Ik ben een rancuneuze vrouw in de vorm van een peer.

Gezien wat ik allemaal heb meegemaakt, vind ik mezelf best normaal.

Toen ik jong was had ik een moeder die veel ruziemaakte. Eens in de zoveel tijd kwam een van haar vijanden weer eens wraak nemen en dan werd er een hoop paardendrollen in krantenpapier bij ons door de brievenbus geduwd. ‘Kijk mama, een verrassing!’ riep ik uitgelaten wanneer er weer een nieuw poeppakket op de deurmat viel, en dan zei mijn moeder: ‘Nee, lieverd, dit is niet hoe een verrassing eruitziet.’

Ik was zeven toen ik leerde wat het woord ‘guillotine’ betekende. Het was door een documentaire over Marie Antoinette, die mijn moeder voor me had opgezet omdat ze dacht dat het een prinsessenfilm was.

Soms luister ik naar agressieve muziek terwijl ik autorijd. Ik ben dan altijd bang dat ik per ongeluk een botsing veroorzaak of, erger nog, dat ik opzettelijk een botsing veroorzaak omdat de muziek het van me vraagt.

Ik ben een aardig mens totdat je verliefd op me wordt. Als je beweert verliefd op me te zijn zal ik je vragen om tien, twintig, honderd rondjes door het park te rennen om het aan me te bewijzen. Als je mijn instructies opvolgt, zal ik onmiddellijk mijn interesse verliezen. Gehoorzaamheid verveelt me.

Als ik lach houd ik mijn tanden voor mezelf.

Ik schaam me voor de dingen die ik googel.

Zijden handschoenen bij mij in de buurt.

Wanneer mensen zeggen dat ik een zandloperfiguur heb, ben ik bang dat ze bedoelen dat ik eruitzie alsof ik jong zal sterven.


Ik ben een vrouw, denk ik, van vijfendertig jaar. Ik ben bang voor zwarte gaten en het woord ‘mitrailleur’. Mijn dochter pubert als de neten. ­Vorig weekend wilde ze per se pizza als avondeten, terwijl ik helemaal geen pizza in huis had gehaald. ‘Ga terug naar de supermarkt, of het zal je berouwen,’ zei ze tegen me, waarna ik haar uitlachte. Het klonk belachelijk om zulke grote dreigementen uit zo’n jonge meisjesmond te horen komen. Na mijn lachbui stampte mijn dochter vol woede de trap op naar boven, naar mijn atelier, waar ze een mes in mijn nieuwste creatie plantte. Het was een portret van een koe, veertig bij veertig centimeter, olie op doek. Toen ik boven kwam stak het mes uit haar roze snuit, de snuit van de koe, bedoel ik. Dat liet me zien wie er de baas was. Ik ben meteen naar de supermarkt gegaan om een pizza pepperoni uit de diepvries te vissen. Ik wist niet hoe snel ik weer naar huis moest keren, zo bang was ik dat mijn dochter nog een van mijn schilderijen zou toetakelen als ik te lang op me zou laten wachten. Bij thuiskomst wachtte nog een tweede uitkaffering. ‘Pepperoni? Je weet toch dat ik sinds vorige maand vegetariër ben!’ Dat geloof je toch niet, een vegetariër die een koe neersteekt? Ik heb haar gedwongen om de pizza op te eten. Ze deed er drie uur over en er kwamen flink wat tranen bij kijken, maar daarna stonden we weer quitte. Ik laat niet over me heen lopen. In groep acht hield ik mijn spreekbeurt over de okapi. Als ik wijn drink vind ik mezelf leuk, maar als ik nuchter ben twijfel ik weer. Ik zou weleens een koala willen vasthouden en er dan mee op de foto gaan.


Ik houd van mysterieuze dingen, maar mijn moedervlekken baren mij zorgen. Ze zijn het verkeerde soort mysterieus. Ik slaap slecht omdat ik veel nadenk over wat er allemaal nog met mijn lichaam kan gebeuren.

Vroeger bloosde ik veel. Ik schaamde me ervoor, voor dat eeuwige blozen wanneer ik nerveus was, of wanneer ik me gezien voelde. Ik besloot tramadol te gaan slikken om mijn gevoelens te verdoven, in de hoop dat het blozen daarmee voorgoed zou ophouden. Dat lukte, uiteindelijk. Ik heb al in geen tien jaar meer gebloosd. Ik kan ook niet meer naar het toilet zonder eerst een laxeermiddel te gebruiken. En het lukt me niet om klaar te komen.

Roland Barthes noemde de longen een stom orgaan, omdat ze kunnen opzwellen maar geen erectie kunnen krijgen.

Mijn beste vriendin noemt zichzelf een anarchist, maar als ze ruzie heeft met haar vriend belt ze meteen de politie.

Ik geloof in de lotto maar niet in God. Ik weet waar mijn grenzen liggen.

Vorige week schreef ik iemand een zeer intense liefdesbrief waarin ik mijn intiemste gevoelens bekendmaakte. Daarna schreef ik er nog een brief achteraan waarin ik alles weer terugnam.

Ik kom regelmatig thuis met spullen waarvan ik me niet kan herinneren dat ik ze ooit wilde.

De laatste tijd probeer ik liever voor mezelf te zijn. Hiermee bedoel ik dat ik mijn lichaam dagelijks insmeer met bodylotion en dat ik ben gestopt met roken.


Ik heb wat je noemt een vermijdende persoonlijkheid. In drukke winkels doe ik alsof ik zwanger ben zodat ik met rust word gelaten.

Op dagen dat alles onwerkelijk voelt bijt ik in een rauwe jalapeño om mezelf terug naar de realiteit te halen.

Ik ben een levensgenieter.

Een vrouw op het internet gaf me eens een wijze raad. Het kostte me vijftig dollar om met haar te praten. ‘Ik heb veel last van dingen,’ zei ik haar. ‘Dingen die me irriteren. Herrie op straat, voicemailberichten, de onverklaarbare pijn in mijn onderrug. Ik weet niet wat ik kan doen om het te laten ophouden. Afgelopen herfst heb ik de muren van mijn woonkamer oranje geschilderd en het is heel mooi geworden, maar ik erger me zo aan alles dat ik zelfs niet van mijn nieuwe uitzicht kan genieten. Ik ben ten einde raad.’

De vrouw zweeg even. ‘Koop een citronellakaars en een notitieboek,’ zei ze toen. ‘Schrijf alle dingen die je irriteren op in het notitieboek en knip de regels een voor een uit. Steek dan de citronellakaars aan en verbrand de repen papier in de vlam. Weer je irritaties af alsof het muggen zijn. Laat ze as worden.’

Ik knikte naar haar en daarna verbrak ze de verbinding. Ik volgde haar advies op maar na een tijdje begon het verbranden van het papier me te ­irriteren. De geur van de as behaagde me ook al niet. De overgebleven irri­taties heb ik toen maar opgegeten. Het papier smaakte nergens naar en mijn spijsvertering verliep zoals gewoonlijk. Het was net alsof mijn irritaties nooit hadden bestaan.

Ik betaal graag voor geruststelling.

In de horrorfilm in mijn hoofd wordt het veganistische meisje gedwongen zich een weg door een berg vogelspinnen te eten.

In mijn meest recente droom gooide ik een watermeloen van mijn balkon, maar hoorde ik hem niet landen.

Nadia de Vries (1991) schreef de kritische memoires Kleinzeer (2019) en de Engelstalige dichtbundel Dark Hour (2018). In 2020 promoveerde ze aan de Universiteit van Amsterdam op een proefschrift over de online afbeelding van het dode menselijk lichaam. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman.

Meer van deze auteur