© Ed van der Elsken / Nederlands Fotomuseum

De abdijkerk is vanbinnen witgepleisterd, een van de monniken trekt aan het touw om de klok te doen luiden. Zoals altijd raak ik verdwaald in wat wanneer moet worden gezongen en hoe, wanneer je precies geacht wordt op te staan en te gaan zitten. De geur van wierook vult de kerk. De gelovigen, de mensen die hier wél bij horen, lopen naar voren en gaan ter communie. Vanaf mijn plek achterin kijk ik naar hun ruggen, naar de licht gebogen hoofden, de in elkaar geslagen handen. De preek roept op tot geloven in de afwezigheid van bewijs, tot vertrouwen in kwetsbare onzekerheid.

‘De stilte spreekt,’ zegt de tekst in het gastenboekje. De stilte, diezelfde stilte waarnaar ik in de stad zo vaak verlang, voelt hier zwaar en bedrukkend. Het is een opluchting dat de vogels haar voor mij doorbreken. In het bos rond het klooster pikken roodborstjes en heggenmussen met hun snavel in het mos, boomklevers klimmen tegen de stammen op, een vink vliegt verschrikt weg als hij mij ziet. De takken zijn nog kaal, het voorjaar is hier nog niet zover als thuis. Konijnen rennen achter elkaar aan, hun witte achterhand zelfs in de schemering goed zichtbaar. ‘s Ochtends zie ik dat het weilandje voor de deur vol met holen zit. De afgelopen jaren heeft een ziekte veel konijnen geveld. Lange tijd deden ze het bijna alleen goed op bedrijvenparken, waar het gras voedzamer was.

In het oude café aan de andere kant van de weg – geleemstucte muren, eikenhouten meubilair – keek de gastvrouw naar onze fietstassen en informeerde of we op vakantie waren. ‘Luxe hoor,’ zei ze. Ze bedoelde het niet vijandig, maar klonk wel zo. Ons gesprek ging over niets en haperde desondanks voortdurend. Later, toen ze hoorde dat we in de abdij verbleven: ‘Moet je dan niet nu al binnen zijn?’ In het hele café was maar één andere tafel bezet, een groep oude stamgasten zat pontificaal in het midden. Ze spraken over huizen in Spanje, vakanties. ‘Er is,’ zei een van hen, ‘altijd zo’n periode waarin het hier mooi weer is en daar niet. Maar ik weet nooit wanneer dat is.’

Aan de provinciale weg zit de mesthandel recht tegenover de massagetherapeut, een paartje puttertjes vliegt voor mijn fiets weg. Onder een ­afdak bij een boerderij hangt een grote foto van een koe. ‘Grietje 41’ staat eronder. En: ‘10.000 kilo vet en eiwit’. (Ik heb het later opgezocht: de foto verwijst naar Gre241, die op haar dertiende jaar 120.000 kilo melk geproduceerd heeft.) De ­Nederlandse vlag boven de foto hangt weer rechtop, een boeren­zak­doek wappert nog in een boom. Dichter bij het dorp maken posters reclame voor een trekkertrek; op de rotonde verbeeldt een kunstwerk van cortenstaal een gigantische tractorband. Tegenover het tankstation wacht de bus, waar ik niet zonder verlangen naar kijk. Voor mij blijft de stad een plek om naartoe te gaan, het platteland iets om vandaan te komen. De bescheiden winkelstraat heeft twee Poolse supermarkten, de Rabobank neemt een prominente plek in. De kerk biedt zich aan als een poort naar de hemel.

Het platteland is niet het platte land, is niet het vlakke land. In het Middelnederlands stond ‘plat’ tegenover ‘stad’: het betekende open, onbebouwd – en daarmee onbeschermd. Het platteland was kwetsbaarder dan de versterkte steden, het was daar waar de vijand gemakkelijk binnenkwam. Op het oude houten bureautje in mijn kamer ligt een monastiek tijdschrift over (ont)angsten. Een van de artikelen beschrijft hoe voormalig abdis Benedict Thissen tot haar schrik ontdekte dat ze in haar klooster terechtgekomen was ‘in wat in de landbouw heet: een “gemengd bedrijf”’. Dat gemengde bedrijf bestond uit dat wat ze verfoeid had, maar nu niet kon ontwijken: het kleinmenselijke, het lelijke, het altijd beneden het ideaal blijven.

Ik denk eraan als ik in de goedkope supermarkt word overvallen door een vertrouwde paniek die niets met het platteland te maken heeft en desondanks versterkt wordt door de gezichten om me heen. Bij de ingang zit een mevrouw met een rollator. ‘Mooi weer hè?’ zegt ze als ik haar bij het binnengaan passeer. Dat is tenminste wat ik denk te verstaan, hoewel de lucht de hele dag al grijs en laag boven de velden hangt. Ik zou naast haar moeten gaan zitten, de tijd nemen, ik zou meer leren over deze plek dan wanneer ik urenlang zou rondfietsen. Ik doe het niet, ik ben te moe en kan haar maar moeilijk verstaan. Voor me bij de kassa koopt een Roemeense jongen blikken vis, potten witte bonen in tomatensaus en kratten bier. Hij rekent tachtig euro af in contant geld, briefjes die hij los in zijn zak heeft zitten en zorgvuldig een voor een afpelt.

Als ik weer naar buiten loop heeft de oude vrouw iemand anders aangesproken, die op haar horloge kijkt om haar te vertellen hoe laat het is. Misschien vroeg ze datzelfde eerder aan mij, misschien gaf ik haar een antwoord dat nergens op sloeg. Ik word kritischer wanneer ik me niet thuis voel, banger voor dat kleinmenselijke, lelijke in mijzelf en anderen. Het platteland: de plek waar je tegenkomt wat in de stad eenvoudiger over het hoofd te zien valt, waar datgene plaatsvindt wat de stad pas bereikt wanneer het vacuüm geseald en in veilig plastic verpakt is, en onherkenbaar als iets wat ooit in leven was.



Wat ik hier ook schrijf zal verkeerd zijn, omdat ik kijk met de blik van een buitenstaander: een stedeling die hier niet hoort en van niets weet en desondanks de arrogantie heeft om iets te schrijven. Misschien vind ik het platteland in andere landen eenvoudiger omdat ik daar niet verwacht dat ik er zonder moeite of misverstanden een gesprek kan voeren, omdat ik me hier misschien nog meer dan daar een indringer voel. Alleen de koning en de boer hebben een hof, maar alleen de boer heeft een enkel woord voor iedere buitenstaander die over de vloer komt: erfbetreder.

De abt vertelde dat hij als zestienjarige voor het eerst op deze plek kwam en direct had geweten dat hij hier wilde blijven. Hij was te jong en werd weggestuurd. Negentien jaar later trad hij hier alsnog in en ook dat moet nu al lang geleden zijn. Hoe moet een plek zijn om iemand een heel leven lang te boeien? Hoe moet iemand zijn om een heel leven door dezelfde plek geboeid te blijven? Ik groeide op in een dorp dat groot genoeg was om voor mij, toen, niet echt te voelen als een dorp. Al was het maar omdat mijn ouders erheen waren verhuisd vanuit een kleiner dorp, waar de zwartekousenkerk de dienst uitmaakte, een dorp dat ik nooit bewust had meegemaakt, maar dat voorkwam in de verhalen als de plek waar je op zondag niets mocht doen, waar je voortdurend nagekeken werd. Ik heb niet de illusie dat mensen in een stad interessanter zijn dan daarbuiten, maar het is eenvoudiger om te verdwijnen in een menigte.

Het is twintig kilometer fietsen naar het ­station, een stukje van niets om in een andere wereld te komen. Ironisch genoeg vind ik in een minibieb bij mijn huis een boek over de Pannenhoef, het natuurgebied vlak bij de abdij. De roman is geschreven door Cor Ria Leeman en gaat over diens boerenfamilie, die hem, als Antwerps jongetje, fascineerde omdat hij zoveel niet begreep en hoogstens glimpen van hun leven opving, fragmenten waarvan hij jaren later een geheel probeert te maken. Het gaat over de tante die hij naakt zag, over gestroopte mollen, de koe waar na een bevalling de darmen uit hingen en de avond in de Tweede Wereldoorlog waarop Duitse soldaten de boswachtersfamilie fusilleerden. Het gaat over de tijd waarin de Pannenhoef nog de Pannenhoeve was, over de tijd voordat ze het ‘gingen “reservaten”’. De grootvader van de auteur had die hoeve gevestigd op een stuk heidegrond waarvan de rest van het dorp dacht dat het niet te ontginnen viel. Dat het deze Michiel wel lukte werd een bron van wrok, vooral toen hij er rijk mee werd: ‘bij al die lui de dwanggedachte dat hij hen uitkopen kon, dat hij het ooit eens doen zou.’

In Georgië verplaatsen mensen eeuwenoude bomen om ze in het privépark van de oud-premier te zetten, die er goed voor betaalt. Dorpelingen zijn te arm om het geld van de oud-premier af te slaan, de wegen die hij aanlegt, de broodnodige verbinding met de buitenwereld. Dus kijken ze verbijsterd toe terwijl hun reusachtige boom op een vrachtwagen traag het dorp uit wordt gereden, ze filmen het vertrek met telefoons. Veel, maar niet alle gezichten staan grimmig, een vrouw huilt en slaat een kruis. De traag verdwijnende boom heeft iets absurdistisch; ontworteld is het een decorstuk geworden. En wie heeft er iets aan een bos, zegt een man schamper in de documentaire Taming the Garden. ‘Zijn er bomen die je mist? Is het nu moeilijker om te ademen?’

Hier, vlak bij de abdij, wordt een oude beukenlaan doorsneden door de provinciale weg. Het landhuis staat aan de andere kant. Alleen vanuit het bos, op enige afstand van de weg, kun je zien hoe het vroeger was: dat je ooit vanuit dat huis onder de beuken door ongestoord rechtdoor kon lopen, naar de theekoepel toe. Nu biedt de theekoepel uitzicht op een telefoonmast, de snelweg ruist in de verte, de laan gaat nergens heen. Er zijn niet veel dingen waarover ik onverschillig ben, zegt iemand tegen me, maar de natuur in Nederland – die laat me onverschillig. In de schemering wandelt een non voorbij. Traag, verrassend snel, verdwijnt de zon.



Als ik terugkom scheren boerenzwaluwen laag over het water, langs de zandwegen bloeit de brem uitbundig geel, een hagedis schiet voor mijn voeten weg. Op de grond onder de bomen liggen lichtblauwe eierschalen, zo teer dat het me steeds niet lukt ze onbeschadigd terug naar het huis te brengen. Het nieuws bericht over kalenderlandbouw: de regering wil dat boeren het merendeel van de oogst voor 1 oktober van het land hebben gehaald. Vanggewassen kunnen dan zo snel mogelijk de overgebleven meststoffen opvangen, wat belangrijk is voor de waterkwaliteit. Maar de lente is dit jaar zo regenachtig dat veel boeren nog niet eens konden planten.

Alleen bij de abdij staan er koeien in de wei, voorzichtig bewegen ze zich door een modderig stuk waarin ze tot hun enkels wegzakken. Ze houden me argwanend in de gaten. Het landgoed vlakbij is privé-eigendom en, zegt het bord, inmiddels een bv om het behoud ervan te vergemakkelijken. Ooit werd hier turf afgegraven, nu groeit er bos. Pas als ik een foto maak zie ik dat de wilgen langs de sloot allemaal op exact dezelfde hoogte zijn geknot, samen vormen hun kruinen een lange rechte lijn. Ik loop over de Pannenhoef en zoek naar sporen van de ruwe wereld die Leeman beschreef, van arme boeren die elkaar niets gunden, maar die wereld is verdwenen tussen de recreatieve route­bordjes; een vrolijke totempaal wijst de weg naar diverse parkeerplaatsen. Alleen wie weet waar hij moet kijken, vindt het verleden terug. Lucht­foto’s van Nederland tonen nog altijd middel­eeuwse karrensporen, minieme hoogteverschillen in de grond.

De bomen die de Georgische oud-premier verzameld heeft, komen uit alle hoeken van het land, ze hebben niets met elkaar te maken. Door draden gestut vormen ze elk een eigen eiland op het gras, dat door tientallen sprinklers groen gehouden wordt. Hier leeft alleen wat er is neergezet.

Rondfietsend in de buurt van de abdij zie ik een strookje verdorde zonnebloemen naast een verder egaal groen veld en betrap mezelf op de gedachte aan subsidies. Dit jaar is er opnieuw ophef over de ‘gele lente’: de velden met vanggewassen die oranje kleuren nadat ze met glyfosaat zijn doodgespoten. lto adviseert boeren om hun perceel onder te ploegen voordat de verkleuring optreedt en zo onnodige discussie te voorkomen.

In een oud tijdschrift over het platteland – weinig maakt zo cynisch als de luidkeels verkondigde zekerheden van een decennium geleden – vind ik de aankondiging van een symposium dat twaalf jaar geleden plaatsvond. Volgens de organisatoren is het platteland een consumptieruimte geworden, terwijl ‘we vaak nog denken dat het vooral voor productie bedoeld is’. Is het platteland wel klaar voor haar leisurefunctie, vraagt de tekst bezorgd. Maar de vraag is natuurlijk wie die ‘we’ zijn die ‘vaak nog’ iets denken wat blijkbaar overduidelijk achterhaald is. De vraag is wie er nog denkt in termen van ‘bedoeld zijn’, terwijl het land ondertussen iets heel anders is ‘geworden’. Open, onbebouwd – en daarmee onbeschermd.

Wie die ‘we’ zijn beschrijft Chris de Stoop, zelf het einde van een lange boerenlijn, in Dit is ons hof, een ingetogen, woedend boek over de Hedwigepolder. De aan terreur grenzende regeldruk, de uitzichtloze weg waarin het boeren is veranderd kosten De Stoops broer het leven. Hij is niet de enige boer die geen uitweg meer ziet: de landbouw staat in de top drie van sectoren met het hoogste risico op zelfdoding. De Stoops verlies wordt nergens expliciet beschreven, kleurt desondanks het hele boek. De Hedwigepolder is onder water gezet om de natuur te compenseren voor de uitbreiding van de haven. Maar ‘dé natuur’ bestaat niet. De Stoop is cynisch over nieuwe natuur, aangelegd door wat hij beschrijft als groene projectontwikkelaars: natuur die zelfbedacht en zelfgemaakt is, die geen geschiedenis heeft maar de laatste mode volgt.

Uit verhalen van bevriende natuurbeschermers ken ik ook de andere kant: het is moeilijk iets te bereiken tegen een sterke boerenlobby, complex navigeren tussen de noodzaak tot samenwerking en de ontmoedigende wetenschap dat je moet inleveren voordat je zelfs maar kunt beginnen met onderhandelen. Het is ingewikkeld praten met iemand wiens taal zo sterk van de jouwe verschilt, iemand met vaak zo’n volstrekt andere kijk op wat natuur is of zou moeten zijn. De nieuwe natuur in de Hedwigepolder past precies in de leisurefunctie van het platteland, kan naar wens worden aangelegd en afgebroken. Ze is, schrijft De Stoop, ‘geschiedloos, mensloos, ontvolkt, ontdaan van elke referentie’.



Het is te simpel, het laat zoveel weg dat je het geen waarheid kunt noemen en toch is het waar: platteland, althans het beeld ervan, dat misschien waanbeeld is, draait niet om de vraag wie je bent, maar ‘van wie je er eentje’ bent, waar je vandaan komt, waar je hoort. Een a4’tje op het hek bij een weiland vertelt over Dahomey-dwergkoeien, een Afrikaans runderras van ongeveer een meter hoog en daarmee veel kleiner dan de koeien die we gewend zijn. Toch ogen ze niet exotisch en passen ze goed in ons landschap. Bij een boerderij maakt een poster reclame voor een voorstelling van Ali Baba, uitgevoerd door de plaatselijke komedie. De acteur op de poster heeft een bol gezicht, zijn ogen zijn zo wijd opengesperd dat je boven de iris het wit kunt zien. Water is onder het plastic gekropen, verrimpelt het papier. Ooit duidde het woord cultuur het bebouwen, bewerken, verzorgen van de grond aan. Pas veel later, toen meer mensen naar de steden trokken, werd dat het beschaven, verheffen van de geest.

Ooit werd het land bevrucht met de eigen uitwerpselen en natuurlijk die van het vee. In de negentiende eeuw werden talloze skeletten opgegraven en fijngemalen of in zuur opgelost om de grond te voeden met beenderen. Naar verluidt gebruikte men daarvoor onder andere de overblijfselen van mummies en van de duizenden soldaten die gesneuveld waren bij Waterloo en Austerlitz. Leeman: ‘je grond heeft een lijf, net zo goed als je er zelf een hebt maar die Frans gaat er met machines aan, zoals een dokter met een mes naar je ingewanden graaft’. Vanuit Zuid-Amerika werd op grote schaal guano verscheept, de uitwerpselen van vogels: mest was wereldhandel geworden. Door de ontdekking van het Haber-Boschproces werd het begin twintigste eeuw voor het eerst mogelijk om op industriële schaal ammoniak te produceren en dus kunstmest te maken. Die uitvinding was niet alleen in de landbouw een revolutie, maar veranderde de hele wereld. Oogsten die eerder ondenkbaar waren, leidden tot veel grotere welvaart en een bevolkingsexplosie.

In de buurt van de abdij wemelt het van de weilanden die ooit veen waren. Meters afgegraven grond werden per boot over de turfvaarten als brandstof naar de stad gestuurd. Diezelfde boten brachten stadsmest terug om de moerasheide mee te ontginnen. ‘Moer: 1. grondsop, veenslik, drab. 2 N-B moerasachtig land, veengrond. 3 gedolven brandstof, turf.’ Grondsop, veenslik. Als je de woorden uitspreekt proef je de modder in je mond. De uitvinding van kunstmest wordt nu vooral geassocieerd met Fritz Haber, die er tot afgrijzen van velen – Haber is ook de vader van de chemische oorlogsvoering – de Nobelprijs voor won. Zijn landgenoot Justus von Liebig – geestelijk vader van iets onschuldigers: het bouillonblokje – experimenteerde halverwege de negentiende eeuw al met kunstmest. Maar Von Liebig schrok van zijn ontdekking. Later zou hij voor kringlooplandbouw pleiten, omdat hij voorzag dat grootschalige toepassing van kunstmest de grond zou uitputten: ‘[boeren] denken dat ze van het veld kunnen nemen zolang er nog iets over is, en dat er genoeg tijd zal zijn om in deze noodzaak [van bodemherstel] te voorzien als die op hun deur klopt. Ze weten niet, natuurlijk, hoe groot hun beschikbare voorraad [voedingsstoffen] is noch zijn ze zich ervan bewust dat […] wat ze hebben verspild onherstelbaar is.’

Tijdens de completen staar ik naar de habijten, waarvan de kleuren een betekenis hebben die ik niet ken. Ik staar naar de hoofden die zich buigen, de gekromde ruggen, naar de oude man voor wie het korte stukje lopen een beproeving moet zijn en die desondanks steeds komt. Ik laat de woorden hun inhoud verliezen tot er alleen een koor van vragende, vertrouwende stemmen over is, ik wacht totdat de klok opnieuw geluid wordt en de kaars gedoofd, ik wacht totdat ik helderder en ­leger ben. Buiten kleurt het avondlicht de boomstammen rossig. De koeien die gister op veilige afstand bleven kunnen deze avond hun nieuwsgierigheid niet meer bedwingen. Ze huppelen naar het hek, deinzen terug, komen opnieuw naar voren en onderzoeken me snuivend, likken mijn hand met hun ruwe, verrassend voorzichtige tongen.

Nu pas, nadat ik ben weggegaan en weer teruggekomen, nu ik weet dat het niet lang duurt voor ik hier weer wegga en dit keer voorgoed, nu pas lukt het me om te doen wat ik al veel eerder gewild had: hier te zijn. Ik hurk neer bij een gevallen berk en teken een stuk schors na. Op een bord vlakbij legt Natuurmonumenten verontschuldigend uit waarom het dode bomen laat liggen; de uitleg gebruikt het woord ‘fastfoodrestaurant’. Het stukje schors, dat in werkelijkheid maar een paar centimeter is, wordt op mijn papier een landkaart. Wat ik niet teken zijn de mieren en de spinnetjes die zich over de boom bewegen, ze zijn te snel voor mij. Een koe hoest en klinkt als een mens, regen waait in fijne druppels over de velden. Braam en brandnetel tieren welig.

Wytske Versteeg (1983) schrijft romans en non-fictie. Haar werk is vertaald in acht talen en werd bekroond met onder meer de bng Bank Literatuurprijs en de Frans Kellendonkprijs. Haar recentste roman Het gouden uur werd door zowel de Volkskrant als NRC gekozen als een van de beste boeken van 2022. Versteeg is redacteur van De Gids.

Meer van deze auteur