’The entire world is shining with things we cannot see.’
– Akiko Busch, How to Disappear. Notes on Invisibility in a Time of Transparency


Er lag een kleine steenbrok, of een knoest hout, in het midden van een landweggetje in Extremadura. Zijn roerloosheid leek eerder die van een explosief. Twee spleten kierden in de knoest, sperden zich dan tot grote, blinkend zwarte ogen. Het was een nachtzwaluw.

Zodra een nachtzwaluw de ogen sluit, wordt hij onzichtbaar. Zijn vleugels worden schors, zijn veren worden zand, zo volmaakt is zijn schutkleur. Hij lijkt een tussenvorm tussen dier en boom, tussen vogel en aarde. Overal in Europa liggen dergelijke roerloze hompjes onzichtbaar op boomtakken, en boven op eieren of kuikens op kale plekjes in het zand… en in verwarring kennelijk ook op het wegdek, veel te zichtbaar. Een nachtzwaluw heeft een leefgebied van honderd hectare aan open naaldbos, zandverstuivingen en heidevelden nodig. Honderd hectare. Dat zijn 153 voetbalvelden. De mens heeft geen leefgebied ongeschonden gelaten en wegverkeer gaat als scharen door de restanten. Onzichtbaarheid is geen bescherming meer.

In een ver verleden leefden mensen zelf nog op de heide, tussen de dennen. Ze waren getuige van hoe wat overdag onzichtbaar was zich in het schemerdonker plots oprichtte en doordringend begon te ratelen. Dat moest wel een demonisch wezen zijn. Snood verborgen overdag, en des nachts, wanneer mensenogen feilen, joeg het ze met zijn spookachtig geratel de stuipen op het lijf, en o wee wie zich toch buiten waagde: zwaluwzwenkend schoot die onheilsvogel geruisloos door de nacht, dat piepkleine snaveltje met die ruige borstelsnorren in de mondhoeken sperde zich tot een bodemloos gat, diep als de zwarte nacht zelve, dat hele kopje met die reusachtige duivelsogen leek wel openklappende kaken en verzwelgende keelzak geworden, wagenwijd open als een val op scherp die de hele wereld zou opslokken! Was die diepe, brede bek bovendien niet precies gevormd naar de speen van een geit? Wis en waarachtig hing dat gedrochtelijk monster ‘s nachts ondersteboven aan de spenen van de geiten, zoog ze leeg tot ze er blind van werden.

De vogel heeft er zelfs zijn Latijnse naam aan te danken: Caprimulgus, geitenmelker. Al voedt de onschuldige zich slechts met nachtvlinders, kevers, vliegen. Hij is geen monster, hij is een wonder, een wonder der evolutie. Luister: hij heeft veren zo zacht dat hij geruisloos kan vliegen, geen vlinder hoort hem komen, hij heeft grote ogen vol receptoren die zo buitengewoon gevoelig zijn voor het minste beetje licht, dat hij in het donker kan zien, ze kunnen zelfs afzonderlijk draaien zodat hij tegelijk vooruit en achteruit kan kijken om niets te missen, hij heeft kaken die hij zo wijd kan openen dat zijn bek een fuik wordt om moeiteloos insecten mee uit de lucht te vissen, en borstelsnorren om zijn ogen tegen spartelende poten en vliesvleugels te beschermen. En als hij zijn ogen sluit en roerloos blijft, wordt hij onzichtbaar.

De natuur bulkt van leven dat zich hult in onzichtbaarheid, planten, insecten, waterwezens, amfibieën, reptielen, vogels, zoogdieren waarvan camouflage de sterkste strategie is om zich te beschermen tegen predatoren.

De mens heeft zich echter ontwikkeld tot een predator zonder weerga. Onzichtbaarheid is niet langer een bescherming. Wel integendeel.

Als kind lezen we in onze boeken over schilden en mantels en ringen en drankjes die onzichtbaar maken, leren we de macht kennen die onzichtbaarheid ons geeft. Leren we ook hoe, niet alleen in boeken, ook in het gezelschap van volwassenen, en in de natuur, de boeiendste dingen gebeuren als we zelf onzichtbaar zijn. Vervolgens komen we op socialemediagerechtigde leeftijd en leren we dat als we niet gezien worden, we niet bestaan. En wie niet bestaat wordt niet gehoord. Zichtbaarheid is de valuta van onze tijd, formuleert Akiko Busch het treffend in haar unieke boek How to Disappear. Notes on Invisibility in a Time of Transparency.

In een passage waarin ze zich afvraagt wat het eerst uitsterft, het woord of hetgeen het benoemt, vertelt Busch over de tentoonstelling ‘Seeing Red.. Overdrawn’, in 2016 in Cambridge. Op 22 oktober 2015 stonden 4734 soorten op de IUCN Rode Lijst als ‘critically endangered’. Het kunstenaarsduo Ackroyd & Harvey liet alle 4734 namen op een canvas van zeven meter drukken maar in heel lichte inkt. Elke bezoeker van de tentoonstelling kon met stift een naam overtekenen om de bedreigde soort duidelijk zichtbaar te maken.

Maar is een dergelijke zichtbaarheid genoeg voor de wegkijkende, immer elders kijkende mens? Wat, fantaseer ik, als we de bedreigde soorten nu eens hoorbaar konden maken? Wat als elke radio, televisie, smartphone, laptop, tablet die aangezet wordt automatisch een geweldige herrie van hun ratelen, snorren, sissen, tsjirpen, piepen, zoemen, fluiten, kwaken, blaten, snateren, krassen, klokken, kokkeren, mekkeren, klepperen, kwekken, knorren, keffen, krijsen, mauwen, loeien, janken, huilen, gillen, gieren, grommen, blèren, briesen, brullen, trompetteren liet horen? Een niet te negeren kakofonie van noodkreten.

Caprimulgus Europaeus

Stepan Lipatov

Caro Van Thuyne (1970) leeft en schrijft in het Houtland achter de Vlaamse kust. In 2018 debuteerde ze met de verhalenbundel Wij, het schuim. In januari 2021 verscheen de roman Lijn van wee en wens.

Meer van deze auteur