Ik sta midden in een woestijn, of misschien bevind ik me wel in de periferie, het is moeilijk zeggen. Er ligt zand voor me, achter me, naast me en ook boven mijn hoofd waait zand. Over mijn huid ligt een stoffige laag, mijn oren raken verstopt, in mijn mond hopen ruwe korrels zich op. Ik loop verschillende kanten uit maar kom telkens terug op eenzelfde plek. Er is weinig om aan vast te houden. Mijn huid is stug als leer, ik ben ruw en schuur. Mijn lichaam is verworden tot een onherbergzaam gebied. Ik zal moeten bewegen wil ik overleven en besluit te blijven lopen.


Vanuit een strakblauwe hemel schijnt de zon over de weilanden. Het is windstil, alles zwijgt. Mijn voeten tasten blindelings de grond af; wandelen over het asfalt alsmaar rechtdoor, langs het houten huis, staan kort stil. De buitenzijde van het huis is helderrood, in de ramen weerspiegelen luchtpartijen, de achtertuin bestaat uit een leeg weiland. Het huis is het enige in zijn omgeving, een baken in een weids landschap. Ik leg mijn hand op mijn krullen en voel mijn handpalm gloeien. Vlaktes zijn overzichtelijk maar verraderlijk.


Als kind tastten mijn voeten de graslanden af tot ze er op een dag in verdwenen. Na mijn voeten verdwenen mijn benen, na mijn benen mijn middel en armen. Langzaam ging ik kopje-­onder. Mijn vader rende op me af. Vol verbazing keek hij naar het gras dat mij in zich had opgenomen. Met zijn hand zocht hij mijn arm en trok me omhoog. Aan mijn schoenen kleefde modder, aan mijn lichaam hing groene alg. De aarde nam haar intrek in mijn keel. Ik proefde de zilte grond.


Mijn moeder noemt het de bruggenloop. Het pad wordt meerdere keren onderbroken door stroken groen water waarboven smalle bruggen een oversteek vormen. Relingen ontbreken; je moet recht vooruitkijken wil je niet in het water vallen. Ik wandel de bruggen over alsof ik op dungespannen koorden balanceer en kijk geregeld naar de weilanden rond me: het vergt oefening naadloos door een landschap te kunnen lopen. Op een aanliggend grasland wandelt mijn schaduw voor me uit. Soms maak ik een zijstap en vallen we voor even samen.


Wanneer ik met mijn ouders wandel doet het denken aan een avondvierdaagse. We trekken sportschoenen aan, nemen een slok water en sluiten het huis af. We lopen achter elkaar, degene die vooroploopt bepaalt het tempo. De route is in onze hersenen gegraveerd. Onderweg wijzen we bijzonderheden aan: een lucht die rood kleurt door een ondergaande zon, wilde ganzen die in een zwerm overvliegen, het geluid van wuivend riet dat aan een zee doet denken. Voor mijn moeder klinkt het wuiven als de Noordzee. Mijn vader vertelt anekdotes over een diepblauwe Middellandse Zee. In mijn oren klinken de zeeën hetzelfde. Soms besluit ik alleen op pad te gaan.


Op mijn voorhoofd parelt zweet. De zon licht steeds feller weilanden uit. Het is dagen achtereen heet. Ik loop sneller om de zon te ontwijken maar ze blijft me volgen. Ik wandel langs de randen van het pad de bocht om. Er komt een vrouw me tegemoet. We schrikken van elkaars aanwezigheid alsof we beiden dachten het landschap voor ons alleen te hebben. De vrouw is klein, heeft blauwe ogen en draagt op haar blonde haar een zonnehoed. Ze groet me vriendelijk en passeert dan met soepele tred.


Mijn vader zegt dat dit land ongekende warmtes kent, warmer nog dan in zijn geboorteland. Mijn moeder zegt dat dit land is opgebouwd uit water en dat alles altijd vochtig is. De luchtvochtigheid kan in de zomer zo hoog zijn dat het tien graden warmer aanvoelt. Mijn vader prijst de groene vlakte, het betekent dat er water is en waar water is, is leven. Mijn moeder knikt als vanzelfsprekend.


Op een van de houten bruggen staat een man. De randen van zijn zwarte haar zijn grijs, alsof hij langzaam de kleur aanneemt van de veelvoorkomende bewolkte lucht. Hij gaat op de rand van de brug zitten. Zijn voeten raken net het water aan. Zijn blik is op een rij knotwilgen gericht. De man buigt steeds verder naar voren richting de bomen. Bij het passeren groet ik. Hij lijkt me niet te horen dus groet ik nogmaals, luider dit keer. De man kijkt verschrikt op, knikt kort en probeert opnieuw zijn evenwicht te vinden.


Eenmaal bezocht ik mijn vaders geboortegrond. Het landschap was overwegend beige, er lagen bergen, de wind was warm. Mijn kuiten moesten wennen aan het oplopen tegen bergwanden. Op mijn huid vormde zich een stoffige laag. Alles in het landschap leek op elkaar, ik liep in cirkels. De mensen die ik tegenkwam begroette ik in stilte.


Des te langer ik loop, des te meer voorbijgangers ik passeer. Ik besluit elke voorbijganger te groeten: ouderen met ‘hallo’, jongeren met ‘hi’ of ‘hey’. Ze groeten allemaal terug. Een kind dat over een sloot springt en de overkant haalt moedig ik aan. Met het alg op zijn schenen lacht hij trots terug. Sommigen groeten zo uitbundig dat ik denk ze ergens van te kennen. Ik heb het idee in een dorp te zijn, maar in werkelijkheid ken ik niemand. Wanneer ik met mijn ouders voorbijgangers tref zeggen mijn moeder en ik steevast gedag. Iets wat mijn vader lange tijd vreemd heeft gevonden en ook nu nog vreemd vindt. Bij het groeten vraagt hij: ‘Ken je diegene?’ ‘Nee,’ zeg ik. ‘Maar dat hoeft ook niet, dat hoort bij het wandelen.’ Ik wil zeggen: wandelen is een vorm van herkenning, maar dat zou het alleen maar complexer maken. Mijn vader kijkt twijfelend om zich heen. Hij mompelt gedag, knikt of is stil. Ik zeg iedereen die we passeren luid gedag om aan te tonen dat ook ik deel uitmaak van dit landschap. Misschien heeft mijn vader die bevestiging niet nodig. Hij weet dat zijn wortels tussen de bergen liggen.


Ik wandel langs een rij knotwilgen die op exact dezelfde afstand van elkaar staan. De takken zijn zo gegroeid dat ze zich verstrengelen. Ik kies een imposante boom en trek er een tak vanaf. De smalle bladeren voelen droog aan, de randen krullen om. Knotwilgen gedijen niet goed in een warm klimaat.

NASA


Mijn vader is geboren in een dal tussen zandkleurige bergen. In de tuin van zijn familie groeiden tientallen olijfbomen. Een kleine oase in een droog gebied. In het midden van de tuin stond een duizend jaar oude boom: een dikke knoestige stam met vele vertakkingen. Als kind zat hij er regelmatig onder. Hij groeide met de boom mee tot hij vertrok. De wortels lagen te diep om op te graven dus trok hij er een stuk huid af. Op zijn nachtkastje bewaart hij nog steeds het stuk schors.


Het riet dat voorheen langs het pad wuifde ligt in bundels verspreid over de weilanden. Er komt een dampende geur vanaf. De polder is verkleurd van groen naar beige. Ik denk aan mijn vaders geboortegrond: alles bedolven onder een stoffige laag. Door het weiland aan de linkerkant verschijnt een asfaltpad. Ik twijfel of ik er eerder heb gelopen of dat het nieuw is aangelegd. Ik kan twee kanten uit. Wanneer ik achteromkijk zie ik in de verte het houten huis deinen in de warme lucht. Ik sla linksaf.


Lange tijd, en eigenlijk nu nog, heb ik aan de mensen in de polder willen laten zien dat de graslanden ook in mij bestaan, dat ik weet waar de smalle paden naartoe leiden en wat de lucht te zeggen heeft. Het landschap zelf heb ik nooit om bevestiging gevraagd.


Mijn vader had een onbestemd gevoel bij de waterige grond. Zijn benen verslapten. Hij dacht aan de olijfboom met de niet uit te graven wortels: hoe sterk iets verankerd kan zijn en dat je het om die reden beter met rust kunt laten. Hij vroeg zich af wat hij wel had meegenomen uit zijn geboorteland en dacht aan zijn dans. Uiteindelijk besloot hij zich te wagen aan de nieuwe grond: met ritmische passen tastte hij de graslanden af. Met de dag kwam het gevoel in zijn benen terug, op de vlakte sterkten zijn kuiten aan, met de bergen in zijn benen verkende hij het gebied.


Dabke is een volksdans ontstaan in de Levant, het woord laat zich vertalen als ‘stampen’. De daken van de huizen werden destijds van hout, stro en aarde gemaakt. De aarde voor het dak moest worden aangestampt zodat het hard werd en gelijkmatig verdeeld. Om dit te doen verzamelden zich een groep mensen. Op ritmische nummers vormden ze een kring, ze vouwden de handen ineen en stampten samen in een dans de aarde plat.


Mijn moeder wandelt haar hele leven over dezelfde grond. Haar afdrukken liggen als fossielen in de aarde. Ze hoeft er enkel in te stappen om thuis te komen.


Ik denk opnieuw alleen in het landschap te zijn. Ik denk al uren te lopen. Het is hier moeilijk de tijd bij te houden. Ik sta kort stil; mijn benen trillen, onder mijn voeten brandt het asfalt. Ik kijk achterom, draai een aantal keer rond mijn as, ga op mijn tenen staan, knijp mijn ogen tot spleetjes. Mijn buik verkrampt. Het houten huis is verdwenen.


Volgens mijn vader bestaan er drie soorten huizen. Je innerlijke wereld is je eerste huis. Je lichaam, dat wat je innerlijke wereld in zich draagt, je tweede huis. Het derde en laatste huis is een stenen huis; het herbergt je innerlijke wereld en lichaam.


De zon gaat onder. Er ligt een rode gloed over de graslanden. De hitte hangt nog altijd in de lucht en zorgt voor een heiige laag. In mijn buik waait een zeurderig gevoel. Ik heb zo lang over de vlakte gelopen dat alle weilanden op elkaar zijn gaan lijken. In de schemering tuur ik het landschap af: het huis is nog steeds onvindbaar, wel zie ik in de verte beweging. In de donkerte ontwaar ik een man en vrouw. Ze lopen achter elkaar, stromen ieder in een eigen ritme. Ik steek mijn hand uit en zwaai. Wanneer we elkaar naderen sluit ik me bij hen aan.


We ontmoeten elkaar onder een zwarte hemel. Mijn vader en moeder blijven tegen elkaar praten, op die manier raken ze elkaar niet kwijt. Geen van ons heeft een zaklamp of telefoon bij zich. Nu pas valt het me op dat in de polder geen lantarenpalen staan. We proberen op het asfalt te blijven lopen. Soms maak ik een misstap en knispert er riet onder mijn schoenen. Ik hoor krekels en ben in de war. Ze doen me denken aan de avonden in mijn vaders geboorteland, maar de lucht is hier niet hetzelfde. De lucht is hier, hoe warm ook, vochtig. Ik tast met mijn handen de duisternis af en vind mijn moeder. Mijn vader zegt dat het aan strooilicht ontbreekt. ‘Kijk maar omhoog.’ Hij zal ongetwijfeld naar de hemel wijzen. Ik leg mijn hoofd in mijn nek en zie miljoenen lichtpuntjes. We zijn een tijdje stil en vervolgen daarna onze tocht. Ik weet niet wie vooroploopt, wie in het midden of achteraan. We zijn geen lineaire rivier, we gaan alle kanten uit. Ik begin zachtjes met mijn voeten te tikken zodat ik weet of ik nog op het asfalt loop. Mijn vader volgt mijn voorbeeld. Algauw hoor ik dat het overgaat in de dabke. Hij springt op en neer. Mijn moeder tikt in een strak ritme op de grond. ‘Vroeger deed ik aan tapdansen,’ zegt ze. Mijn eigen tikken is een onsamenhangend geheel, toch helpt het me op het pad te blijven. Ik dacht dit gebied te kennen, maar in de duisternis lijkt alles te vervagen. Ik stel me een woestijn voor waarin elke vorm van oriëntatie is verdwenen. Ik stel me voor dat ik, wanneer ik met het tikken stop, van het pad dwaal en in een sloot val. Het landschap komt me in de duisternis steeds vreemder voor. Ik begin te twijfelen aan mijn herinneringen. Rechte paden veranderen in kronkelwegen. Mijn buik balt samen tot steen. Als ik niet in de donkerte op mijn geboortegrond kan lopen, hoe doe ik dat dan op nieuwe grond? Ik tik mijn gedachten weg. In de verte brandt een klein warm licht.

Maureen Ghazal (1995) schrijft poëzie en proza. Ze publiceerde o.m. in De Gids, De Revisor en Deux Ex Machina. In 2020 nam ze deel aan het Slow Writing Lab van het Nederlands Letterenfonds, waar ze onderzoek deed naar haar geboortegrond in de polder en de invloed van taal op landschap.

Meer van deze auteur