Lopende zaken

De internet gids

Blijf de kou wegstrijken

Nadh Lingyun Cao, Joris Koptod Nioky, Chris Lomans

Eind deze maand komt het chapbook ‘Blijf de kou wegstrijken’ van Chris Lomans uit bij Wintertuin Uitgeverij! DIG mocht er ter voorpublicatie een fragment uit publiceren. Kunstenaars Nadh Lingyun Cao en Joris Koptod Nioky werden gevraagd te reageren op het onderstaand werk van Chris Lomans. Ze hebben dit gedaan met een auditieve bijdrage waarin de ruimte en tijdsbeleving in geluid wordt opgeroepen. Deze soundscape kan beluisterd worden tijdens het lezen van de tekst.


     Er is een lichaam waar we voor moeten zorgen. Het ligt in de hut in het bos naast het dorp. Als je voor de bakker staat en naar de besneeuwde bomen op de heuvel kijkt, kun je de hut net tussen de takken door onderscheiden. Het lichaam is hier al zolang we ons kunnen herinneren.

We staan op het strand en kijken uit over de bevroren zee. We zijn opgeleid als vissers, maar daar komt weinig van terecht. Het is helder. We kijken naar een zeemeeuw, die hoog in de lucht voorbijschiet. We vragen ons af waar die aan zijn eten komt. Een klok luidt. We werpen nog een laatste blik op het ijs. De zon weerkaatst op het oppervlak en schijnt fel in onze ogen, die we tot spleetjes knijpen. We draaien ons om en lopen terug naar het dorp.

Twee van ons hebben het lichaam naar de trap van het dorpshuis gedragen, op een bed van planken en dekens. Het ligt daar tussen ons in, met de ogen dicht. Zodra iedereen is aangesloten, tillen we met z’n vieren de baar weer op. Dan beginnen we te lopen. Het is niet statig. Er wordt gekletst, maar niet op luide toon. Via de dorpsweg lopen we naar de rand van het dorp, en dan om het dorp heen, langs de zee, voor we bij de bakker het dorp weer ingaan. We nemen er de tijd voor. We lopen niet harder dan we willen. Als we weer bij het dorpshuis aankomen, leggen we de baar voor de trap neer. Twee van ons dragen het terug naar de hut. We verspreiden ons. Over een paar dagen zal het op precies dezelfde manier weer gebeuren.





‘Nu ik lig voel ik pas hoe moe ik ben,’ zegt ze.
Jullie hebben jullie schoenen uitgetrokken en liggen op bed.
‘Je hoeft helemaal niets,’ zeg je.
Ze ligt op haar rug en jij op je zij, tegen haar aan. Je houdt haar vast terwijl ze tot rust komt. Dan trek je haar shirt zachtjes omhoog en leg je je hand op haar buik. Je streelt haar buik, vanaf haar navel, langs haar ribben. Voordat je bij haar borsten aankomt, duwt ze je weg. Ze draait je op je rug en trekt je jurk omhoog. Kust jouw buik. Haar handen glijden naar je borsten. Ze zoekt met haar tong je tepels op.





Als kind, in de winter dat je het huis niet uit durfde, had je een droom. In de droom ontmoette je een jonge vrouw. Jullie hoorden bij elkaar. Je was zo blij en trots dat jullie elkaar hadden gevonden. Ze nam je mee naar een donkere plek, hol en koel als een ondergronds meer. Maar het was niet ondergronds, het was hoog in de lucht. De wand van de grot was een donkere sterrenhemel. Er waren anderen. Jullie zweefden. Ringen cirkelden om jullie heen, alsof jullie planeetjes waren. Zilveren ringen met punten, zoals je een ster zou tekenen. De ringen draaiden om elkaar heen en vormden een bol rond je lichaam. Jij en de vrouw zochten elkaar op. Ze was ondertussen geen vrouw meer, maar een entiteit. Jullie zweefden naar elkaar toe. Om elkaar heen. Tot jullie bollen elkaar raakten. Overlapten. Jullie kwamen in elkaar. Jullie versmolten. Maar de versmelting was niet vast. Jullie bewogen in en uit elkaar.

De tijd verstreek niet, maar op een gegeven moment was het ineens klaar en bracht ze je weer terug. De weg naar huis liep over een besneeuwd strand. Je droeg haar, om haar zo dicht mogelijk bij je te houden, maar zij was degene die jou begeleidde. Voor jullie uit liep een jongetje dat sneeuwballen naar je gooide. Dat was irritant, maar je stond erboven. Het lichaam dat je droeg was belangrijker. Ze zette je af bij je ouderlijk huis, in de achtertuin. Ze zat bij je op schoot op de schommel. Jullie zoenden. Je voelde haar tong in je. Het was nog donker, maar het zou bijna ochtend worden. Je wilde geen afscheid van haar nemen. Je werd wakker voor je dat hoefde te doen.





‘Het voelt alsof ik een triootje heb gehad,’ zegt ze.
Je ligt tegen haar aan, met je hoofd op haar schouder. Jullie hebben allebei nog een paar kledingstukken aan.
‘Ik stelde me voor dat ik een man aftrok terwijl een vrouw me likte. Ik kan een triootje hebben terwijl ik alleen met jou in bed lig.’ Ze drukt een kus op je kruin. ‘En om je benen zo aan te raken. Dat is ook zoiets.’ Ze praat verder. Je krijgt het koud en trekt je jurk weer naar beneden. Na een tijdje valt ze stil. Jullie zwijgen. Ze legt een hand op je wang.
‘Ervaar je mij als een man als je me aftrekt?’ vraag je. Met haar duim streelt ze je jukbeen.




     Soms is het net alsof het lichaam er niet is. Je kunt het makkelijk vergeten. Soms zijn we het daadwerkelijk vergeten. Maar toch is er altijd weer iemand die het zich herinnert. Die iemand anders aan de arm trekt en samen met die persoon naar de hut loopt. En dan komt heel het dorp in beweging.

De dagen vullen zich met steeds dezelfde bezigheden. Het bos in gaan om bessen, wortels en granen te vinden. Gebouwen en hekken repareren. Er zijn dagelijkse problemen die moeten worden opgelost, maar er is niet echt een taakverdeling. Wie een probleem ziet, is er verantwoordelijk voor. Aan het eind van de middag, als iedereen klaar is met werken, wordt het drukker bij het dorpshuis. We hebben onze levens, los van het lichaam. Het strand is eigenlijk altijd uitgestorven.

Het lichaam reinigen met een warme, vochtige doek.

Het lichaam op de baar leggen.

Het lichaam bedekken met de deken.

De baar van de hut naar het dorpshuis dragen.

Daar staan we al te wachten.