Ik realiseerde het me pas toen ik al aan deze opdracht aan het werken was: schrijven over moeilijk uit te spreken woorden is schrijven over schaamte. Ik werkte aan verschillende tekstjes, over verschillende woorden. Allemaal even pijnlijk. Ik ontwijk die woorden niet voor niets, zo bleek maar weer: de gêne die ik voelde tijdens het typen was verstikkend. Stuk voor stuk verwierp ik ze.

Afgelopen week ontmoette ik Judith Schalansky, schrijfster, in 1980 geboren in Greifswald, in wat toen nog de DDR was. In een imposante balzaal in het Amsterdamse Goethe-instituut spraken we over haar nieuwe boek, Inventaris van enkele verliezen. Het is een verzameling van twaalf verhalen, divers van stijl (de bundel bevat fictie, autofictie en essays), die allemaal gaan over verlies, over het menselijke onvermogen zich te verzoenen met het feit dat alles eindig is. Maar je zou ook kunnen stellen dat het eigenlijk een boek is over taal.

Schalansky schrijft ‘om niet te vergeten’, vertelde ze me; het boek is voor haar als de weckpot waarin je herinneringen conserveert. In ‘Het kasteel van de Von Behrs’ stelt ze de aard van het herinneren zelf centraal. Het verhaal is een reconstructie van een ingrijpende gebeurtenis uit haar eigen jeugd: van vier meter hoogte sprong ze uit een slaapkamerraam. Het was het moeilijkste verhaal om te schrijven, vertelt ze, omdat ze de sprong, en alles wat ermee samenhing, als traumatisch heeft ervaren. Ze was vier toen het gebeurde, een leeftijd waarop ons vermogen ervaringen in taal om te zetten nog niet volledig is ontwikkeld. Herinneringen, zo legde ze me uit, bestaan bij de ­gratie van taal: alleen ervaringen die we in woorden weten te vangen en op die manier om weten te smeden tot een verhaal, een anekdote, kunnen in ons geheugen worden opgeslagen.

In ‘Haven van Greifswald’ beschrijft ze een wandeling van dertig kilometer, dwars door een landschap dat min of meer ‘natuur’ genoemd kan worden. Het verhaal is een feest voor wie van zonderlinge woorden houdt: slenk, bies, grasnerf, tongbekken, priemvetmuur, teeltgrond, kraakwilg, kegelmorielje, kalkgraslanden, slakkenvraat – meermaals, vertelde ik haar, moest ik er een woordenboek bij pakken. Schalansky veerde op uit haar stoel, dit was waar het haar om te doen was: ‘Ik wilde een soort encyclopedie van vergeten begrippen maken.’ De fascinatie die daaraan ten grondslag lag hangt samen met wat ze vertelde over die kinderherinnering: iets waar we geen woord voor kennen, heeft geen toegang tot ons bewustzijn. Dus wanneer een woord in onbruik raakt, wanneer we er collectief mee ophouden iets te benoemen, dan houdt het in zekere zin op te bestaan. ‘Ik wil die begrippen tegen de vergeting beschermen. Hoe rijker een taal, hoe genuanceerder het mogelijke denken.’

We spraken verder over de macht van woorden en de angstaanjagende aspecten daarvan. Taal maakt het mogelijk te denken in abstracties, in onderverdelingen, in soorten. Taal reduceert. Dat maakt de wereld ­overzichtelijker, behapbaar, analyseerbaar. ‘Een elegante bezwering,’ glimlacht ze, ‘van onze panische angst voor chaos.’ In diezelfde vereenvoudiging schuilt ook het gevaar. Door de werkelijkheid in categorieën op te delen, trek je kunstmatige muren op. En omdat de taal aan de basis staat van ons bewustzijn, hebben we de neiging die muren te ervaren als de realiteit. Zo kan een woord, hoe willekeurig ook gekozen, grote gevolgen hebben voor hoe we de realiteit ervaren: hoe we ons leven inrichten, wie we liefhebben, wie we uitsluiten, welke bedreigde diersoort we besluiten te redden, wat we vrezen, waar we van walgen, welke aanslag het achtuurjournaal haalt.

Een van de interessantste teksten in de ­bundel vond ik ‘Sappho’s liefdesliederen’, een essay over het grotendeels verdwenen werk van de Griekse dichteres uit 600 voor Christus. Honderden gedichten schreef ze, maar slechts één enkele heeft de tijd doorstaan. Van sommige andere hebben we nog wat flarden, wat dit soort raadselachtige vertalingen oplevert:



… en ik ga …

… gelijk aan …

… want …
… van de harmonie …
… het koor, …
… helder klinkend

… alle …

Wat het essay zo enerverend maakt is dat het licht werpt op Schalansky’s haat-liefdeverhouding met taal. Enerzijds betreurt ze natuurlijk het verdwijnen van Sappho’s levenswerk, maar anderzijds is haar essay ook een ode aan ‘de drie puntjes’ die, ‘net als formulieren’, oproepen tot eigen invulling. ‘Als fantoomledematen lijken de puntjes met de woorden vergroeid en te verwijzen naar een verloren volmaaktheid.’

Deze ‘witte ruimte’, zegt ze, is waar het onzegbare zich ophoudt. We hebben er, naast die drie puntjes, nog allerlei andere tekens voor bedacht. Het gedachtestreepje, de nul, de letter x, de asterisk, de witregel: allemaal plaatsvervangers voor dat wat afwezig is, voor het onbekende, het onbepaalde, dat wat niet in taal kan worden omgezet.


Wat me van ons gesprek het meest is bijgebleven, is de tegenstrijdigheid in Schalansky’s denken over taal. Ze houdt van woorden, van het ritme ervan, haar plezier in het construeren van ingenieuze formuleringen valt te proeven in elke zin. Ze streeft naar orde, begrip, helderheid, is bovengemiddeld analytisch aangelegd. En tegelijkertijd, dat vond ik zo fascinerend, is haar boek te lezen als een pleidooi voor juist het niet-weten; voor het dulden van de leegte, het bieden van weerstand tegen het verlangen existentiële angsten in woorden te smoren.

Ik herkende die tweestrijd.

Taal is reductie, taal is vereenvoudiging. Maar de taal waar ik mijn hart aan heb verloren, goede literatuur, doet simultaan het tegendeel: die biedt zicht op de chaos die de spreker er vergeefs mee poogt te bestrijden. Ik hou van de kieren in de taal. Ik hou van de drie puntjes.

Eerlijk gezegd weet ik nu niet meer zo zeker of het echt schaamte was, die ertoe leidde dat ik faalde in mijn pogingen het ongemak dat sommige woorden bij me teweegbrengen hier te beschrijven. Misschien was het simpelweg onwil. Moet alles gezegd? De woorden die ik probeer te ontwijken, waar dit verhaaltje eigenlijk over had moeten gaan, trekken grenzen waar grenzen mij onwenselijk lijken. Ze verdelen waar ik verbinding nastreef. Ze reduceren, pletten, wat in mijn ogen nuance behoeft. Allemaal, valt me nu opeens op, hebben ze te maken met macht.

Ik ben het met Judith Schalansky eens dat taal ons denken kan verrijken, dat een grotere woordenschat meer begrip mogelijk maakt. Maar er bestaat ook taal die ons denken beperkt. Ik kies ervoor om sommige woorden af te wijzen. En weet je wat? Ik geloof eigenlijk niet dat ik me daarvoor schaam…

Shira Keller (1985) debuteerde in 2012 met de roman M., waarvoor ze de Academica Literatuurprijs ontving. Ze schrijft boekbesprekingen en interviews voor NRC Handelsblad en Trouw.

Meer van deze auteur