Toen duidelijk werd dat het oktobernummer van De Gids zou worden samengesteld rond het thema ‘self-design’, de cultuur van zelfhulpprogramma’s en praktijken om ons leven en identiteit planmatig vorm te geven, moest ik meteen aan Deborah Eisenberg denken.

Niet omdat deze Amerikaanse schrijfster, inmiddels vijfenzeventig jaar oud, een zelfhulpprogramma aanprijst of over het verschijnsel prikkelende beschouwingen heeft gepubliceerd, maar omdat ik kort daarvoor een paar interviews met haar had gelezen waarin ze vertelde over haar jeugd en adolescentie en de periode waarin ze was begonnen met schrijven.

Toen ze negentien was ontsnapte ze uit een kostschool in de bossen van Vermont, waar haar wanhopige ouders haar hadden ondergebracht, en liftte ze met een jonge man kriskras door de Verenigde Staten. Na een jaar rondzwerven eindigden ze in een kraakpand in een achterbuurt van Boston en toen de man uit beeld verdween wilde Eisenberg niets liever dan naar New York. Een paar jaar later waagde ze de sprong en verhuisde. Naast een baantje als serveerster volgde ze colleges op The New School, een alternatieve universiteit met beroemde docenten maar zonder toelatingsexamen. Het was een chaotisch en armoedig bestaan, en ook al was ze miserabel en eenzaam, ze leefde in de overtuiging dat dit precies was wat ze wilde. New York was de ideale stad om, zoals ze zelf zei, werkelijk anoniem te kunnen leven, en nooit te hoeven denken dat je beter ergens anders kon zijn. Naar eigen zeggen was ze vooral vastbesloten niets te worden, niets van zichzelf of haar leven te maken en vooral niets te presteren. Ze wist niet wat ze wilde en dat wilde ze ook helemaal niet weten. Hooguit was duidelijk dat ze geen kinderen wilde, omdat ze van kinderen niets begreep en zich haar jeugd gelukkig slecht herinnerde. En ja, ze was pislink, regelrecht woedend op de hele wereld.

Dat leek me een goed startpunt om over zelfhulp na te denken. Niet naar de zelfhulpprogramma’s en hun achterliggende theorieën kijken, maar naar de omstandigheden van degene die in haar wanhoop een potentiële klant is. Mensen die in de put zitten en met argwaan naar de beloften van de zelfontwerpers luisteren, wat zijn die op het spoor? Ze staan oog in oog met de ontreddering en angst die het leven oproept en antwoorden met de resolute en botte weigering van elke vorm van georganiseerde en geprogrammeerde ontwikkeling.

Eisenbergs opstelling was die van zoveel ongelukkige, getraumatiseerde, depressieve en gefrustreerde jonge mensen: keihard de hakken in het zand zetten en weerstand bieden tegen elke eis of norm, ook als die verpakt zijn in de vorm van ondersteuning, zorg, ­therapie of vermaak. De wereld zegt dat zelfontplooiing, welvaart, geluk en liefde voor het grijpen liggen, als je jezelf maar helpt. Eisenberg, en zovelen met haar, zei: bekijk het maar, ik verdom het, krijg de klere.

Woede

Waarom zou een jong mens nee zeggen tegen kennis, geluk, erkenning, ondersteuning en hulp?

Deborah Eisenberg weet het inmiddels haarfijn te beschrijven. De waarden die verbonden waren met het leven van een aangepast, gewaardeerd en gelukkig lid van de ontwikkelde Joodse middenklasse waartoe ze behoorde, maakten haar misselijk. Zwak en miserabel. Haar waarde als individu werd volledig vereenzelvigd met de mate waarin ze zich aanpaste, presteerde en diploma’s zou halen. Het gevolg: verlammende angst, totale verwarring, recalcitrante woede.

Haar ouders waren de kinderen van Oost-Europese immigranten die straatarm in de Verenigde Staten waren aangekomen nadat ze het vege lijf had weten te redden in de pogroms die Rusland en Oekraïne teisterden. Voor die kinderen was er maar één programma: slagen in het nieuwe land, koste wat het kost. Alles om hun ouders voor hun offers terug te betalen. Dat ­deden ze: haar vader was kinderarts, haar moeder had ook gestudeerd maar offerde zich traditioneel op voor het gezin. Dat er aan de emotionele druk zich aan te passen en uit te blinken ook keerzijden konden zitten, dat kinderen geen neutrale menselijke grondstof zijn en dat opvoeden geen kwestie is van een maakbaar programma, was bij ­Eisenberg thuis ondenkbaar en onbespreekbaar.

Tussen Eisenberg en haar moeder ging het om woede. In een vraaggesprek met de Paris Review zegt ze: ‘Op het gebied van woede ben ik een soort deskundige, omdat ik er mijn hele jeugd lang het mikpunt en ook de bron van ben geweest. Het is de allerellendigste toestand om in te verkeren, maar ook geweldig bevredigend: razernij voelt gerechtvaardigd. En het is een uitstekende vervanging voor actie. Waarom zou je je woede opofferen in ruil voor de lange, moeilijke en saaie inspanning om iets te bewerkstelligen dat beter te verdragen is?’1

Wat was de reden voor de harde veroordeling van Eisenbergs moeder? Als kind kon ze dat niet bevatten, maar de volwassen Deborah ziet het scherp: ‘Ik was de belichaming van al haar geheime vreemdheid en onacceptabele eigenschappen.’

Alle koppigheid, overgevoeligheid, alle angsten en verlangens die niet strookten met het beeld van de deugdzame, ijverige en succesvolle doktersdochter moesten worden uitgebannen. Bij de kleine ­Deborah lukte dat van geen kant, ze was als kleuter al een regelrechte ramp. Ze dwong met haar onmogelijke gedrag wel een situatie af die haar enig respijt gaf: haar moeder deed haar op een school buiten de stad, waar twee lesbische communisten op een kleine boerderij alternatief onderwijs gaven. Even was ze gelukkig. Maar op de middelbare school ging het mis. Ze bleek ontembaar.

De oproep iets van je leven te maken veronderstelt niet alleen socialisatie, maar ook disciplinering. Je doet niet alleen kennis op, je krijgt ook een denkraam aangemeten. Je leert wel productief en competitief te worden, maar raakt ook verslaafd aan status en beloning. Het wantrouwen van de kleine Deborahs van deze wereld ontstaat doordat ze horen dat ouders wel geborgenheid en liefde beloven, maar op bepaalde voorwaarden. De leraren, priesters en dokters beloven geluk en een normaal leven, op voorwaarde dat je je onderwerpt aan hun normen. Chefs en bazen stellen aanzien en geld in het vooruitzicht, als je gehoorzaam het program van het bedrijf volgt. Wat de schadelijke gevolgen zijn van het geweld dat je jezelf daarmee aandoet is een taboe. Niet over denken! Niet over praten!

In de stemmen van de goeroes, de therapeuten, de zelfhulpcoaches en consultants zijn dezelfde beloftes en even dwingende normen te horen. Fout en goed, gezond en ongezond, echt en onecht, het staat doctrinair vast, en jij dient jezelf dienovereenkomstig te herprogrammeren. De traditionele instituten van familie, kerk, school en bedrijf zijn vloeibaar geworden en in sommige gevallen zelfs gasachtig. De hedendaagse mens moet zijn eigen familiemoraal verzinnen, de kerk is uiteengevallen in duizenden geloofjes en sektes, werk is een hachelijke reeks freelancecontracten of je moet zelf een bedrijf opzetten. We moeten kortom zelf uitzoeken hoe we onszelf programmeren, disciplineren en geweld aandoen. Geen wonder dat er zo veel mensen afgebrand thuis zitten.

Stilstand en beweging

Het geval Eisenberg, of haar ontstaansmythe als schrijver zoals ze die in vraaggesprekken ontvouwt, is zo boeiend omdat ze in een paar zinnen het complexe proces schetst dat volgt op het onhoudbaar worden van haar weigering te presteren en zich te ontwikkelen. Want woede is in haar ogen aanvankelijk wel bevredigend, omdat het een gevoel van gerechtvaardigde verontwaardiging geeft; en het afzien van elke opbouwende handeling geeft haar een aantrekkelijke emotionele macht over haar omgeving, omdat het anderen ontregelt en machteloos maakt. Maar het is ook een verlammende en trieste vorm van stilstand.

Dat werd haar duidelijk vanaf het moment dat ze een relatie kreeg met Wallace Shawn, de meest onwaarschijnlijke soulmate die er voor haar bestond. Een economie en Latijn studerende telg uit een gefortuneerde Joodse familie die meedraaide in de culturele elite van Manhattan. Al snel vormden ze samen een parallel universum, een tweemanschap tegen de wereld. Een bubbel waarin ze elkaar ingrijpend veranderden. Hij nam afstand van het carrièrepad dat zijn ouders aan Wall Street voor hem hadden uitgestippeld en besloot acteur te worden en toneelstukken te schrijven. Zij gaf eindelijk toe dat ze vastzat. Haar woede ontdooide. Dankzij de intimiteit met Wally ontdekte ze emotionele en geestelijke processen die ze daarvoor nooit voor mogelijk had gehouden, zei ze. In de Paris Review: ‘Ik was ongeveer dertig en het zag ernaar uit dat ik zonder enige reden op aarde was gezet. Ik had nooit willen weten wat ik zou doen en dat wist ik ook werkelijk niet, ik was echt heel wanhopig.’

De toestand waarin ze verkeerde leidde niet tot de omarming van de een of andere analyse van wat haar authentieke en eigen kwaliteiten zouden zijn. Ze onderwierp zich niet aan een therapie. Haar instinctieve beslissing was om zichzelf te ontregelen, om het statische beeld van de breekbare jonge vrouw die kijkend en rokend, pratend en oordelend, vragend en denkend helemaal niets deed open te breken. Ze stopte met roken.

De ontreddering was compleet. Eisenberg beschrijft het als een rouwproces dat een jaar duurde, waarin ze afscheid moest nemen van de persoon die ze had omgebracht door te stoppen met roken. Ze typeerde het zo: alsof de lijm die haar bijeen had gehouden zich had opgelost. Wie kwam er in de plaats van de afgestorven persoon die ze was geweest? Nu haar statische, rokende zelf was ontmanteld bezwoer ze de onrust door in de YMCA op een indoorbaan te gaan ­hardlopen. De beweging leidde ertoe dat haar waarneming veranderde, wat ze hoorde en voelde, wat ze zag en dacht bij wat er om haar heen gebeurde. Wally werd tureluurs omdat ze niet kon stoppen dat allemaal te beschrijven en nog eens te formuleren.

Schrijf het alsjeblieft op, maak een reportage over de YMCA, was zijn advies en dat deed ze. Na een jaar had ze het manuscript af en volgens Wally was het helemaal geen reportage. Het was een kort verhaal, volgens hem, omdat het over het ontdekken van haar eigen waarneming ging en niet over sportende mensen. In het jaar dat volgde schreef en vernietigde ze meerdere versies. Toen ze het verhaal af had zei Wally: ja, nu is het een kort verhaal, maar alle leven is eruit verdwenen. Ze begon opnieuw. Drie jaar nadat ze gestopt was met roken was het verhaal ‘Days’ af, het enige autobiografische verhaal dat ze zou schrijven. Ook al zou het nog zeven jaar duren voordat ze genoeg verhalen had geschreven voor een debuutbundel, ze wist dat de reden dat ze op aarde rondliep was dat ze verhalen kon schrijven. Ze was veertig toen haar debuut verscheen en ongeveer elke tien jaar is er een nieuwe bundel. Haar productie is gemiddeld één verhaal van zo’n twintig bladzijden per jaar.

Maken en worden

De ontstaansmythe van het schrijverschap van Deborah Eisenberg is exemplarisch in verband met het nadenken over zelfontwerp. En het zit hem in dat woord ontwerp. De allerverschrikkelijkste vraag die een mens kan overvallen is: wie ben ik, wie kan ik zijn, wie wil en kan ik worden? Zeker als die vraag lang verboden of onderdrukt is kan zich daarachter een afgrond, een regelrechte hel openen. Je bent weerloos en wordt opgewacht door een menigte oplichters, aasgieren en slavendrijvers. En kun je je eigen oordeel vertrouwen?

Het concept van self-design berust op de hoop dat je een nieuwe vorm voor je Zelf kunt wíllen. Dat je dat nieuwe Zelf kunt maken door een aangeleerde, abstracte blauwdruk toe te passen op de passieve grondstof die je leven is. In het woord ontwerp zit een rationeel en zelfs industrieel element. En natuurlijk kunnen zulke programma’s gunstige effecten hebben, maar het wantrouwen dat het weleens symptoombestrijding kon zijn is terecht. Zelfbedrog. Stucwerk en een lik verf tegen betonrot. Of nog erger: een geneesmiddel dat rampzalige bijwerkingen heeft, zoals anti­depressiva die tot zelfmoord aanzetten.

Eisenbergs instinct koos voor wat ze ‘hersenbeschadigende verwarring’ noemt, die ze elke keer als ze een verhaal begint ervaart. Er is een begin maar geen plan. Het is een sprong van een klif. En na maanden werk denkt ze: waarom heb ik dit in vredesnaam allemaal geschreven? Daarna begint ze opnieuw en kan er een definitieve versie komen. De hoop die hierin is opgeslagen is dat de woede tegen wat ze de phoniness van het eigen bewustzijn noemt, via chaos en verwarring uiteindelijk iets laat ontstaan wat unphony is. Jezelf vinden door vreemd te durven worden voor jezelf.

Elk ontwerp weigeren, elke abstracte regel of norm negeren, en de moed opbrengen je zelfhaat uit te zitten, te wachten tot zich een patroon aftekent in je chaos. Niet van jezelf of je leven iets maken, maar het iets laten worden. Waar zelfhulpprogramma’ s grossieren in analyses, verklaringen, bewijzen en schema’s, daar is het geval Eisenberg een voorbeeld van de kracht en waardigheid die kunnen ontstaan als je weigert te verklaren, te bewijzen, rechtvaardigen en presteren. Daar hoef je geen schrijver voor te zijn. Onze ware verlangens en mogelijkheden kunnen misschien niet direct en planmatig aan het licht gebracht worden. Maar ze kunnen zichtbaar worden door via een omweg te gebeuren, via anderen, via iets wat we doen of maken. De kunst is dat niet te forceren, maar te laten gebeuren. Of deze levenshouding iets oplevert? The profit is in the process, en omdat er geen uiterlijke norm is om dat mee te beoordelen, is mislukking strikt genomen onmogelijk.

  1. Paris Review, ‘Deborah Eisenberg, The Art of Fiction No. 218’, 2013. 

Dirk van Weelden (1957) is schrijver en redacteur van De Gids. Hij debuteerde in 1987 samen met Martin Bril met Arbeidsvitaminen, daarna in 1989 solo met Tegenwoordigheid van geest. Hij schreef romans, novellen en bundels met essays en verhalen. Zijn recentste roman is Het laatste jaar (2013). Hij werkt aan een nieuwe roman. 

Meer van deze auteur