In 1770 werden niet alleen Beethoven, Hegel en Wordsworth geboren, die alle drie een stevig stempel zouden drukken op de cultuurgeschiedenis van het Westen, maar ook een dichter wiens reputatie in geen verhouding staat tot de bekendheid met zijn werk: Friedrich Hölderlin. In 1806 werd hij, psychotisch en onhandelbaar, afgevoerd naar een voor die dagen vooruitstrevende inrichting, om vervolgens de tweede helft van zijn leven door te brengen in een torenkamer in Tübingen. Hij stierf in 1843. Voordat hij instortte had hij, afgezien van de roman Hyperion, nog maar weinig kunnen publiceren, en pas in de loop van de negentiende eeuw drong het besef door dat Hölderlins werk, in al zijn ambitieuze ontoegankelijkheid, misschien wel tot het beste behoorde wat de Duitse literatuur had voortgebracht.

Geïnspireerd door Spinoza, Kant en Fichte, maar vooral door Schiller en de Franse Revolutie, zocht hij een nieuwe taal om contact te maken met een goddelijk domein dat hij associeerde met het oude Griekenland. Aanvankelijk bevriend met zijn studiegenoten Hegel en Schelling, ging hij steeds meer zijn eigen weg, raakte hij verzeild in een hopeloze liefde voor een getrouwde vrouw, maakte hij wekenlange voettochten door onherbergzame gebieden en verloor hij na 1802 geleidelijk het contact met de werkelijkheid en met zichzelf.

Maar Hölderlins poëzie is niet het werk van een gek, integendeel. Toen hij nog bij zinnen was, wist hij precies wat hij deed. Zijn tragische, compromisloze Alleingang op zoek naar het absolute en het sublieme dwingt bewondering en diep ontzag af. De Gids herdenkt hem met nieuwe vertalingen, poëzie van twee aanstormende dichters, een essay en een kort verhaal. We hopen dat dit onze lezers ertoe aanzet Hölderlin zelf weer te gaan lezen.

Piet Gerbrandy (1958) is dichter, classicus en poëziecriticus. Hij doceert Latijn aan de Universiteit van Amsterdam en is redacteur van De Gids. In 2018 verschenen zijn dichtbundel Vloedlijnen en de essaybundel Grondwater.

Meer van deze auteur