Wees gerust, liefste. Vanavond
zal de autostrade ons beademen.

Ons beademen met O.

De vrachtwagens zullen de ontaarding verslinden
en een enorme cumulonimbus O over de stad uitrollen,
over de viaducten, de paleizen, de flatgebouwen,
de wijken creperend onder asbestose,
de kantoren, waar de late bewakers,
de onder verharding gebukt gaande dataverwerkers,
de dossierbeheerders met Bechterew

ontwaken
als door een volle en donkere dosis recht
in hun arteriën.

Ze zullen hun rug rechten,
opkijken
en het zien zwemen aan de horizon.

Want niemand wist meer wat dat was:
O.

De juristen
die niet thuis worden verwacht
die doorgaan in gezeemde kantoren tot diep in de nacht
met peesschedeontstekingen in nek en vingers,
met lampjes bungelend aan hun zonnehoeden,
met het ritueel van meegebrachte wafels (een religie haast),
hun verzet is wakker gekust
als de spierballen van gewichtheffers op amfetaminen,
zie het opzwellen onder hun opgestroopte mouwen.

De juristen, de bewakers, de dataverwerkers, dossierbeheerders,
ze smijten hun files dwars van hun cel in de kantoortuin
naar de cellen van hun collega’s –
snijden zich aan het papier:
zo enten ze zichzelf op oude perenbomen
en beginnen monsterlijk te bloeien
en buitensmonds te vloeken.

Schrik niet,
het is maar de schreeuw van een reiger
die magnetisch achter ons landt.

De reiger landt op het reuzenrad.
De reiger landt op het orgel.
Hij landt met zijn bisschopsstaf tussen de jaguars.

Parkeerterreinen met vergeten automobielen
worden vogelbroedgebieden terwijl de vogeltellers
in lockdown van lompen hangmatten zitten te vlechten.

De cumulonimbus
die zich als een drakentong uitrolt boven de woonblokken
en alle O over ons uitstort, hij weet
van het vreemde,
van ons verlangen
naar dat ene moment zonder brandverzekering – kijk:

Dat is nou het leven,
dat langsschuifelt in zijn duffe wintermuts
gesteund door een bisschopsstaf.
Het rochelt.
Heeft een droge hoest.
Het hijgt aldoor hetzelfde:

Naar rato
Naar rato (etc.)

Straks zit het vol exploderende bloedklonters
en zal het een pioenenfeest worden in zijn arteriën.
Maar het zal naar rato worden beademd.

Kom, laat ons alle kerkorgels van dit land
aanzetten tot overspel!

Laat ons het galmen vermengen met grootse onweders!

We zullen allemaal wolken worden,
paspoortloos drijvend over de aarde
paspoortloos rondjes drijvend om de aarde
regenend op wie we maar willen.

Moet je voorstellen,
al die dingen die niet op Facebook worden gezet.

Al die bewegingen, niet geregistreerd.
Ze kunnen zomaar gaan slapen in de Grand Canyon.
Zomaar gaan lachen.

O,
Laat ons naast het spoor het reuzenrad bestijgen
met paardrijlaarzen aan. Met vlammende zwaarden,
Schotse whisky en een krankzinnig despotisme.

We flikkeren de ontaarding in de rivier
en dreggen uit de rivier de tederheid op.
Het maakt niet uit hoeveel slib er in haar bruidsjurk hangt
en hoeveel slijk er uit haar oren komt.

Zeldzaam.

Tussen de vingers van het ik
tussen de lippen
ergens tussen de ribben in de onbemande buik vonkt
een tederheid op,
opgevat uit het ontzegelde niets,
tederheid voor de volslagen vreemde.

En we besluiten tot het ene.
Tot wat verboden is.
We zoeken
tussen de kapotte oplaadsnoertjes
en ontwrichte rozenkransen
elkaars hand.

Zoeken
in de catalogus van ziekten
elkaars lippen.

Straks zullen de jager-verzamelaars
naar de perentuin op Luchtbal komen.

Wees maar gerust, liefste,
zij zullen ons vast wel naar rato
willen beademen
met O.

Annemarie Estor (1973) is dichter en cultuurwetenschapper. Ze schrijft ‘ontwrichtende poëzie die fascineert vanwege haar bedwelmend zinnelijk vermogen’ (De Standaard). Haar werk werd bekroond met de Herman de Coninckprijs voor het beste debuut 2011, de Herman de Coninckprijs voor de beste dichtbundel 2013 en de Jan Campert-prijs 2018.

Meer van deze auteur