MA: Volgens de Russische filmregisseur Andrej Tarkovski gehoorzaamt iedere kunstenaar aan wetten die voor andere kunstenaars helemaal niet hoeven te gelden. Aan welke wetten gehoorzaam jij?

BH: Ik ben geneigd te zeggen dat het er minimaal twee zijn, twee bovendien die elkaar in belangrijke mate tegenspreken. Naar mijn idee huist de essentie van kunst, of dat nu muziek is, of film, of poëzie, in de eenzaamheid van de maker, althans, in de aanvaarding van die eenzaamheid. Het besef dat er geen ontkomen aan je eigen inbreng is, ik in wezen alleen sta en me steevast blootgeef, of ik wat ik maak nu meen of fake, een deel van wie ben, onthul ik er altijd mee. Als mens kan ik wel ingetogen, bescheiden en zelfs schuchter zijn, maar kunst kent geen bescheidenheid, kunst is per definitie een daad van hoogmoed, een tragische daad: tegen beter weten in rol je de kei de helling op. De essentie van het openbaren van je werk, door bijvoorbeeld op te treden of te publiceren, is echter juist dat je niet alleen bent, maar je met anderen – nu, vroeger en in de toekomst – in verbinding stelt. Het is met zekerheid dit aspect dat me de directste voldoening geeft, maar het is voor mij net zo zeker dat mijn bestaan als kunstenaar uitgerekend daar niet om draait. Als je het hebt over wetten die enkel voor die ene kunstenaar gelden, als je het hebt over eenzaamheid, dan is dit voor mij het beeld: John Coltrane staat ergens vroeg in de middag op een festivalpodium. Publiek is er nauwelijks en de bezoekers die er wel zijn, hebben totaal geen aandacht voor de muziek. Op dat moment is Coltrane al doodziek, en niet lang na dit optreden overlijdt hij. Je ziet een man die bijna letterlijk zijn laatste krachten inzet om muziek te spelen, waarin vrijwel niemand is geïnteresseerd, die door bijna niemand wordt begrepen. Je ziet een man, uitgeput, versleten, die tegemoet getreden wordt met een onverschilligheid die hemeltergend is, maar die – en dat is het mooie – door hem volledig wordt genegeerd. Zonder enig compromis en met volle overgave speelt hij zich leeg – ja, zelfs kapot, en voor wie? Hij weet zelf niet eens waar de muziek die hij in zich heeft en nu loslaat hem heen zal leiden, of wat hij verkent meer waarde zal hebben dan dat experiment op zich. Hem daar zo eenzaam en zo krachtig saxofoon zien spelen, dat is voor mij het toonbeeld van gehoorzamen aan een particuliere wet.

MA: Wat mij in je werk treft, is de geestdrift die vrijkomt en tegelijk op een bepaalde manier onderhuids blijft. Een combinatie van een uitgesproken zachtaardigheid en een nog net ingehouden furiositeit. Als je dan over de essentie van het alleen-zijn begint, moet ik onwillekeurig denken aan het indringende boek van Olivia Laing De eenzame stad. Ze beschrijft daarin hoe haar eenzaamheid alles wat haar omringt vijandig, bedreigend maakt. Is dat hoe ook jij de wereld ervaart? Het zou voor mij de agressie in je muziek verklaren.

BH: Agressie?

MA: Agressie is het misschien niet, maar ik hoor woede, verbetenheid, ik hoor hoe iemand kracht zet, de hakken in het zand. Het klinkt als en vorm van tegendruk, een samenballing van kracht en energie, als reactie, een antwoord op wat buiten je ligt en in meerdere opzichten beklemmend, bedreigend, beangstigend is…

BH: Ongetwijfeld komt dat verbetene – en dat herken ik zeker – ergens vandaan. Je kent waarschijnlijk de bevreemdende sensatie van het horen van je eigen stem. Vermoedelijk is het je ook wel overkomen dat je met anderen een opname afluistert waarop je stem te horen is. Voor die anderen is het ontegenzeggelijk jouw stem, terwijl jij hem zelf nooit op die manier hoort. Wat je vraag in me oprakelt, is de discrepantie a priori tussen de maker en het gemaakte. Die discrepantie fascineert me, maar beangstigt me ook, tegelijkertijd. Want ik ben me natuurlijk ervan bewust dat wat ik maak iets uitdrukt, en als het eenmaal klaar is, kan ik zelfs tot op zekere hoogte zeggen wat. Maar zou ik iets zinnigs kunnen maken, wanneer ik me voortdurend realiseer wat ik aan het uitdrukken ben? Ik betwijfel dat. Stel ik wil uitdrukking geven aan mijn verdriet over een voorbije relatie. Dan moet ik tot de kern kunnen gaan en geen enkele gedachte of emotie op voorhand uitsluiten. Goed, ik schrijf dat liefdeslied, ik vind een melodie die naar mijn gevoel de weemoed van die vergleden liefde omvangt, maar dan als ik soleer, krijgen – schijnbaar uit het niets – verdriet en onmacht, en woede inderdaad, de overhand. Emoties waarvan ik maar ten dele wist dat ik ze had. Ik dacht vrede te hebben met hoe het was gegaan, niet kwaad te zijn op haar en dan, als ik speel, komt ineens… Jij moet dat herkennen, jij hebt immers dat gedicht geschreven waarin een vader zijn zoon van een kast laat springen en hem niet opvangt. Als je dat van tevoren had beoogd, zou het effectbejag, een provocatie zijn, maar ik beeld me in dat je trillend van je bureau opstond en begoocheld was door wat blijkbaar uit je geest kon voortkomen, en tegelijk door de zeggingskracht ervan. Ik heb solo’s gespeeld die me nog altijd verbazen, en ja, na al die jaren snap ik vrij goed hoe mijn felheid misschien wel plotseling, maar niet zonder grond, naar buiten kwam. Dat is op hetzelfde moment goed en ongemakkelijk, want ik besef dat ik mezelf beter heb leren kennen en dat ik toch niet helemaal ben wie ik denk te zijn. Zo verging het Olivia Laing ook. Zij zit daar als Engelse in die grote, vreemde Amerikaanse stad. Doordat haar vriend de verhouding verbreekt, verandert ook de relatie met haar nieuwe woonplaats wezenlijk. Terwijl ze dagelijks meemaakt hoe anders ze alles in die stad ervaart, komt ze tot het inzicht dat ze niet zozeer zonet pas is verlaten, maar dat er al lang een basale eenzaamheid in haar schuilt en dat die eenzaamheid invloed heeft op hoe ze kijkt, hoe ze doet, zich gedraagt, hoe die eenzaamheid haar wezen eigenlijk voorschrijft.

MA: Ik had met het boek van Laing het opmerkelijke gevoel dat eindelijk iemand de essentie van je vat, maar je ergens ook betrapt. Mij was meer dan eens gevraagd of ik de wereld als bedreigend ervaar, en ik snapte heel goed waar die vraag uit voortkwam, maar een antwoord had ik niet, tot ik Laing las en inzag hoe een fundamentele eenzaamheid mijn blik bepaalt, hoe die blik als kind uit een kunstenaarsgezin gevormd is, vanuit het gevoel altijd af te wijken van de norm en daar zowel de vrijheid van te voelen als het voortdurend ervaren buitengesloten te zijn. Ik zag ook in hoe dat gevoel van eenzaamheid groeide naarmate ik langer schreef en publiceerde, met elk boek had ik het idee wie ik werkelijk denk te zijn dichter te hebben genaderd en het maakte me enkel meer alleen. Dit geloof ik ten zeerste: werk wordt beter naarmate het de auteur meer ontbloot, hem toont terwijl hij op dat tonen niet is voorbereid. In het Bijbelverhaal van Noach zit een korte passage die mij al lange tijd bezighoudt. Noach heeft zijn opdracht volbracht, hij heeft nieuw land gevonden, de oude vorm van leven is door de zondvloed uitgewist, nu hij en zijn gezin de beproeving hebben doorstaan, is het tijd voor een nieuw begin. Uitgerekend dan laat hij zich gaan, hij bedrinkt zich en in de roes kleedt hij zich uit. Een van zijn zoons, Cham, vindt hem in die staat, lacht om hem en haalt zijn beide broers erbij, die de laveloze, naakte Noach met zijn mantel bedekken voor de beschimpende blik van Cham. Noach verbant zijn zoon. Na voor de zwaarste test die vermoedelijk voor een mens denkbaar is te zijn geslaagd, is hij niet in staat de spot van zijn zoon, een jongen nog, te weerstaan. Het verhaal raakt me omdat het de essentie vervat van ‘gezien zijn’ in de negatieve connotatie die deze uitdrukking heeft. Ik denk dat Lucebert niet precies genoeg was toen hij ‘alles van waarde is weerloos’ schreef, ik denk dat niet het werkelijk waardevolle op zich weerloos is, maar wel degene die de manifestatie van die waarde beleeft. Een tijd terug zat ik met mijn gezin in de auto, onze zoons zaten uit verveling te klieren en in de hoop hen af te leiden zette mijn vrouw de radio aan. Al snel kwam een lied van de band Keane voorbij en onze oudste viel op slag stil. Met intense aandachtigheid luisterde hij van begin tot eind en toen de muziek stopte, was hij compleet beduusd. ‘Was dit soms echt heel mooi?’ vroeg hij en zijn stem bibberde een beetje. Hij was in een ongedachte liefde verrast, had geen verweer gehad. Ik kon de volle vier minuten die dat lied duurt zien hoezeer de muziek mijn zoon in haar ban had, hoe wij als medepassagiers in wezen even uit zijn wereld verdwenen en pas toen de muziek ten einde was, wij weer ­terugkwamen, en hij terugkwam, nauwelijks kon bevatten wat hem overkomen was…

BH: Tarkovski heeft dan misschien gelijk met zijn stelling over die wetten, maar er is er minstens één die voor elke kunstenaar geldt of op zijn minst zou moeten gelden, en dat is het soort aanraking dat je zojuist beschreven hebt. Of jij je dat moment nu herinnert of niet, er is minstens één ogenblik geweest waarin je geopenbaard kreeg dat het domweg bestaat, dat muziek bestaat die alles om je heen stilzet, dat gedichten bestaan waarbij je het gevoel krijgt dat iemand je tot in de kleinste vezel begrepen heeft. De deur die maar een paar minuten geopend is, gaat nooit meer dicht. Die ervaring is de gelijktijdige manifestatie van een belofte en een gemis. Je wordt gesnapt – ik druk me met opzet dubbelzinnig uit – er is geen ontkomen meer aan, de liefde heeft zich aan je geopenbaard en een paar minuten later is ze verdwenen, maar heeft je achtergelaten, nu wetende dat ze bestaat, sterker nog, je kunt je niet meer voorstellen dat ze er nooit eerder was. Volgens Alain Badiou is liefde in essentie de mogelijkheid de wereld ook via een ander te zien. Op de vraag waar mijn werk over gaat, zal dat steevast mijn antwoord zijn. Mijn werk gaat niet over mij, maar ik ben noodzakelijk om het te maken, sterker nog, het kan uitsluitend dankzij mij bestaan. Mijn wereld, de jazz, is gedomineerd door zelfverlies, al die getalenteerde mensen die vaak nog niet eens een half leven hebben geleid. Vergeet niet, ik zat in de band van Lee Morgan, ik was erbij toen hij bij een optreden werd doodgeschoten door zijn vrouw. Ik heb daarom veel over dat zelfverlies nagedacht. Werd Noach kwaad omdat Cham hem naakt zag? Werd hij kwaad omdat hij in zijn onvermogen werd betrapt? Of is het eenvoudiger dan dat, had hij zijn zoon dat kwetsbare beeld van zichzelf liever willen besparen, voor altijd degene te zijn die manmoedig is, die slaagt? Kunst is falen, omdat in alle kunst iemand zich tot uitdrukking brengt die zichzelf niet kent en enkel door zich uit te drukken kennen leert, leert dat hij alleen is én niet alleen is, dat hij de wereld ook als een ander kan zien. Misschien is dat de les van Noach en Cham. Misschien geeft Noach aan Cham de kans uit zijn schaduw te treden, leert hij hem – the hard way, omdat er geen andere manier is – alleen te zijn.

MA: Sorry dat ik je onderbreek, weet je eigenlijk waarom ik uitgerekend met jou spreek?

BH: Weet ik niet, nee (lacht een fijne lach) maar ik heb het me wel heel de tijd afgevraagd.

MA: Wanneer ik twijfel over een nieuwe vorm of juist bang ben dat ik mij herhaal, draai ik vaak jouw nummer ‘Love on the Sudan’, omdat jouw twee solo’s daarin tegelijkertijd zo vurig en zo vredig zijn. De intensiteit waarmee je dezelfde melodie telkens een fractie anders herhaalt dwingt me scherp te blijven, doordringt me van het besef dat ik nog verder, nog dieper zou kunnen, en dus ook moet gaan, maar belangrijker nog, juist omdat jij je in die solo’s op een bepaalde manier herhaalt – de melodie van die solo’s is goeddeels dezelfde – en tegelijk in alles, in toon, in timbre, in emotie, varieert, worden die solo’s het toonbeeld van het proberen, van het falen dat aan maken verbonden is, en dat zo mooi is, niet omdat de maker zich blootgeeft, maar omdat hij wordt blootgelegd, ontkleed. Elke keer dat ik jou die solo’s hoor spelen, die ongewoon felle tenorsaxofoon, hoor ik iemand met een vredig, vurig hart, een samenvallen van tegenstellingen, van uitersten, van jouw en mijn lot, altijd schieten we tekort, en tegelijk klinkt in die solo’s ook de acceptatie van dat tekort, je draait het zelfs om, elke hapering, elke overgeblazen toon, precies alles wat het pogen uitdrukt, is het mooist. Je zei het zelf aan het begin, kunst is een hoogmoedige en tragische daad. Je bent alleen, dat hoor je, ook al heb je bandleden om je heen, je bent alleen in die solo’s en je vervat je hunkering, je verlangen naar liefde, zo in je klank dat je met die liefde samenvalt, je liefde wordt, in die zin dat je het mogelijk maakt de wereld als een ander te bezien en jij jezelf beziet als een ander.

Mischa Andriessen (1970) is dichter. Hij werkt momenteel aan zijn vijfde bundel, vooralsnog getiteld Het drogsyndicaat. Daarnaast publiceert hij met regelmaat in verschillende media over beeldende kunst en jazz.

Meer van deze auteur