2020 zou het grote Hölderlinjaar worden. Alleen al in Duitsland werden naar verluidt zevenhonderd optredens, debatten en voorstellingen rondom de dichter geprogrammeerd. Maar alles liep anders. Vanwege het coronavirus ging tot nu toe slechts een handvol publieksactiviteiten door. Precies in de week voorafgaande aan Hölderlins tweehonderdvijftigste verjaardag werd alle voorpret in een golf van teleurstelling weggespoeld. Een theatermaker deed geëmotioneerd verslag op de Duitse radio: ‘Nu krijgt Hölderlin weer niet het eerbetoon dat hij verdient.’ Het is de vraag of de spreker daarmee gelijk had. Welbeschouwd had het noodlot geen passender manier kunnen vinden om Friedrich Hölderlin te vieren. Want waarom zou je deze schrijver in bovenzaaltjes en theaterfoyers herdenken als je de hoogte- en dieptepunten uit zijn werk en leven, ook zelf kunt ervaren? Niets past beter bij het Hölderlinjaar dan een pandemie, de ultieme interventie van de natuur.

Alvorens Hölderlin en zijn pandemische kwaliteiten te bespreken, moet iets van hem worden afgeschud. Dat is de saaie karikatuur die in de loop der jaren van hem is gemaakt, zeker ook in het Nederlandse taalgebied. Hölderlin is een graag geciteerde, maar zichtbaar minder gelezen dichter. Hij verschijnt vooral in lepe opsommingen met andere Duitse grootheden zoals Goethe, Schiller en Klopstock. De lezer moet maar aannemen dat de auteur zich door al die oeuvres geploegd heeft en daarom nu op de autoriteit van deze schrijvers mag leunen. Ook de intellectuele pauwenveer ‘Zoals Hölderlin al schreef…’ is zelden de opmaat naar een sprankelend inzicht. Dus waar te beginnen? Als we voorbij Hölderlin als kurkdroog cliché willen, moeten we hem naar een nieuwe context tillen.

Wat je kunt doen met een schrijver, weten ze in Duitsland beter. Nu al die lezingen en samenkomsten worden afgelast, gooit menige organisator het over een andere boeg. Lezen zullen we, en schrijven, dat maakt ons leven lichter, zo is de gedachte. Aandacht voor die opdracht kan niet iedereen zomaar opbrengen, dus worden mensen die onder andermans toezicht staan, als eerste in de richting van de vrijheid geduwd. Dat levert soms mooie beelden op. Leerlingen van middelbare scholen, psychiatrisch patiënten en anderen die zich minder om intellectueel decorum bekommeren dan academici raken verrassend in gesprek met Friedrich Hölderlin. Hun vaak fragmentarische benadering leert dat de plechtige sereniteit waaraan de dichter doorgaans ten prooi valt beslist geen voorwaarde is voor een betekenisvolle verkenning van zijn werk. Integendeel, deze benadering leert dat je terug moet meppen als je hem leest. Je moet hem begrijpen zoals hij jou aanspreekt, niet zoals hij volgens anderen moet worden uitgelegd.

Grün
Ist die Farbe des Friedens
Ist die Farbe der Natur
Und Beruhigt wie ein Tee1

Aldus een helaas niet bij naam genoemde elfjarige scholier. Het gedicht vertrekt vanuit Hölderlins fixatie op de natuur. Dat is geen gekke keuze, want de betekenis van de natuur in het werk van Hölderlin is moeilijk te overschatten. De meeste denkers in zijn tijd ontdekten de natuur vooral in het grote, het sublieme, de diepte van het woud en de donder van een onweersbui, maar voor Hölderlin was de natuur iets wat zich ook in het alledaagse toonde, zolang je maar goed keek. Hij zou vermoedelijk wel onderschrijven dat de ervaring van de kleur groen en die van een kopje thee met die van de natuur kunnen samenvallen. Maar belangrijker: voor hem was de natuur meer dan de optelsom van flora en fauna. Er school iets goddelijks in de natuur.

Het welluidend geruis
van het bos was mijn school
en de liefde leer ik
tussen de bloemen

In godenarmen werd ik groot

Uit: Da ich ein Knabe war…

Vertaling door Piet Thomas, Ludo Verbeeck (Friedrich Hölderlin, De mooiste gedichten, Uitgeverij Davidsfonds Leuven, 2000, 41).


Toch was Hölderlin geen Spinozist. Terwijl zijn filosofische vrienden en tijdgenoten zich afkeerden van het Ongrijpbare als onmisbaar onderdeel van het bestaan, ging Hölderlin daar juist naar op zoek. In dialoog met de goden van de Griekse oudheid, die in zijn beleving toch een treetje hoger op de hemelse ladder stonden dan de christelijke god, zocht hij het mysterie op. Hij joeg de goden achterna die, afgeschrikt door de filosofie, uit beeld dreigden te verdwijnen en hij belandde in hun voetspoor in de natuur. Uiteindelijk wilde Hölderlin het liefst versmelten met die goddelijke natuur. Dat deed hij niet door de natuur tegenover zichzelf te plaatsen en er vervolgens in te springen, maar veeleer door haar in zichzelf te ontdekken.

Aan het einde van de roman Hyperion beschrijft de hoofdpersoon hoe hij het liefste zou versmelten met de natuur:

Zo gaf ik mezelf meer en meer over aan de zalige natuur, en haast te onbegrensd. Wat zou ik graag weer tot kind geworden zijn, om meer na aan haar te zijn, wat had ik graag minder geweten en was ik geworden als zuivere lichtstraal om meer na aan haar te zijn! o één ogenblik mezelf in haar vrede, in haar schoonheid gewaar te worden, hoeveel meer was me dat waard dan jaren vol gedachten, dan alle pogingen van de alpogende mensen! Als ijs smolt weg wat ik geleerd had, gedaan had in het leven, en alle plannen van de jeugd verklonken in mij; en o jullie dierbaren, jullie die ver weg zijn, jullie, doden en jullie, levenden, hoe innig één waren wij!

Vertaling door Ben Schomakers (F. Hölderlin, Hyperion, Uitgeverij Thoth, 1987, 171).


Dus terwijl zijn vrienden ploeterden op de meest fijnzinnige filosofische systemen om de wereld te begrijpen, keerde Hölderlin zijn blik naar binnen. Zijn observaties aldaar stuiterden als poëzie en proza weer terug naar buiten. Dat ging met de nodige symboliek gepaard. Zijn enige roman, de brievenroman Hyperion, gaat welbeschouwd ook over het eindeloze streven naar eenheid tussen individu en natuur, al ligt dat thema niet altijd aan de oppervlakte van de tekst. De nooit volledige eenheid zit overal in het boek verstopt: in beschrijvingen van vriendschap, landschap en geschiedenis. Alles is grillig en steeds voel je de onoverbrugbare kloof tussen dat wat op afstand is en het nabije, tussen binnen en buiten. De boodschap is duidelijk: zodra je denkt dat je de eenheid te pakken hebt, slaat alles om en schept de natuur een nieuwe chaos in de orde. Zo dient de context zich aan waarin ik Hölderlin in 2020 las.

Hölderlin schreef nooit zonder dramatiek. Hier legt Hyperion in een brief aan zijn vriend Bellarmin uit hoe de natuur hem kan vervullen maar ook leeg kan achterlaten:

Op deze hoogte sta ik vaak, mijn Bellarmin! Maar een moment van bezinnen werpt me omlaag. Ik denk na en tref mezelf aan zoals ik daarvoor was, alleen, met alle pijnen van het sterfelijke, en de toevlucht voor mijn hart, de eeuwig-ene wereld, is verdwenen; de natuur houdt haar armen gesloten, en ik sta als een vreemdeling voor haar en begrijp haar niet.

Vertaling door Ben Schomakers (F. Hölderlin, Hyperion, Uitgeverij Thoth, 1987, 17).


Net toen we dachten de natuur wel zo’n beetje onder controle te hebben, haalde ze hard uit: een pandemie. Dwingend werden we door de natuur uit de cultuur gedrukt. Onderweg stuitten we op talloze onvermoede restjes natuur, vooral in onszelf. Eerst brak de oerdrift in ons los bij de slag om het wc-papier, later voelden we hoe een niesbui in de verte een fysieke vluchtreactie uitlokte. Gewekt door de natuur in onszelf, trokken we bovendien massaal naar de omheinde omgeving die we De Natuur zijn gaan noemen. Bij Staatsbosbeheer is het nog nooit zo druk geweest. Door de pandemie heeft zowel het ontzag als de waardering voor de natuur een enorme vlucht genomen.

Hoe je het ook wendt of keert, de natuur, het goddelijke, komt altijd terug, zo zegt ook Hyperion:

O jij, dat dacht ik, met je goden, natuur! ik heb hem uitgedroomd, de droom van mensendingen, en zeg dat alleen jij leeft, en wat zij die zonder vrede zijn afgedwongen hebben, uitgedacht, het smelt als wassen parels weg voor jouw vlammen!
Hoe lang is het al dat zij jou ontberen? o hoe lang is het dat hun schare je uitvloekt, jou gewoon noemt, en jouw goden, de levenden, de zaligstillen!
De mensen vallen als rotte vruchten van je af, o laat ze vergaan, dan keren ze naar jouw wortel terug, en ik, o boom des levens, moge ik samen met jou weer groenen en je kruinen omademen met al je knoppende takken! vredig en innig, want allen groeiden we op uit het gouden zaad!

Vertaling door Ben Schomakers (F. Hölderlin, Hyperion, Uitgeverij Thoth, 1987, 171-2).


En hoe dichter bij de natuur, des te dichter op de goden. Hölderlin had dat goed gezien. Hij had nooit een leerboek willen schrijven, meldde hij al in de inleiding van zijn Hyperion, en zijn dichterlijke taal is moeilijk te doorgronden, maar nu, in het licht van de coronacrisis, drong de urgentie van zijn oeuvre glashelder tot me door. Los van de diepzinnigheden die de academici in zijn werk hebben gelezen en los van de verwijzingen naar de Griekse en Duitse literatuur, bespreekt Hölderlin vooral wat er gebeurt als mensen betekenis proberen te geven aan hun grillige en onvoorspelbare leefomgeving. Waar de filosofie en de rede tekortschieten, en dat doen ze al snel, ontluikt een poëtische werkelijkheid vol goden en natuurkrachten.

In 2020 zijn dat niet de Griekse goden, maar nieuwe goden, en die zijn een stuk minder edelmoedig. De krant, de televisie en vooral het internet overstelpen ons sinds maart, sinds de verjaardag van Hölderlin, met een razendsnelle hertovering van het wereldbeeld. We maakten kennis met complottheoretici die speculeren over hoe de natuur bestierd wordt vanaf een moderne Olympus. Microsoftoprichter Bill Gates zou het coronavirus hebben ontwikkeld en de overheid zou stiekem worden bestierd vanuit de deep state, die dan weer bevolkt is door een eeuwenoude kliek van satanisten. De mensen zijn reptielen, er zijn ufo’s onderweg!

Ach, wat deugt op de markt vindt de menigte mooi
   en een knecht eert alleen een geweldenaar;
      geloven in het goddelijke
         doen enkel die bij goden horen.

Vertaling door Piet Thomas, Ludo Verbeeck (Friedrich Hölderlin, De mooiste gedichten (Uitgeverij Davidsfonds Leuven, 2000, 29).


Je zou aan die nieuwe mythen allerlei sociologische analyses over secularisatie, individualisering en de teloorgang van grote verhalen kunnen wijden, maar met Hölderlin in de hand kan dat ons misschien bespaard blijven. Niets brengt zoveel twijfel als het diepe besef toch deel te zijn van een betoverende natuur. Wie dat op zich laat inwerken, begrijpt Hölderlin misschien ook beter. De filosofie kreeg geen vat op hem en de theologie evenmin. Hij zocht betekenis in de poëzie en in een nieuwe taal. Zo keerde hij zich in zichzelf. Daar deed hij met de poëzie wat de natuur met hem had gedaan: hij zette haar naar zijn hand en schiep iets met meer cultureel viraal effect dan welk werelds werk ook.

Zijn toestand maakte hem een kwetsbaar mens. Friedrich Hölderlins leven werd getekend door een lange geschiedenis van quarantaine en isolatie. Nu eens werd hij huisleraar en zonderde hij zich af van zijn vrienden, dan weer ging hij om onduidelijke redenen op reis. Hij besloot zich meermaals terug te trekken, maar bleef zijn moeder wel brieven sturen waarin hij op nederige wijze zijn zelfstandigheid onderstreepte. En dan hebben we het nog niet over zijn werk, over hoe zijn belangrijkste personage Hyperion leefde als kluizenaar. Uiteindelijk had die terugtrekking in zichzelf funeste gevolgen: Hölderlin werd geestesziek. De tweede helft van zijn leven bracht hij door in een prikkelarme omgeving. Door anderen verzorgd leefde hij in een toren aan de oever van de Neckar. Wat voor de buitenwereld een idylle leek, een bestaan vol rust en contemplatie, zal van binnenuit bezien nog vaak een storm zijn geweest.

Misschien is dat ook wat we zien als we kijken naar de mensen die de zelfisolatie niet langer aankunnen, zich door de natuur overmand voelen en daarom overal in Europa de straat op gaan. Achter het virus vermoedden ze een ondoorgrondelijk en eeuwenoud plan en nu staan ze daar met spandoeken en borden: ‘Viruswaarheid’. De waanzin ligt onontkoombaar op de loer voor degene die een flits van de natuur in zichzelf gezien heeft, het is een waarmerk voor de versmelting die je nooit voorzag, maar wel ervoer. En precies daarom is 2020 het Hölderlinjaar.

  1. Groen/ Is de kleur van de vrede/ Is de kleur van de natuur/ En kalmeert als thee, Afkomstig van hoelderlin2020.de

Adriaan van Veldhuizen (1982) is redacteur van De Gids. Hij studeerde filosofie en geschiedenis. De afgelopen jaren was hij universitair docent geschiedfilosofie, speechschrijver en auteur van artikelen en essays. In oktober 2020 verschijnt Historicism: A Travelling Concept bij Bloomsbury, een bundel die hij samenstelde met historicus Herman Paul.

Meer van deze auteur