Ik was een tijdje bevriend met een meisje genaamd Jenny. Jenny leeft in een alternatieve werkelijkheid. Een die niet zozeer los bestaat van die waarin we leven, of die de wereld zou moeten opvolgen, maar een die over de onze heen is gespannen. Zoals fictie alleen bestaat bij de gratie van het reële.

Jenny is dol op rollenspellen. Wil altijd verkleden. Stelt voor haar huis op te tuigen tot een freaky installatie. Ze organiseert matchmaking-dinertjes waar voor de aanwezigen onder leiding van een kokende kunstenaar een totaalervaring wordt gecreëerd. Iedereen speelt een alter ego; via het rollenspel hoopt ze dat mensen verliefd worden.

Uiteraard is The Matrix haar lievelingsfilm. Ze heeft hetzelfde kapsel als Trinity. Toen het vierde deel afgelopen zomer werd opgenomen in Berlijn, haar woonplaats, rustte ze niet voor ze de juiste contactpersoon had gevonden die haar kon inhuren als figurant. In The Matrix blijkt de wereld zoals we die kennen een fictie, gecreëerd door een machine om de mens aan hem te onderwerpen.

We lagen op de tatami-matten in haar appartement. Over het plafond trokken groene en rode strepen in betoverende patronen die ik tot het einde probeerde te volgen, maar ik ontdekte geen eind en geen begin. Zo gingen mijn gedachten ook. Het leek alsof mijn brein normaal gesproken een plat vlak was dat nu tot een bol was gevormd, waardoor ik er met gemak omheen kon lopen en overal toegang toe had. Vrijwel alles in die bol had met elkaar te maken, ik zag verbanden tussen de vreemdste dingen.

Het was mijn eerste ervaring met lsd en Jenny wijdde me in. We kenden elkaar nog maar kort en toch vertrouwde ik haar. We hadden de tijd genomen om haar appartement tot geschikt decor te maken. Ik stofzuigde onder de vensterbank met haar draadloze stofzuiger terwijl zij de grote spiegel in de woonkamer met een laken bedekte – nooit high in de spiegel kijken, was ons aangeraden door een vriendin die eens al haar voorouders naast zich in de spiegel had zien staan, tot de neanderthalers aan toe. Daarna spreidden we kristallen, amuletten en andere objecten die belangrijk voor ons waren uit. Op dat moment waren we nog vol ambitie voor de trip; op de planning stonden allerlei helende rituelen. We hadden rode en groene lampen opgesteld, waardoor de ruimte een andere stemming kreeg. Het mooist vond ik de wanddecoratie: een diamantvormige spiegel met een kaarsenhouder ervoor, en daarvoor weer een iets kleiner diamantvormig stuk glas. De vlam ging een fascinerende dialoog aan met de gekleurde lampen en later met de opkomende zon. Ik raakte er niet op uitgekeken.

Tegen het eind van de middag namen we de zegel in. Jenny had een speaker meegenomen en draaide haar favoriete muziek. Ik moest al snel om alles lachen. We raakten verstrikt in lange conversaties omdat we alles, ja álles instinctief begrepen, maar het niet aan elkaar konden uitleggen. Toen de playlist was afgelopen koos het algoritme zelf de volgende liedjes uit. Ik bedacht dat elk nummer steeds net iets minder interessant dan de vorige was, net een gradatie non-descripter. Zou er een middelpunt zijn, lachte ik, het middelste nummer van Spotify? Het meest algemene muziekje, waar je steeds weer op uitkomt?


Jenny vertelde me over haar alter ego, Prinses Sheiso. Het was haar levensdoel om steeds meer Sheiso te worden en steeds minder Jenny, zei ze. De tekst die ze over Sheiso had geschreven, een biografische schets, was het mooiste wat ik ooit had gehoord. Ik vroeg haar of ze het nog eens wilde voorlezen, en nog eens. Sheiso was een militante superheldin met niet zozeer bovenmenselijke, maar juist heel menselijke krachten. Een androgyne strijder voor alles van waarde. Geen tijd voor bullshit, een onvoorwaardelijke vriend zodra ze je eenmaal in haar hart had gesloten. De rest ben ik vergeten.

Er ging zo’n sterk verlangen uit van de constructie van Sheiso, een verlangen naar echtheid, naar werkelijke nabijheid tussen mensen. Sheiso keek dwars door de illusie van de perfecte imago’s op Instagram heen. Daar had Jenny dan een verzonnen karakter voor nodig. Nu vind ik dat tegenstrijdig, toen klopte het. Terwijl ze las vond ik Jenny ineens zo lief en kwetsbaar.

Ik heb het gevoel dat je mijn beste vriendin zou kunnen zijn, zei ze daarna.

Tegen de tijd dat we op de tatami’s lagen was er een vaag gevoel van verdriet over me heen gekomen. Het voelde als een afscheid, maar ik begreep niet goed waarom. Ik belandde in een eindeloze gedachtespiraal over roem, imago, beeldcultuur. Ik dacht na over Sheiso en de fake ­people waar Jenny het steeds over had. Ze had jaren in Los Angeles gewoond, werkte daar in de kunstwereld, en iedereen was fake. Ik dacht dat dat een cliché over L.A. was, maar als zelfs een local dat zegt, geloofde ik het. Mensen waren gebakken lucht, zei ze. Alleen aardig als ze je nodig hadden. Achter de uiterlijke schijn was niets.

Ze toonde me ook de Instagramprofielen van haar ‘beste vrienden’, stuk voor stuk beeldschone Amerikaanse meisjes die hun hele leven documenteren en duidelijk uren ­besteden aan de creatie van een esthetisch, maar net iets te vulgair universum, dat alleen bestaat voor de holle blik van een anonieme massa. Dat ze mij in dat rijtje wilde voegen maakte me doodsbang. Ik vroeg me af wat ik met hen gemeen had. (Later zei een vriendin: nooit high Instagram bekijken, dat weet iedereen.)

In mijn rondtollende brein begon ik Jenny met andere ogen te bekijken. Kleine details smeedden zich aaneen tot een groter verhaal. Dat ze me herhaaldelijk vertelde wie ze allemaal wel niet kende, dat ze een keer met A$AP Rocky had gechild, dat ze Eartheater op de wc van een club drugs had gegeven. De vele potjes in haar keuken met vitaminesupplementen en kruiden; ze slikte zeker dertig pillen per dag. Haar verzuchting dat ze een beetje koopverslaafd was, dat ze de gewoonte had ‘s avonds stoned van alles aan te klikken op Instagram, add to cart. Ze had zeker drie creditcards maximaal opgebruikt en zou in Amerika nooit meer een hypotheek kunnen krijgen. Krediet, bubbels, fictie.

Waarom doen we hier aan mee, dacht ik verdrietig en ook een beetje schijnheilig. Waarom zoveel geld en tijd steken in het anderen doen laten geloven dat we cool of mooi of interessant zijn? Als er nooit werkelijk iets wordt ingelost, alleen maar wordt doorgegeven, doorgeklikt? Waar is de kern van dit alles, waar is het reële, wat ik kan aanraken en ontmoeten? Jenny was gaan geloven in wat anderen haar lieten zien en ze kon niet achterblijven. Ze moest meedoen. Uiteindelijk was ze noch Jenny, noch Prinses Sheiso, en ik wilde anders zijn, maar ik wist niet hoe.

Persis Bekkering (1987) debuteerde in 2018 met de roman Een heldenleven (Prometheus), die werd genomineerd voor de ANV Debutantenprijs. Kort proza verscheen onder meer in De Revisor, DW B en De Gids. Ze is redacteur van DIG en werkt aan een nieuwe roman.

Meer van deze auteur