Ze zou kunnen beginnen met te zeggen dat de zon al laag stond toen ze hier aankwam. Dat de hotelier zo vriendelijk was haar te helpen haar bagage naar boven te brengen. En iets over haar eerste indruk van het dorpje, het hotel, de waterval vlakbij. Maar ze ziet nooit zoveel. Een van de dingen die ze zich heeft voorgenomen toen ze besloot een paar dagen te gaan wandelen, is beter om zich heen te kijken. Iets erváren, zonder er te veel bij na te denken.

Ze opent de deuren naar het kleine balkon, waar net ruimte is voor een stoel en een klein tafeltje. Wat zegt haar hardlooptrainer? Langer uitademen dan inademen. Vorige week moest ze van hem een minuut lang bijhouden hoe vaak ze in- en uitademde. Ze stond het stilletjes te doen, in haar niet-waterafstotende jack, terwijl hij tegenover haar stond met zijn stopwatch. Ze ademde, telde. Hoe lang kan een minuut duren? Zestien ademstoten. Ze dacht dat hij versteld zou staan van haar rust, dat hij haar zou complimenteren: je ademt als een dode, maar het tegendeel bleek waar. Acht is normaal, zei hij. Als ze weer terugstapt de kamer in, beseft ze vergeten te zijn naar het uitzicht te kijken.

Wat ze ook zou kunnen opmerken is dat het niet bepaald afkoelt eind van de dag. De ­hotelier had haar een plattegrondje gegeven van het dorp, haar gewezen op een aantal restaurants waar ze later op de avond terecht zou kunnen. Het zou niet druk zijn in deze tijd van het jaar, maar als ze het op prijs stelde zou hij voor haar kunnen bellen. Bij het hardlopen kan ze de verschillende gedaantes van zichzelf eruit lopen, maar nu ziet ze nog maar één personage voor zich. Het type vrouw-alleen dat zich verschuilt achter haar zonnebril, smartelijk uit het raam tuurt of zogenaamd verzonken is in een verhalenbundel van Alice Munro. Daar zit ze als in een schilderij van Hopper op een hotelbed, een koffer aan haar voeten vol praktische kleding en schoeisel waarmee ze morgen de bergen in gaat, al is bergen misschien een groot woord. Ze hoopt dat het een groot woord is. Als ze zou beginnen met eens om zich heen te kijken, zou ze zien dat het een groot woord is.

Haar oog valt op een wit foldertje naast de waterkoker, een gotisch lettertype op de voorkant omringd door een doornenkrans, bij nader inzien is het lieflijker. Er zitten roosjes tussen de doornen. ‘Mon Dieu,’ staat er in maagdelijk blauw. ‘Donnez-moi la Serenité d’accepter les choses que je ne puis changer, le Courage de changer les choses que je peux, et la Sagesse d’en connaître la Différence.’ De regels resoneren in haar hoofd, vinden de vertaling. God, schenk me kalmte om te aanvaarden wat ik niet kan veranderen, moed om te veranderen wat ik wel kan veranderen en wijsheid om het verschil hiertussen te zien. De eerste keer, ander tijdvak, ander buitenland, las ze de regels in het Engels, en schreef ze ze over. Het ging haar vooral om het laatste deel: geef me de wijsheid om het verschil te weten tussen waar je wél en níét iets aan kan doen. Ze stuurde ze naar degene met wie ze dacht iets moois te delen.

O dát, was de reactie.

Het bleek iets te zijn. Iets afgeklovens. Vaak gebruikt in het twaalfstappenprogramma voor verslaafden die van erkenning naar ontwenning moesten worden geleid.

Ze had zich vergist. Ze had niet iets ontdekt, ze had een cliché omhelsd.

Als ze er oor voor zou hebben, zou ze horen hoe de vogels buiten aan hun avondlied zijn begonnen. In het Frans kan ze opnieuw niet om de regels heen. Ze spreken tot haar. Ze zou ze zomaar weer kunnen overschrijven in haar aantekeningenboekje dat tussen de wandelsokken en blarenpleisters ligt. Ze vouwt het foldertje met de doornenkrans open, het rept van een natuurwonder aan de rand van het dorp, zeven bronnen op een rij. In de twaalfde eeuw is er om dat wonder te eren een kerkje gebouwd, waarvan de kapel het heeft overleefd. Er staat een afbeelding bij van fresco’s, poederig rood en goud.

Voordat ze het zelf beseft loopt ze vóór het hotel langs, het dorp uit. Op haar teenslippers, zonder vest of water, niks. Op een richtingaanwijzer is met een sierlijk icoontje de kapel aangegeven. Had ze gekeken, dan had ze gezien dat het nog een flinke wandeling zou worden. Zalig zijn de onwetenden, zullen we maar denken. Het is iets was zijzelf graag denkt. Wat ze wel weet: dat ze over de stenen brug loopt die iedere gids over deze streek vermeldt. Uit alle macht probeert ze zich te herinneren wat er zo bijzonder was aan deze brug. Kijk gewoon, zegt ze tegen zichzelf. Beslis zelf of je iets bijzonders ziet.

Ze had het opgezocht toen, die twaalf stappen. Het klonk als iets waar ieder mens iets aan zou kunnen hebben, verslaafd of niet. Bij de eerste stap geef je toe dat je leven stuurloos is geworden, bij de derde geef je je over aan een hogere macht, zo simpel was het. Wat een hogere macht was, kon je zelf invullen, althans zo denkt zij erover. Een hogere macht staat wat haar betreft gelijk aan een hoger plan dat je ook zomaar kunt vinden in een wandelgids: loop anderhalve kilometer rechtuit en neem bij de T-splitsing het zandpad links dat licht stijgend het bos ingaat. Bij de vijfde stap zie je je fouten onder ogen: je bent te snel linksaf geslagen, zo simpel kan het zijn. Het hele idee van het stappenprogramma is juist dat je het cliché aanvaardt: je bent een mens net als ieder ander, niet meer niet minder, erken het gewoon. De roze lak van haar teennagels is aan het afbladderen. Weten wat je wel en niet kunt veranderen is wat haar betreft net zoiets als weten wat het verschil is tussen wel en niet iets onder ogen te hoeven komen. Morgen heeft ze haar wandelschoenen aan en ziet ze die hele tenen niet meer.


Haar wandelgids heeft het over gestaag klimmen en dalen onder een hemelsblauwe lucht. Dat het nergens technisch moeilijk zal worden. Dat er telkens een beloning wacht in de vorm van een schitterend uitzicht, dat geen dag hetzelfde zal zijn. Er worden rotsige hellingen beloofd, met bloemen bezaaide velden. Nu is ze in een van de vele kleine plaatsjes waar de gids ook al zo lyrisch over is, dorpjes vaak al in de middeleeuwen gesticht, met onooglijke kapelletjes die zomaar de mooiste fresco’s bergen, zo staat het er. Dat is toch wel echt het wonder. Zo lees je erover, zo bén je er, kruip je als een glimwormpje over die aardbol, een spoor van glinstering achterlatend.

Had ze de ene boom van de andere kunnen onderscheiden, dan had ze gemerkt dat de platanen langs de kant van de weg al langere schaduwen wierpen. Instinctief is ze al een tijdje aan de andere kant gaan lopen, waar de zon haar armen nog weet te vinden, haar blote benen. Haar telefoon is voldoende opgeladen, en ze heeft bereik, ook dat kun je tot de godswonderen rekenen, al kun je je afvragen of iets een wonder genoemd mag worden als de begunstigde het zelf niet in de gaten heeft.

Bij de negende stap toon je berouw aan de mensen die je schade hebt berokkend. Ze proeft het woord berouw, het is een zusje van spijt, iets waar ze zich altijd verre van heeft gehouden. Denkt ze aan haar leven dan probeert ze de streep voor ogen te houden die degene met wie ze iets moois dacht te delen voor haar ogen trok, denkbeeldig, op de krant die tussen hen in op tafel lag. ‘Kijk,’ had hij gezegd, zo ver mogelijk links op de krant met zijn vinger een stip plaatsend, ‘hier word je geboren.’ Handbeweging iets naar rechts, volgende stip. ‘En daar ga je dood.’

Ruth van Beek

De kat was op haar schoot gesprongen, wrong zich in alle bochten om maximaal geaaid te worden. Op zich hield ze ervan als mensen iets voor haar uittekenden. Sterker nog, ze raakte ervan in trance. ‘En hiertussen…’ Hij trok een streep tussen de twee stippen. ‘…gebeurt het. Meer is het niet.’ De kat lag ondertussen op zijn rug, wat het aaien bemoeilijkte. Te veel aanraking op zijn buik kwam je op felle beten in je hand te staan. Het klonk zo logisch toen, zo heerlijk afdoende, maar nu ze al lopende bezig is te erváren, en niet alleen maar te denken, vraagt ze zich af welke opluchting schuil moet gaan in de voorstelling van het leven als een streep tussen twee punten.

Als je dan toch strepen gaat trekken, zou je er dan niet minstens eentje bij moeten zetten? Ze kriebelt aan haar armen, benen, het zijn onweersvliegjes misschien. Je feitelijke leven en het leven dat je in je hoofd leidt. Misschien nog maar een streep erbij: het leven dat je had kúnnen leiden. Het heeft verder niets met spijt te maken, of met groener gras bij de buren, maar gewoon. Er zijn risico’s vermeden, of juist opgezocht. Er is een huis betrokken, en een ander huis niet, een boek geschreven of juist niet, een liefde trouw gebleven, een kat dood, een nieuwe gevonden. Misschien is het ook wel een cliché, dat er minstens twee levens zijn, twee paden. Alsof je altijd het ene pad neemt, en het andere niet, in plaats van twee paden tegelijk. Of drie. Er was toch geen onweer voorspeld?

Ze merkt aan haar ademhaling dat ze aan het klimmen is. Zolang er af en toe een richtingaanwijzer staat met het bekende icoontje maakt het haar niet uit. Ze voelt wel iets schuren, onder haar linker grote teen. Wat een grap dat zou zijn, zich aan de vooravond van de echte wandeling al de blaren op de voeten lopen. Dat ze de echte wandeling zou moeten laten voor wat die is, omdat ze haar schoenen niet meer aankrijgt. De niet-gelopen wandeling zou op een andere streep terechtkomen, de streep van het gedroomde leven. Ze stelt zich een streep voor die je misschien geen streep kunt noemen omdat hij kronkelt, maar die wel schoon is, in de Vlaamse betekenis van het woord. Schoon omdat het niet-geleefd is, maagdelijk is gebleven. Ze zou altijd kunnen denken dat ze een van de mooiste wandelroutes van Europa nog tegoed had, in plaats van dat ze morgen zou constateren dat het wel meeviel met die panoramische vergezichten. Of dat ze zou verdwalen, te pletter vallen, omkomen.


Ze heeft in het hotel net haar handen en gezicht gewassen, maar is vergeten een slok water te nemen. Al die dingen die je doet, omdat je denkt dat ze essentieel zijn. Al die ­dingen die je nalaat, omdat je vergeet dat ze essentieel zijn. Als ze straks op de top van deze heuvel is, dan zal ze de kapel kunnen zien liggen. En waar een kapel is, is water, zo zit het echte ­leven in elkaar, een rechte streep verbonden door duidelijke punten. Haar slippers maken het vertrouwde geluid, maar ze begint nu ook last van een plekje onder haar rechterteen te krijgen. Morgen zal ze des te beter voorbereid zijn. De gids die ze dan in de hand heeft, beschrijft de te lopen route tot in detail, geen slinger in de weg wordt aan het onbeschreven toeval overgelaten, precies zoals ze dat het liefst heeft. Wandelen, laten we wel wezen, is het betreden van gebaande paden terwijl je je een vrije geest kunt wanen. Ik ben niet zomaar wat aan het kuieren, ik loop. Ik volg een plan. Moet ik die berg op? Oké, dan ga ik die berg op. Ik loop zoveel kilometer, daar staat zoveel uur voor, dit is voor medium gevorderde lopers, straks is het allemaal weer volbracht. Als ze om tien uur ‘s ochtends begint, is ze om vier uur ‘s middags weer terug, ze heeft het uitgerekend. Als het drie uur is, kan ze denken dat het over een uur gedaan is. Als het morgen is, kan ze denken dat ze overmorgen weer thuis is. En overmorgen… Ze gaat van a naar b.

Er is altijd een b.

Is het menselijkerwijs mogelijk om acht keer in en uit te ademen in een minuut?

De keien op het paadje naar beneden zitten niet los, het lijkt alleen maar zo. Niet alles hoeft aan de wetten van het ergste scenario te beantwoorden. Misschien zal ze morgen de uitschuifbare wandelstok meenemen die ze op het laatst heeft gekocht, een felrode, om er nog iets leuks van te maken. Of om de reddingswerkers makkelijker op het spoor te zetten van haar lichaam, als ze met die stok in een ravijn is gestort. Had ze voor zich uit gekeken in plaats van naar die keien lopen turen die niet los zitten, nee ze zitten echt niet los, dan had ze nu niet zo hoeven schrikken dat ze tegen een ommuurd hofje aanloopt. Het is de opgang naar de kapel, en alsof er een teken van boven wordt gegeven dat het licht nu ook gedimd mag worden, zo schemerig is het opeens. Er maakt zich iets los uit de schemering, het is een mens en dat mens komt op haar aflopen, zegt iets in het Frans. Als ze niet meteen reageert herhaalt die het langzamer, en begrijpt ze dat ze te laat is, dat de deur naar de kapel net op slot is gedraaid.

Van erkenning is het maar twaalf stappen naar ontwenning, dat is het idee. Maar ontwenning is in feite een proces zonder begin en zonder einde. Alles moet opnieuw beleefd worden, zonder degene met wie je iets moois denkt te delen. De woorden en de beelden die ze tijdens dit uitstapje bewaart, zijn gewoon voor haarzelf. Kun je iets zien zonder dat er iemand naast je loopt die hetzelfde ziet, of juist net iets anders? Kun je iets onder woorden brengen als er niemand is om ernaar te luisteren en te zeggen dat je beter moet articuleren? Ze zou zichzelf nu toch echt voor de kop moeten slaan dat ze zo onvoorbereid op pad is gegaan, degene die het anders zou doen loopt nu niet naast haar. Die zei gewoon ‘goed idee’ toen ze aankondigde er een paar dagen op uit te gaan, en hij zei het geruststellend, zoals je praat tegen mensen van wie je weet dat ze niet ieder moment een fatale stap kunnen zetten, ook al wekken ze graag die suggestie. Hij had haar zelf nog de gids mee gegeven, kijk, de wandeling heeft maar twee pepertjes, dat betekent voor niet-heel-ervaren lopers.

Het Frans praten is moeilijker dan het Frans begrijpen. De vrouw, want dat is het, voert een kennelijk intense tweestrijd. Die zal iets te maken hebben met opvattingen van professionaliteit en medemenselijkheid. Misschien gewoon wel met christelijkheid. Hoe dan ook komen er een sleutelbos én een zaklantaarn tevoorschijn. De kapel wordt ontsloten en zijn schatten worden bijgelicht. Kunstlicht is uit den boze, de fresco’s zouden langzaam vervagen. Vervolgens is er geen ontkomen aan: een onderricht in het leven van Jezus in zo- en zoveel taferelen. Zijn het er twaalf? Nee zeg, veel meer. Ze houdt op met tellen zo gauw ze een voet over de drempel heeft gezet, op haar teenslippers.

De vrouw wijst en schijnt bij, en zij knikt. Maar knikken is niet genoeg. Vous voyez? Vous voyez vraiment? Ze moet laten blijken dat ze het ziet. Dat ze het snapt. Naarmate Jezus ouder wordt, is dat een dringender kwestie. Besneden. Is Jezus besneden? Volgens deze fresco, deze kapel, deze mevrouw wel. Vous le voyez? Oui oui, je le vois. Ze ziet het, echt. De duivel op de rug van Judas. Ja, ze knikt, ze zegt oui oui. Ze ziet de hoorntjes, de staart die zich om z’n stoel kringelt. De vrouw praat en wijst alsof zij de ­tableaus ook voor het eerst ziet. De kus des verraads, de doornenkrans, het kruis en de spijkers, oui oui. De hemel en de hel bewaart ze voor het laatst, ze laat haar zaklantaarn zakken en doet er even het zwijgen toe. Zo helder en stil als het is, zo plotseling ziet ze wat de vrouw haar wil zeggen. Zolang ze weet hoe van hier naar daar te komen, kan de reis niet te zwaar zijn. Ze ziet het, echt.

Marja Pruis (1959) is redacteur van De Groene Amsterdammer. Haar roman Zachte riten stond op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs en de ECI Literatuurprijs, haar columns werden bekroond met de J.L. Heldringprijs, voor Genoeg nu over mij ontving ze de Jan Hanlo Essayprijs en de J. Greshoffprijs. Haar laatste boek is Oplossingen. Het leven, mijn handreiking.

Meer van deze auteur