Klara Graah

Op een of andere manier beviel het huis aan Queen’s Gate Connie Welmoed niks. Alle kamers die licht moesten zijn waren donker, en die donker licht. Ramen zaten op de verkeerde plekken, de keuken was te groot, de woonkamer te klein. Alle meubels mosgroen. Ze kon haar grootouders zich hier voorstellen, haar opi bij de haard, zijn pijp rokend.

Connie Welmoed. Alleen haar man noemde haar Connie. ‘Met mevrouw Welmoed,’ zei ze aan de telefoon.

Dit was tijdens de oorlog. Haar man was half Engels, half Nederlands. Ze hadden geen kinderen.

Het huis miste kleur, een levende kern. Ze zette bloemen neer – zonder effect. Ze ging op zoek naar betere bloemisten, duurdere bloemen. Vroeg rond voor tips. In de Nederlandse gemeenschap werd ze gewezen op de vriendin van een vriendin, een dame met een oranjerie achter haar huis.

Ze fietste erheen. Het huis stond aan een voornaam plein, omringd door ambassades en banken.

Die vriendin was gek genoeg zowel te mager als te vol. Ze gaf een slap handje.

‘Wat eeenig om je te ontmoeten,’ zei deze Vanessa.

Maar ze liet haar de orangerie zien die achter haar huis geplakt zat, en Connie leefde op. Al die bloemen – en Londen was fijn, echt, het was prima, ook al regende het er al zes maanden onafgebroken en kon ze niet zonder sokken van de slaapkamer naar de wc lopen zonder te vloeken, maar om opeens al die kleuren te zien, al dat leven, die warmte die ze uitstraalden. Het was iets. Neem zoveel mee als je wilt, zei deze mevrouw Vanessa. En dat betekende niets, dacht Connie. De onverschilligheid waarmee de bloemen werden weggewoven, voelde ze toen ze ze thuis in de vaas zette. Midden op de eettafel, een vaas onverschilligheid.

James kwam thuis toen zij net haar tanden poetste en zag de bloemen in zijn geheel niet. Hij zei: ‘Er zijn nu bijna drie miljoen Amerikanen in Engeland.’ Zonder verdere uitleg. Hij zei het op een toon alsof het aan hem was ze ‘s avonds allemaal in te stoppen.

‘Welterusten, James.’

‘Welterusten, Con.’

Sommige weekenden weken ze uit naar de boerderij van zijn familie. Hij dook in een stoel bij de haard, een dossier van het een of ander op zijn knieën, een kopje op een schoteltje in zijn hand. En de vrouwen maar bezig, onrustig als kippen. Koken, strijken, beesten opjagen op het erf. Ze liepen met pollepels naar hem toe: ‘Even proeven, James.’ Hun eigen mannen waren dood, of dienden ergens ver weg. Hij maakte een niet te smoren zorgbehoefte in hen wakker.

‘Eet!’ riepen zijn tantes. Heb je geen honger?

‘Je moet dat lange lijf van je zien te vullen!’

Als ze naast hem stonden lieten zijn tantes hun hand in zijn nek rusten, zijn moeder drukte een kus op zijn kruin. En hij las onverstoord verder, de normaalste zaak van de wereld. Aan tafel waren hij en zijn werkzaamheden de enige legitieme gespreksonderwerpen.

‘James is altijd een rare geweest,’ zei nichtje Mary. Nichtje Mary was klein, met een stralend gezicht. Haar man zat ergens in Burma.

‘Hoezo?’ vroeg Connie.

‘Toen hij heel jong was kwamen hij en zijn moeder hier bij ons wonen. Honderd jaar geleden. Ik dacht dat hij ons haatte. Hij praatte met niemand.’

‘Wat moest ik zeggen dan?’ vroeg hij.

‘Wat dacht je van: “Hoi, ik ben James; leuk jullie te leren kennen?”’

‘Ik was gewoon mezelf.’

Ze lachte haar scheve tandjes bloot, betrok Connie erbij: ‘Hij was gewoon zichzelf. Hij is gek, hij is heel raar, toch? Jouw echtgenoot. Zo’n rare vent!’

Haar echtgenoot inderdaad. De man met wie ze al decennia samenleefde, met wie ze de hele wereld was afgereisd. De minst rare man die ze kende. Maar dat is het enigma van familie: ze suggereren een diepere kennis, waar je als partner nooit tegenop kan, in hoeveel havens en op hoeveel vliegvelden je ook samen bent aangekomen.

Het speelde mee, het telde bij elkaar op. Dat gevoel. Eigendom is belangrijk, plekken zijn dat ook. Tegenover hun huis op Queen’s Gate zat een restaurant dat Connie voor zichzelf had geclaimd. Het tafeltje aan het raam was háár tafeltje. Vaak keek ze ernaar vanuit het keukenraam, en als er iemand zat irriteerde dat haar buitenproportioneel. Soms lag James in bad, wat hij uit een studentikoze gewoonte uren kon volhouden, en stak zij de straat over om thee te drinken aan haar tafeltje. Ze was terug voordat hij zich had afgedroogd.



Nu zat ze er met haar Jean-Luc. Ze kende Jean-Luc van het Rode Kruis. Af en toe daalde hij af naar de secretaressekerker, griste een paar blaadjes mee, typte sneller dan wie dan ook voor mogelijk hield en verdween weer naar boven.

Terwijl ze babbelden zag ze de voordeur van haar huis opengaan en haar echtgenoot naar buiten komen.

‘Dat is mijn man,’ zei ze voor ze er erg in had.

Hij had zijn handen diep in zijn zakken gestoken, zette grote passen. Ze probeerde te bedenken wat ze op zijn gezicht zag.

‘Een giraffe,’ zei Jean-Luc.

Hij liep hun restaurant straal voorbij, blik naar de grond. Hij ging de hoek om.

‘Waar gaat hij heen?’

‘Naar zijn minnares.’

Ze meende het niet. Ze zei het om iets anders te zeggen, dat gevoel dat je overvalt als je een geliefde vriend ziet waar die zich onbespied voelt. Je ziet hem ineens als vreemde.

‘Hallo zeg,’ zei Jean-Luc, ‘vertel me meer.’

‘Hij zingt liedjes.’

‘Liedjes?’

‘Liefdesliedjes.’

‘Maar – en ik speel even advocaat van de duivel – zijn niet alle liedjes liefdesliedjes?’

‘Dan nog.’

‘Wacht,’ zei Jean-Luc. ‘Dit vraagt om nog een rondje.’

Met moeite stond hij op. Bij de vluchtelingencrisis van ‘39 had een Duitse douanier in paniek in een menigte geschoten en hem in zijn heup geraakt. Het was nooit helemaal genezen.

‘Die arme grenswacht,’ zei Jean-Luc ­lachend. ‘Een Zwitser neerschieten is zoiets als een eenhoorn schieten. Het is een Grote Zonde.’

Hij was ruimhartig, op die manier. En op de andere manier: hij gaf rondjes, deelde chocolade uit op kantoor. Zijn schoenen glommen, hij droeg uitgesproken dassen. Maar onder zijn nagels zaten rouwranden, hij verwaarloosde zijn gebit. Door zijn donkere krulletjes heen – zijn moeder was Syrisch of Egyptisch – kon je zijn hoofdhuid zien.

‘Ik weet weinig over je man,’ zei Jean-Luc toen hij terugkwam.

‘Hij heet James.’

‘Maar hij is Nederlands, toch?’

‘Half-half.’

‘Jullie zijn hier gekomen vanuit Indië? Niet met de boot?’

‘Met het vliegtuig. Vijf tussenstops in Afrika.’

‘Je man moet vooraanstaand zijn.’

‘Hij draagt sinds vorige week een uniform.’

‘En?’

‘Hij houdt echt van dat uniform. Hij slaapt er nog net niet in.’

‘Ik gun hem dat uniform.’

‘Bij die speelgoedwinkel op Regent Street heeft hij allerlei tinnen poppetjes gekocht.’

‘Soldaatjes?’

‘Dragonders, beefeaters. Roodjassen. Hij zet ze neer in de vensterbank en kijkt er dan naar.’

‘Ik gun hem zijn tinnen soldaatjes.’

‘Je zou vrienden met hem kunnen worden.’

‘Hoe vond je Afrika?’

‘Ik heb het alleen uit de lucht gezien.’

‘Oké, dus zijn minnares is geen Afrikaanse prinses. Wie dan wel?’

‘Ik maakte maar een grapje,’ zei Connie.

‘Natuurlijk,’ zei Jean-Luc, en ze zag dat hij zich teruggefloten voelde.



Connie Welmoed was veertig. Een keurige leeftijd. Ze was iets buiten Alkmaar geboren. Haar vader was wiskundeleraar op een gymnasium en had geen idee wat hij met haar aan moest toen haar moeder overleed. Maar hij had een oud-studiegenoot die hoogleraar was in Leiden en wel een au pair kon gebruiken. Ze had daar een lange, stille jongen ontmoet, net als zij enig kind. Ze had naast hem gezeten toen zijn vader ziek werd en overleed, had zijn hand vastgehouden, was met hem getrouwd. Na zijn studie maakte hij eerst carrière in Den Haag, en ging daarna een tijdje naar Bandoeng, Indië. Vanuit Indië bezochten ze Hongkong, Australië, Maleisië. Nu waren ze in Londen. Wie uit haar schoolklas in Alkmaar kon dat nou zeggen?

Dat over Welmoeds minnares meende ze heus niet. Ze bedoelde alleen: ik ken hem al zo lang, maar ik zie hem lopen en ik zie een mysterie, geen idee wat hij gaat doen, wat er in hem omgaat.

Ze zag zich in de spiegel achter de bar. Ze had het haar van een mooie vrouw, ze had het lichaam van een mooie vrouw. Maar zo voelde ze zich niet.

In Indië zwom ze vaak, bijna wekelijks, in het zwembad bij B.V.V.S. Neptunus. Het bleef haar verrassen hoe bruin haar armen werden, haar benen, en dan hoe onschuldig wit haar billen bleven. Hier in Londen kwam het voorjaar niet op gang.

Verderop aan de bar stonden Tamara, Lisa, Sylvia en Doris. Miss James, Miss Cheltwick, Miss Huth, Miss Stegner. Zij was de enige Mrs op hun afdeling. Ze werd gerespecteerd, niet geliefd.

De meiden giechelden, plaagden hun collega’s, Hans, Joseph en Jean-Luc (Mr Frak, Mr Johnson en Mr Picard). Jean-Luc kletste met de barman, regelde doppinda’s, grapte met Lisa en Doris.

‘Ik ga naar huis,’ zei ze tegen hem.

‘Nu al?’

‘De avond is zacht, en mijn bed wacht. Dat rijmt. Fijne avond.’

Het huis was leeg. Ze schreef een briefje dat ze op tafel legde: ‘Lieve James, doe voorzichtig als je de slaapkamer binnen gaat komen want/ ik ben dan allang in dromenland.’

Het ging om het idee, de tradities. Al zolang als ze samen waren schreven ze rijmpjes. Het betekende niks, het betekende alles. Ze was veertig en voelde zich loyaal aan die jaren.

Oorlogen zijn kinderspelen. Jeugdolympiades. Ze had de Amerikaanse soldaten maandenlang door de stad zien zwermen. Ze vulden treincoupés, lunchrooms, bliezen bellen bubblegum, gooiden ballen over, zongen dancehall-liedjes. Het scheen dat ze ‘Happy D-day, mister Hitler, Happy D-day to you’ hadden gezongen op het Kanaal. Grote kinderen. Het gezicht van oorlog had jeugdpuistjes. Wat rijmt er op puistjes? ‘Een uniform staat beter/ bij een man zonder mee-eter.’ Voor die dag kende ze de term ‘D-day’ niet, en nu hoorde ze geen gesprek meer zonder. Vanuit grote schepen met massieve kanonnen waren de jonge soldaten overgeheveld naar metalen schoenendozen, waarin ze naar de Normandische kust voeren om daar onder het kwade Duitse schuttersoog de stranden te bestormen. Voor ze ging slapen schreef ze James die dag op een papiertje: ‘Ik denk steeds aan de geallieerde landing/ en hoe traag een mens beweegt, door de zuigende branding.’

Ze zag hem die dagen na D-day amper, hij zat vast ergens in een kantoor aan een radio gekluisterd. Toen ze hem zag, terwijl hij even een schoon shirt kwam aantrekken, vroeg ze of hij al die soldaten ook zag als veel te kleine kinderen. James zei strak: ‘Maar zo zien ze zichzelf niet. Leg maar eens aan een achttienjarige uit dat hij maar een tiener is. Als je achttien bent denk je dat de hele wereld van jou is.’

Het deed precies niets voor haar medelijden.

‘Vanaf wanneer ben je niet meer jong?’ vroeg ze later aan Jean-Luc. Ze zaten aan haar vaste tafeltje. D-day +4.

‘Ik denk,’ zei hij, ‘toen ik me erbij neerlegde dat ik geen professionele tennisser ging worden. Ik las in de krant over een jongeman die Wimbledon won en zes jaar jonger was dan ik. O ja, dacht ik.’

‘Tenniste je op hoog niveau?’

‘Ik tenniste op uitzonderlijk láág niveau. In de goot, zo ongeveer. Maar toch.’

Door het raam zag ze James weer over straat gaan, grote passen. Hij liep – weer of geen weer – alsof hij tegenwind had.

‘Waar gaat hij heen?’ vroeg Jean-Luc.

‘Geen idee.’

‘Naar zijn minnares?’

‘Laten we hem volgen!’ 

Zij was het dus die dit zei, hè. Zij was het die de deur opentrok en erachteraan rende. Wanneer had ze voor het laatst gerend? Bij gym, in Alkmaar. Ze trok Jean-Luc aan zijn jaspanden mee, hij hikte van het lachen, vlug, vlug. Ze zag omstanders kijken, verbaasd. Het was ook idioot, ze waren hier te oud voor, alsof ze hoelahoepten, alsof ze haasje-over deden. James hoefde maar om te kijken of hij zou haar zien, zou denken dat ze gek was, maar hij keek stug naar het plaveisel. Hij ging de hoek om bij het Museum of Natural History. Tegen de tijd dat zij bij die hoek waren sloeg hij alweer af bij het Victoria & Albert.

Ze renden door. Haar hakken klonken als een typemachine. Nu pas viel het op dat het juni was, na weken van nattig, nietsig weer. Het zweet stond in haar nek, Jean-Luc klonk als een stoomtrein, in de verte draaide James zich om en in één beweging door trok ze Jean-Luc een telefooncel in, pas op! Het glas besloeg direct van de hitte die van hen af kwam. James keek om zich heen, zocht iets of iemand, en stapte in een taxi.

Jean-Luc liet zich theatraal uit de telefooncel vallen, op de grond. Hij barstte in lachen uit.

‘Ik ben nooit jong geweest, lachte hij. Mijn ouders hadden me Milton of Oswald moeten noemen. Zo’n naam als een gesmolten camembert.’



Een aantal avonden later ging thuis de telefoon. Het was Jean-Luc.

‘Met Oswald,’ zei hij.

Ze lachte: ‘Hallo Milton.’

‘Ik zit te denken, en ik weet dat dit een cliché is, maar soms moet je een cliché omarmen: moet je niet zijn kleren nalopen?’

‘Waarvoor?’

‘Bewijs.’

Dus ging ze zijn kleren na. Elk pak haalde ze uit de kast, ging door zijn broekzakken, op zoek naar een telefoonnummer op een onderzettertje van een hotelbar gekrabbeld, een onverklaarbaar treinkaartje, een toegangsbewijs voor de film, en dan niet één maar twee stuks.

Ze vond niets natuurlijk. Ze geloofde niet in het bestaan van een minnares, dat was zijn aard niet, maar dit was, bedacht ze, het leukste wat ze ooit in dit huis had gedaan. Opeens kwam het tot leven, elk kastje een schatkist, elke lade gevuld met een mogelijkheid. Ze bevoelde de kastjes, ging met haar handen over het vilt onder in de lades. Ze legde alles keuriger terug dan hoe ze het vond, en voelde een verbond met de meubels dat ze daarvoor miste. Het zou niet zo vrolijk moeten aanvoelen, maar ze grijnsde onafgebroken. Ze belde Jean-Luc terug om verslag uit te brengen, maar hij nam niet op.

Engeland liep leeg. Elke dag staken er tienduizenden mensen het Kanaal over. Soldaten, maar ook artsen. Kamers vielen stil op het Rode Kruis-kantoor. Wat al die tijd was voorbereid werd nu uitgevoerd: artsen zetten in Normandië veldhospitalen op, schier oneindige hoeveelheden verband, gaas en ander zulk spul werden vervoerd. Ze zochten morfine, er was nooit genoeg morfine beschikbaar. Er was te veel pijn om te bestrijden. De wereld was beweging, hoe stom om te denken dat dingen ooit stilstonden.

‘Jean-Luc vertrekt,’ zei Doris.

‘Wie zegt dat?’

‘Jean-Luc zelf.’

‘Maar hij is toch geen arts, met die manke poot, hij kan toch nooit het veld in?’ hoorde ze zichzelf kinderlijk zeggen.

Ze stormde de trappen omhoog, naar de met landkaarten behangen kamers van Bureau Strategische Planning. Jean-Luc zag haar aankomen en deed zijn hand omhoog, zoals je voor een onrustig paard zou doen.

‘Ik ga niet naar Frankrijk,’ zei hij. ‘Ik zou alleen maar in de weg hinken.’

‘Wat dan?’

Hij ging naar New York. Daar werd vlug een speciaal kantoor opgezet, ze wilden duizenden Amerikaanse artsen en verpleegsters mobiliseren, zei hij. Het lacherige was van zijn gezicht, het ouwelijke overheerste. Van zijn shirt was maar één helft gestreken, zag ze, hij was alle pretentie voorbij.

‘Er gaat veel gebeuren,’ zei Jean-Luc. ‘Het gaat veel verder dan de gevechten nu in Frankrijk. Er komen rapporten binnen over plekken in Polen. Kampen. De omvang is nog niet duidelijk, maar het kent geen precedent.’

‘Polen?’



Connie at in haar restaurant, alleen. Niets voor haar, toch, om toen de deur uit te rennen en James te achtervolgen? Nee, niets voor mevrouw Welmoed. Maar blijkbaar toch wel. Want zij deed het. Die paar keer dat ze James op straat had zien lopen en geen idee had wat hij uitspookte, hadden een besef aangewakkerd. Het ging niet zozeer om hem, niet echt. Want ze kende hem, kende alles aan zijn buien, zijn vrolijke en zijn sombere stiltes, de ambitieuze contouren waarin hij zichzelf zag. Maar kende ze zichzelf? Als ze zichzelf zo kon verrassen, waartoe was ze dan nog meer in staat?

Ze bedacht: stel dat James een minnares heeft, is dat dan een ramp? Ze schreef op haar servet: ramp, kamp, bezit, verhit, Polen, bowlen, leuk, neuk, huisvredebreuk. Het was een trucje van haar vader om in hoge nood het rijm te zoeken, het geeft houvast aan je struikelende gedachten, meer dan je zou verwachten. Het verandert niets aan hoe hij en ik samenleven, dacht ze, aan wat we delen. Ze gunde het hem! Een meid, een beetje dommig, maar knap. Een secretaresse, een winkelmeisje. Ze was veertig, ze waren al zo lang samen. Het was goed fatsoen elkaar zoiets toe te staan.

Het verheugde haar dat ze dit kon, haar hypothetische largesse.

Heel even tilde het haar op. Ze stak de weg over, liep de trappen op. In de keuken trapte ze haar schoenen uit, schonk zichzelf iets in, liep naar de vensterbank en voelde ineens een pijn die niet serieus kon zijn. Dat was haar eerste reactie: dit kun je letterlijk niet menen. Een pijn die opstak in haar voet en doorstootte tot haar lies. En je bent gewend dat zo’n pijnsteek vlamt en weer dooft, maar deze hield aan. Als een tapijt rolde de pijn om haar heen. Een tinnen beefeater stak in de bal van haar voet, door haar kous heen. Tot aan zijn knieën zat hij in haar vlees. Ze voelde de pijn verder oprukken, langs haar ruggengraat, naar haar kruin. Witte vlekken voor de ogen.

En toen was de pijn weer weg.

Zo snel ging het.

Ze zat op de grond, want tot haar verbazing had ze zich op de grond laten vallen. Niks voor haar om zo melodramatisch te doen. Ook niks voor haar om te huilen, maar kijk haar zitten: een wasbeer van uitgelopen make-up. Hete wangen. Ze trok het poppetje los. Slechts een beetje bloed. Ze rilde. Niet van pijn. Van de ontlading.

Ze bleef een tijd zo zitten, met haar armen om haar knieën. Tot het donker was. Vrijwel tot het nacht was. Toen trok ze dikke sokken aan en wandelschoenen en liep naar het Rode Kruis-kantoor, ging de trappen op, naar Jean-Lucs kamer, en legde het handgeschreven kaartje neer. ‘Al met al, mijn beste Milton, vind ik het behoorlijk zonde/ Blijf toch gewoon bij mij in Londen.’

Joost de Vries (1983) is adjunct-hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer en auteur van essayboeken als Vechtmemoires en De gelukkigste man van Nederland, en van romans als Clausewitz, De republiek en Oude meesters. Meest recent verscheen zijn verhalenbundel Rustig aan, tijger

Meer van deze auteur