Lieve Niña,

Ik had je beloofd te schrijven over de man die ik vlak voor kerst in een etalage zag staan. Hij was klein van stuk en stevig gebouwd, droeg een rafelig shirt zonder mouwen en een leren broek met zoveel ritsen dat ik me afvroeg of erachter wel iets op te bergen viel. Als er zich al zakken achter die ritsen bevonden, paste daar hooguit een tand in. Wat me trof was hoe teder deze etaleur dennentakjes op een schedel aan het schikken was. Met een aandacht die ik niet anders kan omschrijven dan als liefdevol werden de takjes eerst in de vorm van een kroon en toen naast elkaar gelegd, waardoor de takjes een pet leken te vormen, zoals hij die zelf droeg, achterstevoren.

Hij stond wijdbeens in de etalage van de Amsterdam Dungeon, waar op de gevel ‘Fear is a funny thing’ staat. Het is een plek waar mijn jongste zoon toen hij een jaar of tien, elf was, altijd naar binnen wilde. Ik heb zo vaak ‘Zullen we dat een andere keer doen?’ tegen hem gezegd dat de vraag sleet en ik spijt heb gekregen dat ik zo’n uitsteller ben. Ik was ook niet enthousiast over het idee mezelf met opzet bang te laten maken, en al helemaal niet over het idee dat ik mijn zoon dat aan zou doen. Ik ben me ervan bewust dat ik veel doe om angst bij hem vandaan te houden, zelfs nu hij al dertien is en ik allang niet meer bepaal wat hij ziet en meemaakt – als ik dat al ooit heb gedaan. Het gekke is dat ik sinds ik die man in de etalage heb gezien zelf heel benieuwd ben geworden wat zich daar in die kerkers bevindt. Zouden ze angst daar net zo zorgvuldig hebben gearrangeerd als de dennentakjes op de schedel?

De etaleur was niet tevreden. Hij nam de takjes weer stuk voor stuk in zijn hand. Met een bloemloos bosje in zijn hand staarde hij in de verte, dwars door het publiek dat zich over het Rokin bewoog, dwars door mij heen.

Zullen we samen eens die dungeon bezoeken? Met of zonder kinderen? Of is het beter die plek als metafoor te beschouwen voor de manier waarop wij als mensen omgaan met angst – een oplossing die de wereld op afstand houdt en van mij een uitsteller maakt, terwijl ik aan alles voel en zie dat deze tijd, waarin redeloze angst er bijvoorbeeld ook voor zorgt dat het fascisme weer de kop opsteekt, er juist om vraagt metaforen te mijden, niets meer uit te stellen en de wereld rechtstreeks te zien en te benaderen.

Ik geloof dat er een vraagteken achter deze zin moet, maar ik weet het niet zeker.

Liefs, Maria

Lieve Maria,

Afgelopen zomer was ik in Salem, Massachusetts, waar in de zeventiende eeuw beruchte heksenvervolgingen plaatsvonden. Het was een vreemd schouwspel: een in wezen slaperig stadje was omgetoverd tot een toeristische trekpleister en bedevaarts­oord voor hedendaagse heksen. De straten in het centrum waren volgepropt met occult aandoende winkeltjes, tarotkaart- en handlezers, verzamelplaatsen voor ghost tours. Het Salem Witch Museum bleek een soort show die je en groupe moest ondergaan, compleet met griezelig belichte tableaux vivants en een donderende vertelstem.

De geschiedenis werd hier zowel spektakel als morele les. Aan de ene kant moesten we leren dat heksenjachten van alle tijden waren en altijd de kop opsteken wanneer de samenleving een zondebok nodig heeft (zie Donald Trump, wiens overtuiging voortdurend slachtoffer te zijn van allerhande witch hunts misschien wel de meest potsierlijke omkering van het fenomeen is). Aan de andere kant weet Salem heel goed dat zijn unique sellingpoint nu juist het mysterie van die heksen is, en leunt de plaatselijke toeristenindustrie zwaar op het gegeven dat er mogelijk toch allerlei duisters gaande was dat het daglicht niet kon verdragen. Die ene werkelijkheid, waarin er een massahysterie plaatsvond met alle gruwelijke gevolgen van dien, is kortom niet genoeg. Er moet ook de mogelijkheid zijn van een dubbele bodem, een systeem onder het systeem, een werkelijk bestaande maar niet echt kenbare rechtvaardiging voor angsten waar we maar nauwelijks over kunnen praten.

Aan dit alles moest ik denken toen ik je mail las over die dungeon aan het Rokin. Ik snap je zoon heel goed. Je wil weten wat er ondergronds gebeurt, en als je de kans krijgt om een trap af te dalen om daarachter te komen, moet je die grijpen. Je zou zo’n attractie kunnen zien als een afleiding van onze echte angsten (of: de zaken waar we met recht angstig voor zijn), als een metafoor van hoe we onze angsten keurig menen te kunnen kanaliseren. Maar ik denk dat we, ondanks alles, zo’n dungeon toch niet zonder meer naar het rijk der metaforen kunnen verwijzen. Of eigenlijk: dat we de dungeon als metafoor serieus mogen nemen. Ik begrijp je verlangen ‘niets meer uit te stellen’ en ‘de wereld rechtstreeks te zien’, maar ik geloof niet dat een concrete, metafoorloze taal of benadering daar per definitie bij helpt. Ik denk bovendien dat je door te griezelen (veilig, opwekkend) iets over angst (oeverloos, verlammend) kunt leren.

Laten we er hoe dan ook heen gaan. Je zoon mag ook mee, als hij intussen niet over zijn verlangen naar griezelen heen is gegroeid (ik denk van niet, al is het een volgende vraag of hij er wel met óns naartoe wil). Die van mij laat ik nog even thuis. Niet omdat ik vrees voor zijn angst, maar omdat hij met zijn anderhalf jaar nog niet genoeg begrijpt over willing suspension of disbelief.

Liefs,

Niña

Lieve Niña,

Je hebt gelijk, huiveren is niet iets om te mijden. Waar zouden we zonder huiveren zijn? En daarbij weet je nooit waar de kerkers van angst bij een ander uit bestaan. Mijn kinderen zijn een keer bij een splatterfilm beland, waarin je bijvoorbeeld in slow motion ziet hoe een vinger van een hand wordt getrokken. Dat vonden ze niet eng maar grappig, alsof ze naar een aflevering van SpongeB­ob hadden gekeken.

Ik ben toevallig ook ooit in Salem geweest, met een vriendin die naar New York was verhuisd. Ik herinner me een gevoel van schaamte om naar de geënsceneerde terechtstellingen te kijken, zoals de mensen die de heksen ooit hebben verbrand ook toegekeken moeten hebben. Mijn vriendin vond er niks aan, ze was alleen maar op zoek naar een plek om te roken.

Nu ik erover nadenk, staat misschien vooral de stijl van de Amsterdam Dungeon me tegen, met een logo dat er moet uitzien alsof het in bloed is geschreven (met een mes in een huid gekerfd?), dat toeristen moet lokken, op zoek naar bier en vermaak. Misschien is het die opgelegde aantrekkingskracht, die schreeuw om bevrediging die me zo afstoot. Een jengelende muil die zich richt op een ingebeelde ander, zonder te weten wat hij zelf wil. Ha, ik begin nu wel echt nieuwsgierig te worden naar wat zich achter zijn kiezen bevindt. Op de website van de Dungeon zag ik dat ze de geschiedenis uitbeelden. En wie weet, misschien vormt de concentratie van angst, vermomd als entertainment, wel een uitzonderlijk kunstwerk.

Liefs van Maria

Maria Barnas (1973) is dichter en beeldend kunstenaar. Haar meest recente dichtbundel is Diamant zonder r. Ze schreef 'Uit ons bestaan' bij de tentoonstelling slice of life with swallowed spiral (2023) van Eva Spierenburg in Drawing Centre Diepenheim.


Meer van deze auteur

Niña Weijers (1987) schreef de romans De consequenties (2014) en Kamers antikamers (2019). In 2022 bundelde ze haar columns en essays in Zelf doen. In het najaar van 2023 verscheen Cassandra, haar eerste non-fictieboek.



Meer van deze auteur