oeverloos

mijn moeder treedt regelmatig uit haar oevers
zoals jij ook deed
wanneer de weg van waterloop tussen hart en geest werd verduisterd door nevel of kortsluiting
niet alleen in het regenseizoen
ook de zomer en lente kennen hun abrupte wolkbreuken
razende moessons zelfs

mijn broers graven diepe geulen om haar op te vangen
mijn zus bewerkt apathisch boomstammen met een scherpe bijl en bouwt dammen
mijn schoonzussen rapen hun kinderen bij elkaar en gillen stilletjes
daarna tillen zij hun jurken tot kniehoogte op
haar zussen sussen door de telefoon
zeven tegelijk in moedertaal
haar moeder gromt zacht en likt de waanzinnige wonden die niemand ziet
terwijl mijn moeder meerdere vaders tegelijk hoort spreken
haar kleinkinderen proberen haar voor hun verjaardag uit te nodigen
maar oeverloos water kent geen kleinkinderen

regen wordt verbannen
artsen verbieden het wateroppervlak te weerspiegelen
alle onheilspellende woorden die ze niet verstaan gooien ze overboord
schaduw en droom worden uit het woordenboek geschrapt
over de grens gezet
met morfine worden magische wezens in haar verdoofd

de kracht van mijn moeder is ongekend en overstroomt spectaculair het land
sleurt alles mee ondanks het leger maatregels van liefde

oevers zijn niet voor dromers
het verstand zal zwijgplicht krijgen
in stilte verzuipen
magische wezens zullen vrij zwemmen
wij vrezen onszelf

wij zijn water


lokroep

de lokroep van het bos blijft op je huid kleven
kruipt en grijpt zich vast aan je oor
ruist en huist tussen hamer en aambeeld
je pogingen om hem weg te krassen uit je weefsel
lopen uit op gehoornd verzet dat uit jouw schedel groeit
wat jij dwangmatig probeert te temperen haalt je hard in
keer op keer
ben jij weer de naakte verliezer

het bos roept
een priester gebood mij in een droom dat ik zijn geplunderde kerk moest redden
niet wetende dat ik een brandende fakkel achter mijn rug hield
ik gaf geen gehoor en een week later stuurde hij een Aramees mannenkoor naar mijn slaapkamer
op schermen verschijnen nieuwe goden
met golvend geblondeerd haar en gevulde lijven
zij prediken peperduur geluk
mijn grootmoeder zegt dat vrouwen pas na hun zeventigste vrij zijn
dan zijn ze overbodig
de vrouw geschapen uit een zwevende rib van Adam
mijn vriendin is terug in haar moederland
aan de Tigris leest ze zelfs de sportbijlage van de krant
heimwee barst uit in een gulzig monster

het bos roept nog
jij bent ook geboren in een vesting
jouw gewei is afgezaagd voordat jij het je kon herinneren
maar de littekens op je schedel zijn nooit genezen
je wacht elke schemering op de vleermuizen
je keel produceert jou onbekende resonanties
je aait langzaam de tongen van varens en wacht tot ze openrollen
je zoekt het gesternte in de overbelichte hemel
onder jouw huid wemelt het van krioelend leven
je stem gaat op jacht en de stad zal sterven
het afscheid zal zwaarder zijn dan de ingebeelde dood van een minnaar

het bos blijft roepen
laten we gehoorzamen
laten we oefenen in alleen sterven
dat is het enige waar we bang voor zijn
laten we het vlees van de nieuwe goden offeren

sta jezelf toe
sta mij toe
laten we
de stad afbranden
tot as toe
zuiver as
het bos zal genadig mens dier en ding opslokken
als een toegewijde moeder
daarna hervinden we onszelf
met een nieuw gewei in de donkerte

in de handpalm van de oude godinnen
met zwart haar en boven de zeventig

Nisrine Mbarki (1977) is schrijver, dichter, literair vertaler en programmamaker. Ze schrijft poëzie, theaterteksten en korte verhalen. Ze vertaalt uit het Arabisch naar het Nederlands. Haar werk verschijnt regelmatig in literaire tijdschriften als De Gids, Tirade en Poëziekrant

Meer van deze auteur