist los van de eenvoudige gewaarwording die dit ethisch zintuig biedt. Voor stenen en bomen en het overige zou het bezit van deze kwaliteit onnodig zijn en wellicht zelfs schadelijk – hun gradaties van ho­ren­zien­voe­len­rui­ken­proe­ven zijn zo ultiem verfijnd c.q. non-actief, dat van een hanteerbare synthese geen sprake lijkt. De mens is in zijn inherente ontvankelijkheden redelijk grofbesnaard, hij heeft daardoor als levend en proactief antibioticum tegen eigen uitsterving een breedspectrumwerking, en dat maakt hem tot een flexibeler, minder gespecialiseerd wezen dan bijvoorbeeld een metselbij; vandaar dat het ethisch zintuig wellicht een kans maakt om bij de mens tot vruchtbaar ontluiken te komen.

Daarbij kunnen we het niet stellen zonder een ander zintuig dat nog tot volle wasdom moet komen – ik doel natuurlijk op dat van de proportie en betrekkelijkheid. Het biedt de grondslag voor de omgang met het op zich­zelf­ab­so­lu­te­ho­ren­zien­voe­len­rui­ken­proe­ven et cetera. Proportie is de wiskunde van het waarnemen. Wij eten graag een smaaksymfonie (brood met kaas en bier), wij horen met liefde orgelfuga’s als trappenhuizen en doolhoven van klank, we snuiven bedwelmend subtiele parfums van zeelucht/kamperfoelie/zweet en dan weer chocolade/aardbei/thee, we zien in macro- en microkosmos verrukkende of aanbiddelijk lelijke structuren, tasten de meegevende of juist onwrikbaar koelgladde bollingen en holtes af van beminde lijven en rotsformaties.

De proporties geven de maat aan het onvergelijkelijk of absoluut gewaarworden (in een continu heden) van de dingen in hun onuitputtelijke maar altijd meetbare verscheidenheid die hun samenhang, hun onderlinge betrekkelijkheid bevestigt. Met het absolute, abstracte zintuig van de graduerende proportie (vgl. Wittgenstein, Lecture on Ethics, 1929) werpt het zinnengestel iets van zich af: de taal als werktuig, als verantwoorde verwoording van het zintuiglijk ondergane bestaanswonder of wereldraadsel, waar de ethiek haar wortels vindt, van geloof als vormloze vorm zonder voorschrift. Betekenis wordt teken.

Er bestaat zoiets als zingenot. Niet zozeer dat van de afstandelijke beschouwer – veeleer dat van het zijnde dat weet dat al het andere evenzo-zijnde is. Het ethisch-proportioneel zijnszintuig, om het nu maar die naam te geven, zal ons leren het bestaan lief te hebben tot we erbij neervallen.

Anneke Brassinga (1948) is dichter en essayist. Ze is aan de Universiteit van Amsterdam opgeleid tot literair vertaler uit het Frans, Duits en Engels. Ze vertaalde onder meer het werk van Sylvia Plath, Gertrude Stein, Hermann Broch, Oscar Wilde en George Orwell. In 2015 ontving ze de P.C. Hooft-prijs voor haar poëzieoeuvre.

Meer van deze auteur