Lopende zaken

De internet gids

Alles komt terug

Marie-Noëlle Veys

De supermarkt, een prozaïscher plaats is nauwelijks denkbaar; we komen er bijna elke dag en vertrekken liefst weer zo snel mogelijk. In ‘Alles komt terug’, een tekst die zich nog het best als een supermarktdagboek laat omschrijven, opent Marie-Noëlle Veys deze non-plaats met haar literaire blik. De supermarkt wordt zo een metonymie voor de naoorlogse geschiedenis, voor onverwachte ontmoetingen en voor solidariteit. “Wanneer ze mijn flespompoen weegt en ik doornat, nors en moe van de vierde werkdag deze week mijn boodschappen inlaad, vraagt ze tot mijn verbazing: Weet u hoe u die kan klaarmaken? Na acht jaar stilte kan zo’n uitspraak tellen.”

Joakim Derlow

MAANDAG

’s Avonds passeer ik na het werk de supermarkt die op de weg naar huis ligt. De kassiers daar zijn van die uitstervende exemplaren die doorgaans goedgezind zijn en die honkvast hun leven lang kassiers blijven. In de tijd dat ik zes dagen per week al acht jaar lang de kleine supermarkt frequenteer, is er gradueel een soort van verwantschap ontstaan met de kassiers. Inclusief de karakteristieken en bonte verscheidenheid die er binnen verwantschap bestaan. Wie zal er vandaag aan de kassa staan: mijn nuchtere oma, mijn ernstige oom met de leesbril, mijn neef die op Suske lijkt, mijn babbeltante, mijn zwijgzame verre Poolse tante of mijn knappe nicht?
Het is, zoals meestal, niet druk in de supermarkt, slechts een van de drie kassa’s is geopend. Ik leg mijn aankopen op de band. Aan de kassa staat mijn nuchtere oma. Ze eet elke morgen een banaan tegen de krampen. Yoghurt die overtijd is, verklaart ze, kan u zeker tot een week na het verstrijken van de houdbaarheidsdatum houden. Ik krijg een cox-appel cadeau van de winkel, waarbij ze me aanraadt om die in de pan klaar te maken en bestrooid met cassonadesuiker samen met een boterham op te eten. Het arme mensenvoedsel van vroeger, voegt ze tot slot nog aan het recept toe.
Koopt u nu water in glazen flessen?
Ik knik.
Vroeger kochten we allemaal glazen flessen. Alles komt terug. Als u zo oud bent als ik, zal u dat nog wel merken.
Misschien moet u daarover eens schrijven. U schrijft toch?

DINSDAG

Naar de supermarkt om de hoek rijd je niet met de auto. Er is wel een vrouw als porselein die met de taxi komt. Voor haar alleen worden de boodschappen door de kassiers in de taxi geladen.
De supermarkt dateert van 1922: het begon als een kruidenierszaak gelegen in een voormalige wassalon, daarna werd hij uitgebreid met de bakkerij die leeg kwam te staan twee huizen verder, en ten slotte kreeg hij zijn huidige oppervlakte toen ook de kantwinkel ertussenin vrijkwam. De uitbreiding van de supermarkt is zo’n voorbeeld van de typische Vlaamse voorliefde voor koterij: een eerste triomf van de overwinning van de supermarkt op de kruidenier, de slager en de bakker. Thans ligt hij er haast als een anachronisme bij tussen de nieuwe buurtwinkels, de Poolse en Joodse winkels, een kruidenier en de ‘echte’ supermarkten.
Destijds was de winkel gehuisvest in eerst één, toen twee en vervolgens drie herenhuizen. Thans ligt hij in zo’n aartslelijk appartementsblok uit de jaren zestig, met aluminium raamlijsten en kale gevels zonder enig ornament: een toonbeeld van het functionalisme in de jaren dat schoonheid in dienst stond van doelmatigheid. In die tijd moet deze supermarkt zijn hoogtijdagen hebben beleefd.
De winkel die onlangs grondig werd gerenoveerd en toch gedateerd blijft, zoals dat vaak bij de niet zo supergrote supermarkten gaat, is nu voorzien van energiebesparende ledverlichting en lagere rayons, zodat, luidt de uitleg van de winkeleigenaar in de plaatselijke krant, de klanten het overzicht kunnen bewaren. Ik heb dan weer gehoord dat de verlichting en de plaats van producten in een supermarkt een marketingtechniek zijn om klanten tot impulsaankopen aan te zetten.
Wanneer ik met mijn winkelmandje langs de rayons dwaal, kom ik eerst mijn ernstige oom tegen, de voormalige eigenaar. Met zijn bril op het puntje van zijn neus noteert hij ijverig, terwijl zijn blik over het fruit en de groenten glijdt. Ik doe zijn vrouw de groeten. Verderop zeg ik dag tegen mijn neef, die op Suske lijkt door de krul in zijn zwarte haar. Op zijn knieën vult hij een voorraad voorverpakt vlees aan. Ik weet nog maar kort dat het al generatie na generatie een familiezaak is en dat de ene de vader is en de andere zijn zoon.
In het interview in de krant naar aanleiding van de renovatie prees de zoon aan: ‘Meer dan achthonderd producten, met de nadruk op vers, en een koosjer en een Pools aanbod.’
Ik feliciteer hem met de renovatie en het interview in de krant en rijd met mijn winkelmandje verder langs de rekken.
Meer dan achthonderd producten is nog altijd niet veel. Als ik naar een van de grote supermarkten verderop in de stad ga, word ik overweldigd door het enorme aanbod en slaat de keuzestress toe. ‘Slechts achthonderd producten’ garandeert dat ik geen impulsaankopen doe. Een winkel met ‘slechts’ achthonderd producten staat in deze tijd en Westerse plaats van overaanbod bij mij aangeprezen als een haast epicuristisch genot. Dat alles in mijn supermarkt binnen de perken blijft, maakt hier winkelen heilzaam en tot een weldaad voor mijn rusteloze geest.

WOENSDAG

Ik ben dankbaar dat hij bestaat: de supermarkt om de hoek. Op woensdag nog het meest van alle dagen. Ik rep me dan van mijn werk langs de supermarkt, want om zeven uur begint mijn yogales.
De supermarkt is een naoorlogs product dat een antwoord moest bieden op ons toenemend tijdsgebrek. Aanvankelijk specifiek voor de vrouw (die sinds de Tweede Wereldoorlog ook steeds meer buitenshuis gaat werken) vestigden kruidenier en slager samen met de drogist zich onder één dak. Later verdween de slager en kwam er het voorverpakt vlees en het industrieel maar ‘versgebakken’ brood bij.
Aan de kassa staat vandaag mijn babbeltante, de kassierster die al die acht jaren dat ik hier kom ontzettend lange haren heeft. Ze is de meest spraakzame van allemaal, zodat de rij aan de kassa vandaag wat langer is dan anders. Als ze mijn aankopen scant en ik mijn boodschappen wil inladen, stel ik vast dat er iets veranderd is: haar haren zijn kort geknipt. Ik complimenteer haar met haar nieuwe kapsel. Ze zucht, zegt dat iedereen altijd denkt dat lang haar veel werk is, maar dat ze nu pas veel werk heeft om ’s morgens alles in model te krijgen. Het föhnen, de gel of de haarlak nemen veel tijd in beslag en dan ligt haar haar nog niet goed en moet er nog een speldje in, waarmee ze zich een kind voelt. Ik beaam dat ik lang haar inderdaad een stuk gebruiksvriendelijker vind. Maar u ziet er goed uit en uw haar ligt wel goed, voeg ik er haastig aan toe. Dank u, zucht ze. Ik ben moe. Vandaag dweilde ik de winkel toen een klant over mijn net gedweilde vloer stepte. Ik vroeg hem of hij eens wou ophouden met door mijn living te steppen. Als ik al denk dat mijn werk mijn thuis is, dan is het dringend tijd om naar huis te gaan.
U zou yoga moeten doen, raad ik haar aan. Dan komt u tot rust.
Ik doe yoga, antwoordt ze.
Daarop wisselen we enthousiast weetjes uit over Asanas (yogahoudingen), van Surya Namaskar (zonnegroet), Adho Mukha Svanasana (neerwaarts kijkende hond) tot Ananda Balasana (gelukkige babyhouding). Achter mij zucht iemand geërgerd. Mijn kassierster is opgehouden met het scannen van mijn aankopen, ze gaat helemaal op in ons gesprek. Voor de haastigen onder ons – ik ben even uit het oog verloren dat ik ook gehaast ben – is er redding op komst. Kassa twee gaat open, waarop de hele rij klanten na mij voor kassa twee kiest, zodat wij nog even verder kunnen keuvelen.
Dezelfde avond, na de mijn yogales, kom ik haar op straat tegen. Ze stapt de nachtwinkel buiten. In haar plastic zak zit een blik Cara-pils.
Ik neem me voor nooit meer mijn geduld te verliezen als zij aan de kassa een gesprek wil voeren.

DONDERDAG

Voor mij aan de kassa schuiven drie werklui aan, nog in plunje, met de verfspatten op hun broek. Hun aankoop: vierentwintig blikjes Cara-pils. Ze spreken een taal die ik niet versta, ik vermoed dat het Pools is. Aan de kassa spreekt de kassierster hen in dezelfde taal aan.
De ingeblikte boterhammen blijken erg goedkoop te zijn, goedkoper dan mijn zes liter glazen flessen water. Aan Cara kleeft een heel ander etiket dan bijvoorbeeld Jupiler, dat ik associeer met voetbalwedstrijden, samenzijn en vrolijkheid. Cara is voor mij de drank van de zwerver op de stadsbank en van de Poolse werkmannen die hier ver van hun familie zijn en sinds kort ook van de kassierster, mijn babbeltante die ik ’s nachts bij de nachtwinkel aantrof.
Ik heb de Poolse kassierster graag omdat ze snel werkt en omdat ze niet meer dan de hoognodige woorden wisselt. Ideaal voor mijn zwijgzame dagen.
Wanneer ze mijn flespompoen weegt en ik doornat, nors en moe van de vierde werkdag deze week mijn boodschappen inlaad, vraagt ze tot mijn verbazing: Weet u hoe u die kan klaarmaken?
Na acht jaar stilte kan zo’n uitspraak tellen.
U moet de pompoen enkele minuten in de microgolf opwarmen, dan gaat de schil er zo af en vervolgens in de oven klaarmaken met honing. Erg lekker.
Ik loop een stuk opgeruimder door de automatische deuren de natte avond in.

VRIJDAG

In zeven haasten overloop ik mijn boodschappenlijst. Ik heb nog couscous nodig, niet de fijne, maar parelcouscous, de dikkere Siciliaanse versie. Een paar jaar geleden heb ik die dikkere couscous toevallig ontdekt, niet in de rayon van de droge voeding, maar in de afdeling koosjere producten. Terwijl ik de parelcouscous in mijn winkelmandje laad, realiseer ik me dat het godverlaten is in de supermarkt. Het is het uur tussen hond en wolf, het weekend staat voor de deur. Je zou verwachten dat het aan de kassa volop avondspits zou zijn, maar er is geen mens te bespeuren Aan de broodafdeling tref ik de kassier-babbel-ster aan, die met de slang van de stofzuiger de kruimels in de broodschuiven opzuigt, terwijl ze een lied neuriet. Zou ze zich weer in haar living wanen?
Waar is iedereen? vraag ik haar.
Het is vrijdagavond, legt ze me uit alsof dat alles verklaart. De zon is onder, voegt ze eraan toe.
Nog steeds staar ik haar aan.
Het is sabbat.
Eindelijk begrijp ik haar. Inderdaad ze ontbreken: de mannen met hun zwarte hoeden die bij regenweer met een plastic zak omwikkeld zijn, de vrouwen met een paar koters aan hun rokken, de kinderen die er door hun moeders op uitgestuurd zijn met een lege buggy die dienst doet als boodschappenmand waarin hetzij pampers, een dozijn pakken suiker of twintig pakken tissues geladen zijn – vooral die tissues tarten mijn verbeelding.
Als ik naar huis wandel, zie ik voor vele ramen een paar kaarsen van de zevenarmige kandelaar branden. Omwille van de vervolgingen waarvan de Joden de geschiedenis lang het slachtoffer waren, gaan hun synagogen vaak schuil achter de gevel van gewone huizen. Ondertussen ken ik ook de synagogen in mijn buurt: doordat er betonblokken voor de ingang staan en camera’s hangen, en doordat er op bepaalde uren van de dag opvallend veel fietsen voor de deur staan, waarvan een heel aantal Hollandse damesfietsen met kinderzitjes.
Een jonge vrouw met een Duits-Jiddisch accent spreekt me aan. Ze stond me in haar deuropening op te wachten: of ik het licht bij hen wil aansteken. Ik volg haar naar binnen en ik schakel in hun badkamer en een voorraadkamer de lichten aan.

ZATERDAG

Het gekrijs van de meeuwen heeft me gewekt en ik ben meteen in jubelstemming. Het is nog vroeg, het moment om vis te kopen op de markt. Zoals Virginia Woolf graag onopgemerkt zwierf door de straten van Londen, vrij, zo zwerf ik graag door Antwerpen. Haar excuus: de aankoop van een potlood; het mijne: verse vis. Onderweg naar de markt kom ik voorbij veel nieuwe zaken waar voordien lang leegstand was. Ze herleeft mijn buurt. Ik zwaai naar de jonge schoenmaker die met een sigaret in zijn mond en een schoen in zijn hand terugzwaait. Er is de koffiebar waar ze me kennen en waar ik met rust gelaten wordt. Er zijn de tweedehandskleding- en boekenwinkels waar ik ongestoord kan snuisteren. Al zal ik straks vluchten voor de zaterdagdrukte, te voet vele malen sneller dan de auto’s die van alle kanten de stad komen bezetten. Van tijd tot tijd wordt er als om ter luidst ongeduldig in crescendo geclaxonneerd en doen gestresseerde chauffeurs zichzelf en elkaar de duivel aan door kruispunten te blokkeren en onverwacht te manoeuvreren. Reeds in de negentiende-eeuwse literatuur werd het leven in de grootstad beschreven als anoniem, druk en belaagd. Al was het niet allemaal negatief. Schrijvers zoals Baudelaire en Woolf ervaarden de stad als een bevrijding. Het is de mix tussen vrijheid en vertrouwdheid die het leven in de stad zo mooi voor mij maakt. Ik heb mijn vrijheid en ik heb mijn kassiers. Deze bekenden zijn mijn elixir tegen vereenzaming en onrust, die niet alleen in de stad, maar ook in de rand en in de dorpen welig tieren.
Met deze bedenking rep ik me even voor zes naar mijn supermarkt. (Op zaterdag sluit de supermarkt om zes uur.) Daar zit een van mijn kassiers, mijn knappe nicht, in een kapel van rust ver weg van de zaterdagse helse stadsdrukte, als een echte helderziende, een broodnodige psycholoog, biechtvrouw, die net voor sluitingstijd de juiste woorden vindt, een wijze vrouw die weerwoord weet tegen de stress die zich ook op deze vrije dag meester van mij wist te maken. In tegenstelling tot zowat alle andere mensen om me heen heeft ze geen smartphone bij de hand, waardoor ze nog gewoon is om een echt gesprek te voeren en een gemeend luisterend oor te bieden voor iedereen die er nood aan heeft.

ZONDAG

Zoals elke eerste zondag van de maand is de intocht naar de stad bezig als ik ’s ochtends tegen de stroom in de stad verlaat. Ik ga de hele tijd rechtdoor totdat ik uitkom in het dorp waar mijn ouderlijk huis staat. We wonen op dezelfde steenweg, mijn ouders in het dorp, ik in de stad: de Mechelsesteenweg. Deze verbindingsweg die van oudsher Antwerpen met Mechelen verbindt, verbindt mij met mijn ouders.
De bouillabaisse die ik heb gemaakt van de vis van de markt, staat te pruttelen.
Komt alles terug? vraag ik mijn ouders.
In de jaren zeventig lagen er in de supermarkten papieren zakken, vertelt mijn vader, totdat daartegen fel protest ontstond omdat er te veel bomen sneuvelden. Daarna werden alle papieren zakken vervangen door plastic zakken.
Morgen is het maandag.

Marie-Noëlle Veys (1982) schrijft proza. Ze studeerde in 2015 af aan de Academie voor Muziek en Woord van Antwerpen (afdeling Borgerhout) met de verhalenbundel Wet van de uitgesloten derde. Daar volgt ze momenteel de vervolgopleiding literaire facetten. Als jurist is ze geïnteresseerd in mensenrechten en publiceerde ze wetenschappelijke bijdragen.

Meer van deze auteur