Beest

Achter de onttakelde fabriek, ver van de stadsrand, vond hij bij toeval een wepele wei, kwam daar tijdens zijn jachtige wandelingen voortaan iedere dag, zat op het houten hek en dacht na. Daarna ging hij weer naar huis. Weken gingen zo voorbij, toen, op een dag, in de wei ineens een oude ezel stond. Sedertdien kwam hij er driemaal daags, praatte met het beest en het beest praatte terug. Steeds ging hij na een uur of wat weer naar zijn huis, waar alles als anders was, schijnbaar niemand hem had gemist, over hem de onverschillige stilte kwam; vrouw en kinderen gaven zich monter over aan hun bezigheden. Tot op een dag hij met driftige pas, zich terug naar de wei begaf, vanop het hek naar de ezel schreeuwde, hij zelfs, ten leste, hard uithaalde naar het beest, dat onbeweeglijk bleef. Toen brak hij de omheining af, krijste tegen het makke dier, schold, tot hij hem eindelijk rennen zag, de leegte van het nabije, afgelegen land in

Noach

En het regende eindeloos de eerste dag
Het regende op de tweede en de derde
Toen per sms de alarmmelding kwam
Ter test en hij zich eindelijk vermande
IJlig zijn huis verliet overal de sloten
Van de hokken sloeg en de beesten
Van hem wegrennen zag hij ze zocht
De vierde vijfde zesde dag de zevende
Vond hij een verdronken slang in het water
Rende naar huis sloot ramen en deuren af
Met plastic dekzeil en dikke balken draaide
Zo ver als kon alle kranen open toen en ging
Op de houten vloer liggen meldde zich veilig
Vouwde op zijn buik zacht zijn handen samen

Ila

Traag en zwaar groeide een steen in haar
Een pratende steeds pratende steen juist nu
Ze wist dat vanbinnen nooit meer leven kwam
In haar dromen dronk ze en helde voorover
Voelde dat ze viel maar de steen droeg haar
Op door te blijven gaan en niet stil te staan
Een kleine proef lachte de steen zonder mij
Komt iedereen er wel doorheen kijk nou eens
Wat je hebt voortgebracht je moet met hem mee
Waarom als ik vragen mag ben je dan zo zwaar
Zei zij denk na zei de steen weet wat je vraagt

Drog

De eerste dag bleef zij nog
In bed sliep nog weken later
Hij zat op een stoel naast haar
Stond alleen op toen de arts kwam
Die afwezig zei dat hij niets had
Om zich zorgen over te maken
Alles normaal en ongevaarlijk was
Hij alleen haar niet wekken mocht
Zij eens uit zichzelf op zou staan

Vlot

Hij tast om zich heen zo gauw uit zijn wezenloze staat
Hij wakker wordt en zo voelend niet naast zich vindt wie
Hij daar had verwacht verlamd door angst onmachtig
Hij in het hete zand steunend op zijn handen overeind komt
Hij merkt hoe hij bekeken wordt van zijn lichaam plots bewust schaamt
Hij zich mijdt de bewoonde wereld houdt zich schuil waar
Hij zich alleen weet vandaaruit verder zoeken zal wie
Hij sinds hun schipbreuk mist en nu al vergeten is waarom
Hij haar zo nodig naar open zee brengen wilde en hoezo ook
Hij achterliet wat hem zo liefdevol vertrouwd was dan ziet
Hij haar richt zich op en durft niet tevoorschijn te komen om waar
Zij gaat te gaan en dan wie weet onverhoopt uit te vinden hoe
Hij voor haar sinds ze op het strand ontwaakte een vreemde is

Noach

En hij slaapt die hele dag als de zon
Voor het eerst achter de wolk schuilt
Slaapt een tweede en een derde dag
Als het water vlot door kieren dringt
Door het raam dat openwaaide boven
Waar zijn beide zonen slapen zijn vrouw
Slaapt de vijfde en zesde dag de zevende
Droomloos en onwetend als het water
Zich terugtrekt in een zwarte stroom
Meevoert wat hem onontbeerlijk is
En hij meteen mist als de achtste dag
Hij ontwaakt de zoldertrap afdaalt
De kamers binnengaat niemand vindt

Drog

Ik weet dat je wakker was
Je kleine mollige hand hield
De dikke wollen deken vast
Een streep licht viel schuin
Over je wegdraaiende gezicht
Ik zag je lippen droog zich openen
Begreep dat voor je – begrijp je –
Zweeg je niet zomaar moe was
Niet voor niets je handen van mij
Af gleden als ik ze op mijn borst lei
Ik – ik laat je – zei de deken optilde
Je witte lichaam zag spiernaakt
En bewegingloos me keihard kneep
Toen je moeder bij de deur huilend
Vroeg – begrijp je het nu – en ik begreep
Hoe giftig je op je slaap gebeten was
Je alleen voor mij even wakker was geweest

Ziz

En de schalen braken het eigeel overspoelde de aarde
Iedereen verdronk daarin die zich in huis veilig waande
Zijn toevlucht tot daken had gezocht noch het wonder
Van dit onheil voorzien – vanop de nok zagen allen
Die wel konden ontkomen hoe het struif bleef stromen
Alles vergeelde waar eens de straten waren de pleinen
Waar ze ooit samenkwamen en zich er vrolijk maakten
Over de profetie van een vogel onvoorstelbaar groot
– Nooit gezien – die met het spreiden van zijn vleugels
De zon verduisteren kon – ze zagen dat het donker werd
Onmogelijk nog een ander op een ander dak te ontwaren
Begrepen toen dat ze hun ongeluk al vroeger zagen
Boven alles in beangste dromen vaker alleen waren geweest

Noach

Toen ik terugkwam was er niemand
Op de kade de geur van vuur van vlees
Het ruikt naar ijzer het zoet van rot
En bloed ik heb mij zorgen gemaakt
Vervloekt dat ik leeghandig weerkeer
Als een oude man die een illusie heeft
Nagejaagd alle omgang nu is verleerd
En dorst heeft gulzig snakt naar de roes
Van mond op huid op lippen ontspannen
En nat nat van kwijl van zin nat van gemis
Ik ben toen zo ver zo diep inwaarts gegaan
En heb geen mens gezien buiten de zwarte
Resten van een verkoold lijf een zakdoek
Voor mijn mond gedaan voor ik straks stik
Ik dacht dat je teleurgesteld zou zijn boos
Dat ik de opdracht van mijn droom verkoos
Eerst na vele lange jaren weer bij je terugkeer
En onderweg in al die tijd niets gevonden heb
Waarmee ik je compenseer en troost mogelijk herwin
Ik loop met verweerde lege handen het weidse land in
Adem rook en denk doemgedachten nu dood
Zo dichtbij is ik de weg vergeten ben en ervaar
Als was het weten dat misschien toentertijd al jij
Nog voor ik uit de haven wegvoer bent omgedraaid

Beest

En hij rent, het beest, als voor het eerst treedt hij buiten de afgebroken omheining de wereld binnen die tot voor kort hij enkel nog van kijken kende en buiten zijn macht gebracht, als was het een waan, de kern van wat hij wilde, werd een irreële werkelijkheid, zo nabij, dat hij haar haast aan kan raken, en nu, nu hij wordt opgejaagd, dringt hij vlot in haar binnen, gaat in haar op, valt ten slotte met haar samen, weet dat hij niet meer terug kan, noch wil, rent, blijft rennen, kijkt nog voor noch achter zich.

Mischa Andriessen (1970) is dichter. Hij werkt momenteel aan zijn vijfde bundel, vooralsnog getiteld Het drogsyndicaat. Daarnaast publiceert hij met regelmaat in verschillende media over beeldende kunst en jazz.

Meer van deze auteur