een reidans begint met een zingende dichter
een huilende zwaan met magneet in de keel
een reddingstouw geknoopt van witte lakens
gevlochten gouden haren van een razende maenade


we rijden naar duitsland.
langs de snelweg gaapt een laagte met machines:
een waagschaal boven de afgrond.

we rijden naar een muf kasteel dat wegzakt in een heuvel.
het kraanwater bruist van nature,
de avond valt er sneller dan normaal.
in de kelder komt er druipsteen van de witgekalkte muren.

in de toren slaap ik koortsig op een vlekkerig matras.
ik lig in mijn droom op mijn buik in het zand
aan de rand van een koolmijn, iemand houdt me
bij mijn zwakke enkels vast –


een bodemloze almacht.
een dobbelsteen geslepen uit een rotswand:
de waagschaal is geladen.

je luistert hoe de zware nacht zich uitstrekt zonder randen.
de goden zijn ijle atomen geworden
en denken niet veel meer aan ons.
ze spelen met een werpsteen, loom gedrapeerd op hun heuvels.

jou rest er niets dan je zoutlamp te wrijven.
er zal niemand komen. de bliksem zal niet inslaan
en je vrienden zijn vergeten waar je woont.
atmosferisch geruis van machines –


ik ga aan het raam staan.
om het kasteel ligt een donkere slotgracht:
een zwaan kleeft aan de spiegel van het water.

ik wilde graag dat ik het water als een raam kon opengooien,
de spiegel breken kon, het glanzende brons
met het licht van mijn ogen, geladen ionen –
maar alle sleutels zijn gebroken of gezonken tot de bodem.

het was een timmerman die jou de torenkamer gaf.
van een andere berg roept een toondove zanger
zijn lied in de laagte. ja waartoe dienen dichters
die hun haar niet naar beneden willen laten?

Kyrke Otto (1995) studeerde filosofie en klassieke talen aan de Universiteit van Amsterdam. Momenteel volgt ze een onderzoeksmaster in geschiedenis van de filosofie aan de Radboud Universiteit. Ze interesseert zich voor kwesties van genre, stijl en methode en schrijft graag gedichten.

Meer van deze auteur