Op station Heerlen kan ik de uitgang niet vinden. Ik ben er al zo lang niet meer geweest dat er uit de bouwput die ik me herinner een compleet nieuw stationsgebouw is verrezen. Wanneer ik eindelijk op een roltrap sta, zie ik in de verte de zilveren Mazda al staan. Mijn moeder drentelt heen en weer ter hoogte van de motorkap, ongeduldig turend in de richting van het station, mijn vader leunt aan de andere kant tegen het geopende portier, precies zoals hij er vroeger ook altijd stond als hij me kwam ophalen van een schoolfeest en ik hem tot vijf over elf had laten wachten. Pas in de auto draait hij zich richting achterbank om me eens goed te bekijken. Zijn ogen flitsen heen en weer, nemen mijn hele gezicht in zich op.

‘Fijn dat je thuis bent,’ zegt hij.

Drie dagen voor de lockdown werd afgekondigd, besloot ik mijn relatie te verbreken. Omdat een gezamenlijke quarantaine mij de wreedste vorm van afscheid nemen leek, belde ik mijn moeder op: of ik voor even thuis mocht komen logeren. Ik kan niet zo goed met abrupte veranderingen omgaan, daarom hield ik mezelf voor dat het maar voor even was, een week, ­hooguit tien dagen. Het lukte me mijn tranen te verbijten totdat ik gedag moest zeggen tegen onze hond, die zich uitgebreid liet liefkozen en het zout van mijn wangen likte. Uit gewoonte liep ze mee naar de voordeur, waar ik haar niet aanlijnde, maar gebood te blijven zitten tot ik de deur achter me had dichtgetrokken.

Na 48 uur bij mijn ouders thuis kunnen we niet meer doen alsof ik op bezoek ben. Ineens zijn we weer met zijn drieën, staan mijn afgetrapte sneakers in de gang en heb ik mijn vaste plek aan de keukentafel ingenomen met mijn ­vader links en mijn moeder rechts van mij. Aan de muur boven de keukentafel hing mijn vader vlak nadat ik uit huis was gegaan een ingelijste foto van mij op, waardoor mijn ouders de afgelopen tien jaar al hun maaltijden nuttigden in een gespiegelde versie van hoe het ooit was. Ik kan niet van mijn bord opkijken zonder dat mijn jongere zelf oogcontact met mij zoekt.

Mijn vader is ouder geworden de afgelopen maanden, hij beweegt zich trager en is magerder in zijn gezicht. We lijken nog steeds veel op elkaar, onze lichamen zijn bonkig en compact, meer gemaakt voor de explosieve sprint dan voor het langeafstandslopen. Bovendien hebben we allebei Pools bloed, wat onze bleke huid verklaart, die zo anders is dan de olijfkleur van mijn moeder. Door die uiterlijke overeenkomsten heb ik me altijd meer verwant gevoeld met de familiegeschiedenis van mijn vader. Daarnaast delen we een geboortestad: Trier, een middelgrote stad in het zuidwesten van Duitsland, vlak bij de grens met Luxemburg. De afstand tussen onze geboortehuizen bedraagt hemelsbreed 150 meter. Wie van huis naar huis loopt moet door de Neustraße, op nummer 38 is sinds een paar jaar een speciaalzaak voor radiografisch bestuurbare auto’s gevestigd. Begin jaren vijftig openden mijn grootouders op datzelfde adres Bäckerei Lentes. Het pand was onderdeel van een kloostercomplex met kerk dat de oorlog niet overleefde, op de steenkoolovens na, die in de bakkerij dankbaar werden hergebruikt. Mijn vader speelde tussen de ruïnes en tijdens de wederopbouw verrees op het fundament van het ambulatorium een christelijk gymnasium van donkergrijze steen.

De school staat er nog steeds, in tegenstelling tot de bakkerij, die haar deuren sloot lang voordat ik geboren werd. Maar de verhalen over de Neustraße 38 waren zo alomtegenwoordig dat mijn vaders vroegste herinneringen met mijn eigen jeugdherinneringen verweven zijn geraakt. In Nederland heeft hij nooit helemaal goed kunnen aarden. Er klinkt verlangen in zijn stem zodra Trier ter sprake komt en herinneringen die zich in Duitsland afspelen lijken levendiger dan alles wat zich voordeed aan de andere kant van de grens. Ik was veel te jong toen we verhuisden om me echt met een Duitse identiteit te kunnen vereenzelvigen, maar eigende me vooral als kind graag mijn vaders heimwee toe. Trier was in mijn fantasie een magische plek. De geschiedenis waar mijn vader en ik uit voortkwamen woog zwaarder, kreeg meer betekenis, juist omdat ik er niet direct toegang tot had.

Ruth van Beek

Voordat mijn vader mijn vader werd, moest de Muur nog gebouwd worden en ook weer vallen. 41 was hij toen ik in september 1990 aan het einde van een hete zomer werd geboren. Tegen de tijd dat we naar Zuid-Limburg verhuisden, werkte hij net over de grens als wijkverpleegkundige in Aken. Hij reed een witte Ford Ka met op de zijkanten het rode logo van de katholieke organisatie waarvoor hij werkzaam was. Aangespoord door de glimmende stethoscopen, insulinespuiten en bloeddrukmeters die permanent op de achterbank lagen, was ik in de veronderstelling dat mijn vader dagelijks levens redde. In werkelijkheid verzorgde hij een eindeloze stoet weerbarstige oude mensen en tilde hij zijn rug kapot aan obese patiënten. Van levens redden was geen sprake. Soms duurde het een paar weken, soms een aantal maanden; de mensen die hij verzorgde gingen uiteindelijk allemaal dood.

Als kind kwam hij mij voor als een reus. Hij was streng, maar op een zachtaardige manier, de weinige woorden die hij zei kwamen eruit in zalvend Duits en je zorgde dat je ze stuk voor stuk had gehoord. De auto van zijn werk stond vaker niet dan wel op onze oprit en zijn afwezigheid zorgde ervoor dat hij uitgroeide tot een figuur van mythische proporties met een monopolie op het gelijk. Discussies, groot en klein, werden door hem aan de ontbijttafel binnen tien minuten beslecht. Mijn mening over goed en kwaad, over mooi en lelijk, over hoe te leven en hoe dood te gaan, was mijn vaders mening, waarmee ik me kritiekloos leerde vereenzelvigen. Nur das Ergebnis zählt, was zijn adagium, wat zoveel betekent als: kom op tijd, werk hard en klaag niet.

Hoewel mijn vader al lang niet meer het toonbeeld van fysieke kracht is dat hij ooit was, is hij nog steeds veel sterker en beweeglijker dan een gemiddelde man van 71. Als ik aan het einde van de eerste week lockdown thuiskom van een wandeling, balanceert hij op een eindeloos hoge ladder die tegen het dak van het huis is gezet. In een grijs waadpak staat hij met een hogedrukspuit het mos van de dakpannen te spoelen. Ik glip door de openstaande garagedeur naar binnen en hoop dat hij mij niet heeft gezien, ik wil hem niet uit zijn concentratie brengen of laten schrikken. In gedachten zie ik hem al die meters naar beneden tuimelen, te pletter vallen op de tegels van de oprit, opgebaard liggen in een sobere, spaanplaten kist. Met mijn hand op de klink van de achterdeur luister ik nog een paar seconden naar het geluid van de hogedrukspuit en het natte geklets van het mos.

De eerste drie weken gaan snel voorbij. Ik denk vaak aan de hond en hoe gedwee ze op mijn commando bij de voordeur bleef zitten wachten. Ik had haar uitgebreider gedag gezegd als ik had geweten dat het zo lang zou duren, maar mezelf met die gedachte om de oren slaan, levert niets op. Mijn vader, moeder en ik leven in een afgemeten ritme dat veel wegheeft van hoe het was toen ik nog thuis woonde. Het grote verschil is dat ik me als puber het liefst onttrok aan alle gezamenlijke activiteiten, terwijl ik nu juist naar mijn ouders toe beweeg; hun aanwezigheid is niet meer zo vanzelfsprekend als toen.

Wanneer mijn vader en ik voor de bokszak staan die hij met een reusachtige oogbout aan het plafond van zijn werkkelder heeft gemonteerd, sommeert hij mij handschoenen aan te doen.

‘Je hebt geen eelt op je knokkels, anders ga je bloeden.’

Hij vraagt me iets door mijn knieën te zakken, maar als ik dat doe, corrigeert hij me. Niet door aanwijzingen te geven, maar door mijn voeten, knieën, heupen, ellebogen, schouders, kin, armen en vuisten eigenhandig in positie te brengen. Jab, cross, hook. Al jaren oefent hij elke dag opnieuw deze drie technieken. Hij heeft geen aspiraties ooit de ring in te gaan, nooit gehad ook, hij doet niet aan touwtjespringen of aan sparren, hij ontwijkt geen klappen van een denkbeeldige tegenstander, hij oefent elke dag om stipt tien uur uiterst beheerst die drie basisstoten, niets meer, niets minder. Twintig keer met rechts, vijfentwintig keer met links om het dominantieverschil tussen de twee armen uit te balanceren. Overal in huis hoor je de doffe klappen.

Ik heb hem zelf gevraagd of hij mij iets over dat boksen wil leren, maar binnen vijf minuten heb ik spijt. Er is geen beweging die ik kan maken of mijn vader heeft er iets op aan te merken. Telkens als ik me schrap zet voor een jab, cross of hookmoet er iets anders. Ik moet nog verder door mijn knieën, mijn vuisten moeten hoger en mijn kin juist omlaag, dat rare dribbeltje is nergens voor nodig, en waarom trek ik mijn schouders zo hoog op?

Nur das Ergebnis zählt. Er zit geen venijn in zijn opmerkingen, maar wel een vastberadenheid die hij ook bij mij als vanzelfsprekend veronderstelt. Elke beweging is een betekenisvol ritueel dat volledige concentratie vereist, van plezier is geen sprake, hier wordt verspilling tegengegaan, van tijd en ruimte, van energie. Op afstand heeft die compromisloosheid iets heroïsch, een aantrekkingskracht die ik als kind al ervoer: wilde ik niet precies zijn zoals hij, onverstoorbaar, sterk? Maar nu ik voor die bokszak sta, mijn handen in zweterige handschoenen gestoken, ervaar ik ook de absurditeit ervan. Het benauwt me, niet de handelingen zelf, maar de ernst waarmee ze klaarblijkelijk moeten worden uitgevoerd. In mijn onderbuik ontbrandt een woede die ik al lang niet meer heb gevoeld, ineens lijkt mijn hele leven zich tot twee mogelijkheden te beperken: het opgeven, de handschoenen uittrekken en in een hoek gooien, de teleurstelling van mijn vaders gezicht af zien druipen – of tegen de bokszak blijven meppen totdat ik van uitputting niet meer op mijn benen kan staan, in de wetenschap dat het nooit perfect zal zijn, dat ik nooit helemaal aan zijn verwachtingen zal voldoen.

Het begon met schoolzwemmen. Het Hallenbad Trier, vlak naast de Kaiserthermen, was vanaf de bakkerij maar zes minuten lopen. Om er te komen hoefde mijn vader maar één drukke straat over te steken, de rest kon hij door het groen. Het duurde niet lang voordat hij ook in zijn vrije tijd naar het zwembad ging, hij zwom en speelde totdat zijn lippen blauw waren, soms met vrienden, vaker alleen. In 1961 werd hij lid van zwemvereniging SSV Trier, als Knabe trainde hij twee keer per week en hij werd snel beter. Er waren meer jongens die het goed deden, maar bij mijn vader zat er altijd net iets meer in het vat. Tijdens een wedstrijd tussen alle scholen in Trier won hij met gemak de 100 meter borstcrawl. Hij was zo sterk dat hij op die korte afstand zijn traagste leeftijdsgenoten meerdere malen voorbij zwom. Toen hij op het podium werd toegejuicht, zei de directeur die hem de hand schudde dat ze zo’n tijd maar zelden hadden gezien. Het bakkerszoontje, de stille meeloper wiens wereld niet verder reikte dan de laatste straat waar hij het brood rondbracht – hij was opeens iemand. Durfde hij op school zijn hand nauwelijks op te steken, hier scandeerden mensen zijn naam. Ze klopten op zijn schouder en applaudisseerden voor hem, hij werd door hen gezien.

Wanneer hij in het water lag, dacht hij aan niets. Niet aan de concurrenten in de banen naast hem, niet aan winnen of verliezen, niet aan de mensen langs de kant die hij oorverdovend hoorde joelen wanneer hij om de drie slagen naar adem hapte. Al zijn gedachten losten op in zijn lichaam; in zijn trappelende benen, het beheerste uitademen, in zijn armen gestrekt in de lucht boven het hoofd, dan weer onder het oppervlak, waar ze zo veel mogelijk water wegduwden voordat ze aan een nieuwe slag begonnen. Hij wist dat hij in hetzelfde ritme door moest blijven gaan, ook wanneer zijn lichaam het leek op te geven, wanneer zich toch een gedachte opdrong: ik kan niet meer, ik kan écht niet meer. Hij wist dat als hij doorzette er een punt kwam waarop zijn lichaam een nieuw register opentrok, er nieuwe, explosieve kracht vrijkwam, dat hij nog harder kon, nog sneller, dat hij zijn eigen lichaam kon overwinnen. Water was zijn element, wanneer hij zwom, voelde hij zich vrij.

Vanaf het moment dat mijn vader bij de heren mee mocht zwemmen overtrof hij alle verwachtingen. Solo en met de estafetteploeg nam hij deel aan toernooien in heel Rheinland-Pfalz, aan de West-Duitse kampioenschappen en zelfs de Deutsche Meisterschaften. Het zwemmen opende nieuwe werelden voor hem. Hij mocht op trainingskamp in Den Bosch, was te gast tijdens een banket in het Catshuis in Den Haag en zwom zelfs een toernooi in Parijs, waar hij in een avondwinkel tevergeefs probeerde te betalen met de marken die zijn moeder hem had meegegeven. Twee keer werd hij uitgenodigd in Übach-Palenberg, waar de grootste zwemtalenten uit de Bondsrepubliek Duitsland bij elkaar werden gebracht om de selectie klaar te stomen voor de Olympische Spelen van 1968 in Mexico en die van 1972 in München. Tijdens zijn reizen zag mijn vader voor het eerst de zee en hoorde hij voor het eerst klassieke muziek. Hij overnachtte bij gastgezinnen of zelfs in een hotel, ontmoette de zonen van advocaten en dokters, leerde zijn servet op schoot te leggen en beschaafd te eten met het juiste bestek. De wereld bleek zoveel meer te zijn dan het sobere stramien dat zijn ouders hem thuis voorleefden.

Naast het zwemmen deed hij ook een opleiding tot bakker, tegen de tijd dat hij vijftien werd zat hij in zijn laatste jaar. Eén keer in de week ging hij naar school en leerde hij over fermentatie- en gistingsprocessen en het belang van zuurstof voor de kwaliteit van deeg. Tijdens de sporadische lessen sociaalkunde zag mijn vader voor het eerst filmbeelden van de bevrijding van Auschwitz en Dachau en wat hij zag maakte een gigantische schaamte in hem los. In een context groter dan hij kon bevatten, bevond hij zich klaarblijkelijk aan de verkeerde kant, maar veel tijd om erover na te denken kreeg hij niet. Naast die ene schooldag waren er nog vijf werkdagen waarop hij als leerling in de bakkerij van zijn vader werkte, die geen kans onbenut liet om te vertellen hoe alles in zijn werk ging, van deeg kneden tot het leven zelf. In de bakkerij voelde het zwembad mijlenver weg; lag hij in de avonduren en op zondag in het water dan kon hij zijn vader en de tijd die ze zij aan zij doorbrachten tussen oven en werkblad maar moeilijk voor de geest halen. De twee werelden sloten elkaar buiten, ze stootten elkaar af.

Naarmate zijn verantwoordelijkheden in de bakkerij groter werden, namen de krachten van mijn vader snel af. Het duurde niet lang voordat hij ziek werd. Uitputting. De dokter sommeerde hem een tijdje rustig aan te doen: de lange dagen in de bakkerij en de zware zwemtraining, dat ging niet samen. Voorzichtig probeerde mijn vader er met de dokter over te praten dat hij, ja, fysiek uitgeput was, maar ook mentaal, omdat zijn vader hem dwong iets tegen zijn zin te doen. Hij was niet gemaakt voor de bakkerij, die omgeving brak hem op, hij werd er ongelukkig van. De dokter moest lachen toen hij was uitgepraat.

‘Denk je dat ik het leuk vind om dit dag in dag uit te doen?’ antwoordde hij. ‘Wees blij dat je werk hébt.’

Het grootste gedeelte van de dag verdwenen zijn vingers in hompen deeg die zich alleen lieten kneden wanneer hij kracht zette. Bloem stoof voortdurend op, het kleefde in zijn haar, drong zich als fijnstof op aan zijn neus. De hitte van de ovens was genadeloos, gevaarlijk zodra hij te dichtbij kwam. Hij werkte met materiaal dat leefde en handelingen van hem eiste, het joeg hem op. Het deeg moest rijzen, maar niet te lang, dan sloeg het dood. Wanneer iets uit de oven kwam, moest iets anders erin, anders ging er hitte verloren, de bel klingelde onophoudelijk. Hij hoorde stemmen uit de winkel komen, soms zelfs gelach, maar de mensen die in- en uitgingen waren voor hem onzichtbaar. Aan het eind van de dag waren de rekken in de winkel leeg en was het alsof hij niets had gedaan. Alle dagen leken op elkaar. Hij begon ze woedend achter een schoon werkblad en eindigde ze dertien uur later, even woedend en op dezelfde plek.

Er werd mijn vader niets verboden of ontnomen, hij groeide simpelweg in het werkende leven waar hij voor was voorbestemd, zwemmen deed hij steeds minder, dat bleef achter in zijn kindertijd. Of hij toch niet stiekem fantaseerde van een leven als professioneel zwemmer weet hij zelfs niet meer. Ook al was hij dicht bij de Olympische selectie, zo’n grote droom leek voor hem als bakkerszoon in naoorlogs Duitsland simpelweg nooit echt aan de orde. Alfred Fries, een van de jongens uit mijn vaders estafetteploeg, won in 1965 de Deutsche Meisterschaften op de 200 meter borstcrawl. Dezelfde Alfred trouwde met de dochter van de directeur van de zwemvereniging en ging bij een bank werken, waar hij werd gecompenseerd voor de dagen dat hij moest trainen. Mijn vader was tegen die tijd al met wedstrijdzwemmen gestopt.

In de bakkerij hield hij het precies vier jaar vol. Hij werkte er met zo veel zichtbare tegenzin dat zijn vader hem in de zomer van 1969 zei dat hij na de twee weken Betriebsurlaub niet meer terug hoefde te komen. Of dat echt zijn wens was, of eerder een dreigement waarvan hij nooit had gedacht dat mijn vader er daadwerkelijk ­gehoor aan zou geven, is onduidelijk. Hoe dan ook: in zijn Simca reed mijn vader die zomer naar Brussel en daarna naar Zierikzee. Het werd herfst, maar hij kwam niet terug.

Ik moet een jaar of acht zijn geweest, toen ik een keer mee mocht naar mijn vaders werk en hem voor het eerst in zijn witte verpleeguniform zag. Dat uniform heeft toen zo veel indruk op mij gemaakt dat ik tot op de dag van vandaag na elk doktersbezoek mijn vader bel om te controleren of ik niet voorgelogen ben. Ook nu – ik heb met het Japanse koksmes in mijn linkerwijsvinger gesneden – loop ik met mijn vinger gewikkeld in een theedoek zonder nadenken aan mijn moeder voorbij naar mijn vaders werkkelder. Sinds hij met pensioen is, is hij daar het grootste gedeelte van de tijd te vinden. Hij snijdt er dieren uit hout, materiaal waar hij raad mee weet. In de loop der jaren heeft zich in die kelder een imposante hoeveelheid gereedschap verzameld. Tegen de muren verrezen stellages vol schapjes en vakjes voor schroeven en moeren, vijlen en tangen op Madurodam-formaat. Centraal tussen die muren staat een L-vormige werkbank met een bankschroef waar mijn vader zijn vingers zo vaak omheen gesloten heeft dat de zwengel kleine uitsparingen vertoont waar het hout glad en glanzend is opgewreven.

Tegen de tijd dat ik zestien werd, gingen alle gesprekken met mijn vader over respect. Ik had daar niet genoeg van, vond hij, niet voor hem, niet voor mijn moeder, niet voor de gestofzuigde gang waar ik met mijn bemodderde schoenen doorheen banjerde, niet voor de fiets met twaalf versnellingen waarvan ik niet wist hoe hard ervoor gewerkt moest worden om haar te kunnen betalen. Ik had ook geen discipline, er was mij te veel gegund, ik gaf te snel op. Mijn vader begon steeds vaker zijn stem te verheffen, maar echt woedend was hij in stilte. Dan ­vernauwden zijn ogen zich en omklemde hij het tafelblad zo stevig dat al het bloed uit zijn vingertoppen verdween. Ik was op die leeftijd niet meer bang voor hem en ook het ontzag voor zijn witte uniform was allang verdwenen. Ik was overmoedig en keek op hem neer. Bij gebrek aan een beter verwijt wierp ik hem vaak voor de voeten dat hij te weinig thuis was om over mijn karakter of mijn gedrag te kunnen oordelen. Inhoudelijk was het een prutsargument, maar het deed hem zichtbaar pijn als ik het zei en daarmee was het doeltreffend. Verbaal kon ik hem overrompelen. Volgens mijn moeder kwam dat doordat ik als eerste van de familie een middelbare school bezocht, het gymnasium nog wel, waar ik tussen de middag worstenbroodjes at bij de familie Vrancken. Die hadden een zwembad in de kelder, een vleugel in de woonkamer en ze gingen op vakantie naar plekken die ik op de wereldkaart niet eens wist aan te wijzen. Zo kan het dus ook, dacht ik. Groots leven, het breed laten hangen, niet dat gerommel in de marge, dat leven met je hoofd omlaag.

Als het bloeden is gestelpt, knipt mijn vader een extra lamp aan om de wond goed te kunnen bekijken. Uit een van de lades onder de werkbank komt een verbanddoos tevoorschijn waar hij uitvoerig in rommelt totdat hij heeft gevonden wat hij zocht. In stilte maakt hij de wond schoon, als hij mijn vinger begint te verbinden mompelt hij dat ik ordentliche Hände heb. Keurige handjes. ‘Je kunt wel zien dat daar niet zoveel mee wordt gewerkt.’

Ik weet niet precies hoe zwaar ik eraan moet tillen, maar ik hoor een oordeel in zijn woorden. Mijn vaders eigen handen, die hij behoedzaam rondom de mijne beweegt, zijn zichtbaar gehavend geweest en weer geheeld. Ze dragen sporen van de havens en de fabrieken waar hij ooit heeft gewerkt, van de huizen die hij heeft verbouwd. Tijdens het boksen heeft hij geen handschoenen nodig, eelt genoeg. Er zit romantiek in dat zware, fysieke werken, het zit in ons bloed, in alles wat aan ons voorafging. Hij put daar trots uit en ik in zekere zin ook. Tegelijkertijd wijk ik af. Het harde werken van de generaties voor mij heeft ervoor gezorgd dat ik een aantal sporten op de maatschappelijke ladder mocht overslaan. Er loopt een breuklijn tussen mijn vader en mij waarvan ik niet zeker weet of hij mij die heeft opgelegd door het sobere leven dat hij mij voorleefde, of dat ik die lijn zelf heb getrokken omdat ik me schaam. Ik ben uit de rij gestapt, uit de geschiedenis gevallen en terwijl mijn vader met precisie het verband aanlegt, een geconcentreerde frons in zijn voorhoofd, besef ik dat niet hij het is, maar ik het ben die naar mijn handen kijkt en denkt: daar wordt niet hard genoeg mee gewerkt, daar zou harder mee gewerkt moeten worden.

Op de vrijdag van de zesde week sjouw ik mijn koffer de trap af en zet hem klaar naast de voordeur. We ontbijten in stilte, het afscheid is op een vreemde manier beladen, alsof ik voor een tweede keer uit huis ga. Ik heb een nieuwe woonruimte gevonden, maar zie ertegenop om in het oude huis van het uitgestelde afscheid een definitief afscheid te maken, bovendien groeit in mijn borstkas de angst dat de hond me niet meer zal herkennen. Als ik op mijn telefoon de treintijden opzoek, hoor ik de sloffende voetstappen van mijn vader op de keldertrap. Op de keukentafel stalt hij van alles uit: een reisflacon desinfecterende gel, latex handschoenen, twee mondkapjes en een flesje water. Hij kijkt naar het vreemde stilleven, twijfelt kort en legt er nog een appel bij.

Ik heb mijn vader maar één keer echt voluit zien zwemmen, in een verlaten buitenbad op een camping in de Ardennen. Ik herinner me het geluid van woest opspattend water, zijn wijd opengesperde mond telkens wanneer hij bovenkwam, het monotone ritme van zijn slagen en de golven die daardoor werden veroorzaakt. Vlinderslag zo krachtig dat hij het zwembad leeg leek te zwemmen. Van alle andere keren herinner ik me drukkere zwembaden en mijn vaders gemoedelijke schoolslag. Ik was het die spartelend en buiten adem zo snel mogelijk de andere kant probeerde te bereiken. Aangekomen bij de rand keek ik om in de hoop tussen de dobberende hoofden dat van mijn vader te ontwaren, goedkeurend knikkend het liefst.

Het is een kwartier te vroeg, maar we vertrekken toch. Mijn moeder heeft haar jas al aan en staat driftig met de autosleutels te zwaaien. Ik draai me om naar mijn vader en sla mijn armen om hem heen, hij geeft wat klopjes op mijn rug en zo staan we een tijdje totdat hij voorzichtig afstand neemt.

Halt die Ohren steif, zegt hij, wat zoiets betekent als hou je haaks, al klinkt het in het Duits minder lullig.

Als mijn moeder de auto van de oprit af manoeuvreert, kijk ik naar hem. Naar zijn versleten werkbroek, die smalle schouders, het blonde haar op zijn hoofd dat steeds dunner wordt, zijn serieuze gezicht. De man die daar staat is niet langer de reus uit mijn jeugd, ook niet de lafaard die leeft met zijn hoofd omlaag. In de deuropening staat mijn vader, op ware grootte. Hij glimlacht, steekt zijn hand in de lucht en ik zwaai terug, net zolang totdat hij achter de huizen verdwenen is.

Dit essay schreef Lotte Lentes in het kader van het samenwerkingsproject ‘Eenzame avonturen’ van Vlaams-Nederlands huis voor cultuur en debat deBuren en literair tijdschrift De Gids.

Lotte Lentes (1990) schrijft proza en theater. In 2017 verscheen haar verhalenbundel Een tweede keer kijken. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman.

Meer van deze auteur