Ik had willen beginnen met de neushoorns:

De avond begon al te vallen, de lucht was gelig gekleurd toen het groepje neushoorns opdook, vlak bij de rots die eruitzag als een oude man in een leunstoel. Ze waren kleiner dan ik had verwacht en verrassend ­rustig, zoals ze tussen de struiken rondscharrelden. We stonden en keken naar ze, zolang we stil bleven staan zouden ze ons niet opmerken. Een moeder met jong snoof geïrriteerd toen een mannetje dichterbij wilde komen. Ze leken wezens uit een andere tijd, per ongeluk overgebleven en dat zou niet lang meer duren. Hun hoorns waren afgezaagd om ze zo goed mogelijk te beschermen tegen stropers, het ivoor opgestapeld in zorgvuldig geheimgehouden magazijnen. Om diezelfde reden liep er een groepje mannen om ze heen met automatische geweren losjes in hun hand, die even afstand namen zodat wij toeristen betere foto’s konden nemen.

Ik herinner me de stilte van die avond, de magie van dat moment. Maar ook de onderdrukte woede in de stem van de gids toen hij vertelde hoe hopeloos de situatie van de neushoorns was. Er werkte domweg te veel tegen: de grote vraag uit China naar het vermeende afrodisiacum van de hoorns, de grote winst voor tussenhandelaren en corrupte politici, de armoede die ervoor zorgde dat mannen hun leven wilden wagen voor een schijntje. Nu, een paar jaar later, heeft het stilvallen van toerisme de kansen van de neushoorns drastisch verminderd, misschien zijn de dieren die ik zag al dood. De gids vroeg ons destijds om het verhaal te vertellen, het op zoveel mogelijk plekken te vertellen en zelf denk ik nog vaak aan die avond terug, aan de tijden die elkaar ontmoetten in dat extreem sterke, extreem kwetsbare dier.

Toch zou het, zie ik nu, een slecht idee zijn om met neushoorns te beginnen. 

Ze zijn immers een cliché, bijna een slogan, en mijn korte ontmoeting met dat groepje dieren is niet genoeg om daaraan iets toe te voegen. Wat weet ik uiteindelijk over hun levens? Die mannen met hun automatische geweren, naar wie wij die avond van een afstandje verlegen, bewonderend glimlachten, de mannen die de neushoorns dag en nacht volgden, die mannen zouden dat verhaal kunnen schrijven. Maar zij hebben betere dingen te doen. Anders dan ik zetten ze hun eigen leven op het spel om dat van de neushoorns te beschermen, want het kan gevaarlijk werk zijn, het beschermen van clichés.

De neushoorn hoort thuis in het rijtje van fotogenieke, uitstervende soorten dat mijn hartstocht opwekte toen ik als kind WWF-Ranger werd, toen ik mijn spaargeld gaf om meters regenwoud te kopen. In die tijd leek de overeenkomst tussen alles wat bedreigd werd of op het punt stond te verdwijnen vooral te zijn dat het ver weg gebeurde, op de savanne of in het regenwoud, maar in elk geval niet hier. Inmiddels is dat anders. Terwijl ik dit schrijf probeer ik een bij te redden uit mijn glaasje perensap, en die bij is nu een bijna even bekend voorbeeld van een uitstervende of minstens bedreigde soort. Maar wat voor bij is dit? Waarom ken ik de bijen niet goed genoeg om ook maar het meest basale onderscheid te kunnen maken tussen soorten? Er was een tijd waarin ik dat had kunnen leren, ik heb vrienden die vogels aan hun zang kunnen herkennen, zweefvliegen en andere insecten aan het patroon van hun vleugels. Ik heb in die tijd veel geleerd, maar niet hoe je soorten van elkaar onderscheidt. Dus sta ik nu met lege handen, want welke woorden werken hier? Hoe beschrijf je dat wat ontbreekt, verloren gaat voordat je het ooit echt hebt leren kennen? Welke plot voldoet om een verhaal van dit verdwijnen te vertellen?

Normaal uitsterven kun je in een spreekwoord vatten: de een zijn dood is de ander zijn brood. Zoals er veel meer doden zijn dan levenden, zo is 99 procent van alle organismen die ooit op aarde leefden inmiddels uitgestorven, want normaal uitsterven is de keerzijde van het ontstaan van nieuwe soorten. Dat is weleens vergeleken met wat we doorgaans beschouwen als een goede dood. Als iemand op hoge leeftijd en na een vol leven rustig wegglijdt, wordt hij misschien hevig gemist, maar zijn er vaak anderen die zijn rollen overnemen, of dat al hebben gedaan. Dat is niet wat er op dit moment gebeurt: niet eerder in de geschiedenis van de mensheid stierven er zoveel soorten zo snel uit als nu. Dat massale verarmen van de wereld is geen goede dood maar een ontwrichting, een gewelddadige beroving. Maar een beroving past eenvoudig in de vorm van een verhaal, het is een incident compleet met plot en slachtoffer en dader. Dat wat verloren gaat is klein genoeg om op je lichaam mee te dragen, en het verdwijnen ervan geeft een vrijwel onmiddellijk probleem. Bij het grote verdwijnen om ons heen is het onderscheid tussen dader en slachtoffer stukken moeilijker te maken. We worden beroofd, we beroven onszelf. We lijden een verlies dat te groot is om te dragen, maar dat door vrijwel niemand echt wordt opgemerkt. Er komt, vrij binnenkort – en op sommige plekken is het er al, omdat de toekomst nu eenmaal niet gelijkwaardig wordt verdeeld –, een moment waarop het ­uitdunnen van de ecosystemen om ons heen ons even machteloos zal maken als wanneer we in een vreemde stad beroofd zijn van portemonnee, ­telefoon, identiteitspapieren, van alles wat ons leven normaliter zo schijnbaar vanzelfsprekend laat werken. Die paniek, het besef van dat verloren vangnet, is nog niet hier. Hoogstens is er een gevoel van rouw, weemoed over een wereld die vroeger voller, rijker was dan nu. Of, om het bij mijn eigen leven te houden, en bij twee heel gewone soorten: een tijd waarin ik in de Randstad nog dagelijks mussen en spreeuwen zag. Maar dat soort weemoed is eenvoudig, want weemoed vraagt om niets.

In beslaggenomen objecten, gemaakt van bedreigde diersoorten, in het National Wildlife Property Repository in Denver, USA, 2017.

Tristan Spinski

Hoe klein we zijn. Uiteindelijk is dat misschien waar het verhaal om draait, hoe onbetekenend het menselijk moment is in de zee van tijd die ons omringt en hoe zeer we niet in staat zijn dat te zien. Ons brein kan niet begrijpen dat het verhaal niet over ons gaat, dat we de hoofdpersoon niet zijn, maar slechts een vluchtig, voorbijgaand personage. Er was een tijd waarin we niet in uitsterven geloofden, omdat zulke verspilling te irrationeel zou zijn in het zorgvuldig doordachte mechaniek van de schepping. Luister, bijvoorbeeld, naar Thomas Jefferson, die weliswaar vooral bekend is als politicus, maar achteraf zei de politiek slechts als zijn plicht beschouwd te hebben, de wetenschap als passie. Toen hij de zoogdieren beschreef van zijn staat Virginia, noemde hij de mammoet als eerste. ‘Er kan gevraagd worden waarom ik de mammoet invoeg alsof die nog steeds bestaat. Er kan in antwoord gevraagd worden waarom ik die zou moeten weglaten alsof die niet bestaat? De spaarzaamheid van de natuur is zo dat er geen voorbeeld kan worden gegeven van ook maar een enkel dierenras dat ze heeft toegestaan om uit te sterven; van ook maar een enkele schakel in haar geweldige werk zwak genoeg om te worden verbroken.’ De beschrijving maakt van de mammoet een soort Schrödingers kat, iets wat er is en tegelijk niet is. Jefferson, enthousiast verzamelaar van fossielen, was er net als zijn tijdgenoten vast van overtuigd dat de mammoet nog ergens in leven was, in afgelegen, onverstoord gebied. Nu ik zijn woorden lees, ben ik jaloers op zijn vertrouwen, dat nu bijna naïef aandoet, jaloers op een tijd waarin er nog zoveel ongerept was dat je er met gemak een mammoet in had kunnen verstoppen. Door de tijd heen is ons verhaal veranderd. Ooit waren we de kroon op de schepping, hoofdrolspelers in een perfect uitgedachte plot waarin niemand ooit stierf, goede afloop gegarandeerd. Nu zijn we toevallige passanten in een verhaal dat zich schoksgewijs en deels door toeval ontwikkelt, nu is het moeilijk om onszelf niet als parasiet te zien. 

Hoe klein we zijn, hoe groot tegelijkertijd. Groot genoeg om het functioneren van de planeet te beïnvloeden, al hoef je daarvoor niet zo groot te zijn. De blauwalg, nu vooral bekend als de bacterie die ‘s zomers ons zwemwater verpest, kreeg het zo’n 2,5 miljard jaar geleden al voor elkaar om het zuurstofgehalte in de atmosfeer te verhogen, met dodelijke gevolgen voor veel tijdgenoten. Dat verhaal zou ik kunnen vertellen, het verhaal van die vijf momenten van massale uitsterving, waarbij in korte tijd zo’n 75 tot 90 procent van alle soorten op aarde verdween. Dat is een spectaculair verhaal, vol special effects van vulkaanuitbarstingen en zelfs die ene meteorietinslag waarvan de gevolgen het einde betekenden voor het merendeel van de dinosauriërs. Maar dat soort verhalen kennen we uit rampenfilms en in die films loopt het altijd goed af, misschien niet voor het merendeel van de mensheid, maar wel voor degenen om wie we echt iets geven. Er is een term voor dat fenomeen, de cosy catastrophe, de gezellige ramp; het soort verhaal dat niet onzeker maakt over de toekomst, maar de illusie van onze onkwetsbaarheid juist versterkt.

Dus er is dat bezwaar en ook de informatieve toon die in mijn stem kruipt als ik probeer te schrijven over geologie, een vakgebied dat zo ver afstaat van het mijne dat ik uit pure onzekerheid academischer ga klinken. Ik schrap wat ik geschreven heb, dwaal verder over het internet om mijn gebrekkige kennis over geologische tijdvakken aan te vullen. Na een tijdje beland ik op de site van National Geographic, waar mijn oog op een advertentie valt: Win Two Seats to Space. Doorklikken brengt me bij deze tekst: ‘De ruimte heeft ons allemaal de kans gegeven om te dromen: van schoonheid en verwondering. Van grote avonturen. Van deel uitmaken van iets dat groter is dan wij.’ De advertentie verzekert dat opstijgen net zo soepel zal gaan als in een vliegtuig, dat camera’s in de cabine elk moment zullen vastleggen, dat elke stoel een stoel aan het raam is en dat er zelfs een spiegel is om jezelf door de ruimte te zien zweven. Dit alles verkocht door het bedrijf van een bekende miljardair onder de titel Space for Humanity, met de bewering te streven naar een duurzame toekomst, voor ons allemaal. 

En terwijl ik nog steeds zoek naar de vorm voor een verhaal over alles dat om ons heen verdwijnt, niet weet hoe zo’n verhaal eruit moet zien om in mijn eigen ogen ook maar enige betekenis te hebben, weet ik wel dat deze advertentie daaraan exact tegenovergesteld is. De eerste bemande ruimtevaart wordt vaak beschouwd als een keerpunt in de milieugeschiedenis, een moment waarop astronauten van de Apollo 8 de kwetsbare, kleurrijke schoonheid van de aarde vingen in een foto die wereldberoemd werd. Ze hadden zo ver gereisd om de maan te verkennen, maar hun grootste ontdekking was de aarde.

Maar vaker gaat er iets verloren, zodra je de wereld van boven bekijkt. De bergen die je vanuit een vliegtuigraam ziet, hebben geen enkele diepte, het landschap heeft geen geur. Misschien maakt dat het zo eenvoudig om over de ruimte te spreken als een plek om heen te gaan als de aarde onleefbaar is geworden. Al is ook dat niet nieuw, natuurlijk. Zelfs de maan staat al vol met kruiwagentjes en op vele staan instrumenten/ en op aarde zingt de laatste vogel in de laatste lente. De verleiding van tabula rasa, van het idee dat je alles wat hier is en alles wat hier was gewoon kunt achterlaten om een nieuwe plek te zoeken die nog ongerept en leeg is, die erop ligt te wachten om vertrapt te worden.


Ik schrijf dit buiten, op een veldje dat altijd door distels overwoekerd dreigt te worden. Een jonge ekster levert luidkeels commentaar op mijn aanwezigheid. Ik herinner me het moment dat iemand me, ik was nog steeds een kind, de vleermuizen aanwees die door het park vlogen. Of beter gezegd, me erop wees dat de vage vormen die door de schemering fladderden geen vogels waren maar vleermuizen, ik herinner me de verwondering van dat moment, dat zo’n vreemd wezen zo dichtbij kon zijn. Ik herinner me hoe ik leerde onderscheid te maken tussen soorten vogels, de opwinding toen ik voor het eerst een kuifeend zag in de sloot vlak bij huis of later, in het buitenland, een waterspreeuw. Hoe minder kinderen in aanraking komen met dat wat we gemakshalve natuur noemen, al is het maar in de vorm van een wesp, des te banger ze ervoor zullen worden. Hoe armer het landschap om je heen is, des te normaler zul je die armoede vinden, des te moeilijker wordt het om die verarming ook maar op te merken. Ik groeide op in een deel van Nederland dat in de vroege lente vrolijk rood en geel kleurt als eerst de tulpen komen en daarna drommen toeristen, zo’n regio waar je het gif kon ruiken als de bollenboeren gespoten hadden. Ik was te jong om me daar druk om te maken, en zo dood als ze waren trokken de kale velden me aan in de winter, domweg omdat ze geen gebouwen waren. En er waren alle boeken die ik over dieren las, want op de een of andere manier is de grens tussen soorten fragieler en poreuzer voor een kind, en bijna niet bestaand. Hoewel dat misschien niet veel was, was het genoeg om te dromen, er was genoeg schoonheid, reden genoeg tot verwondering.

Misschien is dat waar ik zou moeten beginnen: niet bij de neushoorn, maar bij de ekster en de vleermuis. Zoals laatst, tijdens een wandeling, de zoon van vrienden enthousiast riep omdat hij door zijn verrekijker een blauwe reiger had gezien, waar niets zeldzaams aan is. Ik herkende zijn enthousiasme en glimlachte erom. Ik wist dat het iets kostbaars was dat ik niet meer bezat, niet zo, omdat mensen nu eenmaal ouder worden, en daarmee cynischer.

En uiteindelijk is dat misschien waar het verhaal over gaat, over het feit dat we vroeg of laat allemaal sterven, door een goede dood of door een andere. Uitsterven is daarvan de overtreffende trap, een verdwijnen niet slechts van onszelf, maar ook van alles en iedereen die zich ons nog herinnert, zodat er niets overblijft dat kan getuigen hoe belangrijk het was dat wij hier waren. Wij, of de neushoorns, of de mammoet, of de dodo, of een van die andere soorten waarvan we de allerlaatste exemplaren namen geven. We doen er niet toe, zullen niet worden herinnerd, zullen vroeg of laat spoorloos verdwijnen. We zijn kwetsbaar, sterfelijk en dodelijk voor een groot deel van de wereld om ons heen. Geregeld maakt me dat wanhopig, want wat valt er te doen, met een enkel leven en een weinig optimistische geest? Ik heb geen sluitend verhaal, ik heb de kennis niet en niet de juiste woorden, ik houd twee lege handen. Maar ook, tenminste af en toe, de overtuiging dat als iets ertoe doet, het misschien dit is: om voorbij te gaan aan het grote spektakel van de special effects, en de spiegel waarin je jezelf kunt zien terwijl je het heelal verkent; om in plaats daarvan te blijven kijken naar wat klein is, onopvallend en op het eerste gezicht onbetekenend en dus bijen uit perensap te blijven redden in het volle besef dat het niet genoeg is; om te blijven proberen al het heel bijzondere te zien in alles wat schijnbaar zo vanzelfsprekend nu, al is het maar voor even, hier is.

Wytske Versteeg (1983) schrijft romans en non-fictie. Haar werk is vertaald in zes talen en werd bekroond met o.m. de BNG Bank Literatuurprijs en de Frans Kellendonk-prijs. Haar recentste boek Verdwijnpunt (2020), een persoonlijk en filosofisch essay over trauma, haalde de longlist van de Boekenbon Literatuurprijs. Versteeg is redacteur van De Gids.

Meer van deze auteur