‘Ik zwem niet,’ zegt Claudette. ‘Ik heb een allergie voor een bacterie die in water leeft, een heel zeldzame allergie.’

Ze draagt een bordeauxrood badpak onder een doorschijnende zwarte rok die haar benen streelt bij elke beweging. Ze is vijfentwintig. Zo slank als zij is, ben ik sinds mijn vijftiende niet meer geweest. Moeiteloos loopt ze op haar gympen over stenen en stammen de berg op. Zij gaat voorop, de eerste van vier. Ik, in wandelschoenen en korte broek, doe mijn best om haar bij te houden. Achter mij vraagt Martin aan Sylvain wanneer je de passé composé gebruikt en wanneer de imparfait. Het is hoogzomer, maar koel in de schaduw van de esdoorns.

Dit is haar gebied, de plek waar zij is opgegroeid, waar haar moeder aan een schildercarrière begon en haar vader aan een alcoholverslaving, nog voordat haar moeder hem verliet. Dit is waar de Frans-Canadese middenklasse heenrijdt in de zomerweekenden, om in een meer te springen, vis te eten en newageprullaria te kopen in krappe winkels die naar de jaren zeventig ruiken.

Zij heeft ons hier uitgenodigd, al kent ze ons pas twee etentjes. Sylvain probeerde het me nog af te raden, belde me daar speciaal voor op: ‘Ik kan jullie wel meenemen, maar niet terugbrengen, en met het openbaar vervoer is het best een eind terug…’

‘Als je niet wilt dat we komen, moet je dat zeggen.’

‘Nee, nee, maar ik weet niet of het de moeite is voor anderhalve dag. Er komt wel weer een andere kans.’

‘Ik wil je gewoon zien,’ zei ik, ‘het maakt me niet uit waar en hoe.’

Terwijl ze loopt, zwaait ze wild met haar armen voor haar gezicht.

‘You’ve got quite a Kate Bush-thing going there.’ Zodra ik het heb gezegd, hoop ik dat het niet te onvriendelijk klonk.

‘Ik haat de natuur,’ zegt ze. ‘De muggen dan, de beestjes. Verder houd ik van de natuur.’

‘Waar gaan we eigenlijk heen?’ vraagt Martin.

‘Er is een steenformatie verderop, de erratic stones,’ zegt Sylvain. ‘Willen jullie die zien?’

Martin verstaat hem verkeerd of doet alsof. ‘Erotic stones? Sure, I don’t mind seeing some erotic stones.’

De erratic stones zien eruit alsof een reuzenkind een toren heeft willen bouwen, maar niet geduldig genoeg was om de stenen netjes op elkaar te stapelen. Groene, witte en oranje mossen versieren de wanden. Claudette glundert erbij alsof ze het persoonlijk voor ons heeft neergezet.

‘Als tiener beklom jij toch zulke rotsen?’ vraag ik aan Martin. Ik ken het antwoord, maar ik gun hem een stoer verhaal.

‘Ja, het mooist was het gevoel als je daarbovenop stond en uitkeek over het niets…’

‘Just you and the increased likelihood of death,’ zegt Sylvain. Mijn blik glijdt naar de tatoeage op zijn onderarm, dat zachte plekje tussen pols en elleboog, waar de aderen doorheen schijnen.

‘Zoiets…’ Martin fronst een beetje. Flirten met de dood vindt hij iets decadents. In de tijd dat ik met zwartomrande ogen naar newwavefeestjes ging, vocht hij tegen neonazi’s.

Om de weg te vervolgen moeten we over een rots heen zien te komen. Martin staat er al bovenop en trekt Claudette omhoog. Ik probeer het op eigen kracht. Eerst één been tegen de steen, dan me met mijn handen afzetten… ik onderschat de afstand en de gladheid. Terwijl het gebeurt, zie ik het gebeuren: hoe ik mijn evenwicht verlies. Recht achterover val ik, een harde klap tegen de grond.

Martin roept iets, buigt zich voorover vanaf de steen. Claudette blijft staan, kijkt naar beneden, haar blik is zorgeloos, licht gefascineerd. Sylvain helpt me overeind, zijn armspieren gespannen, zijn hand warm in de mijne. Even. Of het gaat. Dat dat vreselijk klonk. Dat mijn rugzak hopelijk de val heeft gebroken.

‘Het gaat, het gaat.’

We lopen verder. ‘Het was mijn fout,’ zegt Martin. ‘Nee, mijn fout,’ zegt Sylvain. Claudette rent de struiken in, een kikker achterna.

‘Het was niemands fout,’ zeg ik, ‘het was hoogstens mijn fout. Het was mijn fout.’

‘Dit is wat je krijgt als je met vrouwen gaat wandelen,’ grapt Sylvain.

‘Ze zouden ons het huis niet uit moeten laten,’ zeg ik, zonder te lachen.

Claudette en ik, wij hebben elkaar gegoogeld. Zij weet van mijn boek, ik weet van haar stop-motionfilms. Zij is de enige van ons vieren met een Wikipedia-pagina. (‘Dat is echt niet zo indrukwekkend,’ probeerde Martin me te overtuigen. ‘Zo’n pagina kun je zelf maken.’)

Vanaf een vlonder duikt ze het meer in, sierlijk als een dolfijn. Sylvain duikt achter haar aan – zo goed als, net niet, synchroon. Maar even sierlijk. Modellen in een reclame voor een vakantiebestemming.

Ik draai mijn hals zo ver als ik kan richting mijn onderrug, om de schade in te schatten. Boven mijn bikinibroekje is een bloeduitstorting verschenen met zeker de omvang van een kinderhoofd.

‘Jezus,’ zegt Martin. ‘Gaat het echt?’

‘Het gaat, maar dit zie je nog wel even.’ Ik geef hem een vluchtige kus op zijn wang. Als wij zwemmen, lijkt dat op het zwemmen van zeehonden.

Verderop in het water praat Sylvain met een van de vrouwen uit de buurt. Ik denk iedereen weg behalve hem. Kom maar hierheen, denk ik. Kom alsjeblieft iets dichterbij.

Hij kijkt niet eens mijn richting uit.

‘Ik zwem naar Claudette, veilig terrein. Ze veegt een haarlok uit haar gezicht en lacht naar me. ‘Ik houd van zwemmen,’ zegt ze. ‘Ik doe het alleen niet vaak, vanwege mijn allergie.’ (Als ik haar was, denk ik, zou ik ook een zeldzame allergie cultiveren. Alles om zijn aandacht vast te houden.) Ze wijst naar een drijvende houten constructie waar Martin net vanaf springt. ‘Daar kun je onder.’

Ik volg haar suggestie. Onder de planken is er precies genoeg ruimte om je hoofd boven water te houden. Om te ademen of om te zoenen. Verder is er hier niets.

‘Ik kom ook zo,’ zegt ze, vanaf de andere kant van het hout. Dan hoor ik haar Sylvain roepen. Ik knijp mijn ogen dicht en laat mezelf onder water verdwijnen.


Mijn hand glijdt in die van Martin als we teruglopen; we denken er niet over na, zo lopen wij. Claudette grijpt Sylvain vast, een arm om zijn nek, en vraagt hoe lang wij al samen zijn.

‘Vijf jaar,’ zeg ik. ‘En jullie, was het nu vijf jaar of zes?’

‘Zij, overtuigd: ‘Zes.’

‘Het eerste jaar was ingewikkeld, toch?’

Ze begint aan een verhaal dat hij mij al eerder heeft verteld: dat ze nog vriendschappelijk omging met haar ex, een goede vriend van hem. Dat die niet wist dat zij wat waren begonnen. ‘We wilden het hem niet vertellen,’ vult hij aan, ‘omdat we wisten dat hij het vreselijk zou vinden.’ Dat de ex er toch achter kwam. Zij was even naar de wc toen hij op haar computer een chatgesprek las tussen haar en Sylvain.

‘Om haar lippen speelt een ijle glimlach.

‘Als hij zo’n goede vriend was,’ zeg ik, terwijl we het grindpad naar de achterdeur oplopen, ‘dan wist je toch van tevoren dat hij het een keer zou ontdekken?’

‘We wilden hem zo lang mogelijk sparen,’ zegt zij. ‘Maar we waren verliefd, dat konden we toch niet onderdrukken? For love to be possible, there is always someone left behind.’


In het huisje van haar vader: foto’s van Claudette als kind, met staartjes en een viool tegen haar kin gedrukt, potlood­tekeningen die ze maakte van ooms en tantes, woest gekleurde schilderijen van haar moeder. Het is een donker huis, het soort huis waarvan je begrijpt dat een man alleen er verdwijnt in de drank.

Ze loopt rond in niet meer dan een handdoek, haar lange blonde haar in een hoge knot. Ze scheert haar oksels niet, wel haar benen. Hoeveel makkelijker zou het zijn als ze alleen dit was: een mooie lege huls. Ik vraag me af waar haar vader zijn drank bewaart.

Ze bukt zich om haar kat te aaien, een zwarte kater zo groot als een poedel, een en al vacht; ze fluistert Franse kooswoordjes in zijn nek. Haar kat kijkt even loom als zij. Chou is het enige woordje dat ik herken. Mon chou, chouchou – kool, kooltje. Het klinkt, in mijn op Engels ingestelde oren, alsof iemand wordt weggejaagd.

Ik vraag haar naar het boek dat ze overal mee naartoe sleept, een Franse vertaling van Andrea Dworkins Intercourse (1987), of ze het goed vindt. Ze straalt: ‘Heel goed. Het gaat over hoe seks is voor vrouwen en hoe dat gerepresenteerd wordt in literatuur… Ik kan het nog niet helemaal verwoorden.’

Sylvain loopt de woonkamer binnen en laat weten dat zij graag zouden rusten, maar dat Martin en ik vooral moeten doen wat we willen. Als we willen wandelen, dan kan dat.

‘Wil je dat we even weggaan?’ vraag ik hem.

‘Nee,’ zegt hij, ‘alleen als jullie dat willen.’

‘Wij kunnen gaan wandelen als jij dat wilt.’

‘Nee… nee, dat is niet nodig.’

Ik sta in de deuropening van onze logeerkamer met mijn uitgewrongen bikini in mijn handen, Martin ligt op bed Franse grammaticaregels door te nemen.

‘Zij is veel te jong om te willen rusten, denk ik. Ik luister, hoor niets, probeer me niet voor te stellen wat er nu boven ons gebeurt. Ik hang de bikini over een stoel, sluit de deur van de logeerkamer en ga naast Martin liggen.

‘Die Fransen hebben drie verschillende werkwoorden voor “terugkeren”,’ zegt hij. ‘Dat lijkt me overdreven.’ Hij legt het grammaticaboek weg en kijkt me aan: ‘Tot nu toe valt het mee, toch?’

Ik haal mijn schouders op. ‘Het blijft bizar dat we hier zitten met drie mensen die iets weten waarvan de vierde geen flauw idee heeft.’

‘Ja, ik ben blij dat ik haar niet ben,’ zegt hij. ‘En ik ben blij dat jij haar niet bent.’


Die avond in het huisje van haar vader komt een jeugdvriendin van haar langs. Met z’n vijven spelen we een kaartspel waarbij je zo min mogelijk punten moet halen. De vriendin vertelt over haar ouders, die zijn gescheiden en weigeren om nog met elkaar te spreken, maar die wel elk jaar met hun nieuwe partners naar hetzelfde Amerikaanse vakantiehuisje gaan, omdat geen van beiden die populaire plek wil opgeven. Sylvain lacht naar de vriendin op een manier die ik eerder voor flirten aanzag, die dat misschien ook is.

‘It’s like a French movie,’ zegt hij.

‘Ik las een essay over de paradox van het vergeven,’ zegt Claudette.

‘Wat is de paradox?’ vraag ik.

‘Even kijken of ik het goed zeg, hoor… dat iets kwetsends is gebeurd, is de voorwaarde om het te kunnen vergeven. Maar vergeven is ook de enige uitweg. Omdat het niet ongedaan kan worden gemaakt.’

Iedereen zwijgt, tot de jeugdvriendin vraagt hoe Sylvain en ik elkaar kennen. Ik kijk naar hem, hij ontwijkt mijn blik. Claudette is degene die antwoordt: een literair festival afgelopen winter, een fragment van mijn boek dat hij vertaalde, en dat we vrienden zijn gebleven. ‘Goede wijn,’ zegt Martin, nadrukkelijk. ‘Lokaal?’

‘Ik drink niet,’ zegt Claudette.

‘Daar kan ze niet tegen,’ voegt Sylvain toe.

‘Wat gebeurt er dan?’ vraag ik. Ik kijk haar aan, om hem te ontmoedigen voor haar te spreken.

‘Ik houd er niet van om de controle te verliezen.’

‘Je hebt het ook niet nodig,’ zegt hij.

‘Ik schenk de jeugdvriendin, Martin en mezelf nog wat bij. We spelen verder.

‘Alle vieren die in het spel zijn, belanden in Claudettes hand. Ik maak er een opmerking over. ‘Ja,’ zegt ze, en ze glimlacht. ‘De goden proberen me iets te vertellen.’

‘Martin eindigt met de meeste punten, Sylvain wint. Ik klop op Martins rug: ‘Verlies in het spel is geluk in de liefde.’

Nadat de jeugdvriendin is vertrokken, wil Sylvain gaan slapen; nog voordat we ‘welterusten’ hebben kunnen zeggen, heeft hij zijn pyjama al aan. Zij lacht naar hem en dan naar ons, terwijl ze hem aan zijn mouw trekt: ‘Hij altijd met zijn oudemannenpyjama’s.’

Een beeld in mijn hoofd van hoe hij voor me had gestaan in de hotelkamer die we noodgedwongen deelden, in niets meer dan zijn boxershort. ‘Ik slaap altijd in mijn ondergoed,’ zei hij.

Ik vroeg hem om een T-shirt aan te trekken.

Als we op bed liggen, de deur gesloten, zegt Martin: ‘Ik zou geen partnerruil willen, maar dat ze het niet eens hebben voorgesteld, dat vind ik dan wel weer onbeschoft.’ Ik barst in lachen uit, vouw mijn armen om hem heen. Hij glimt om zijn geslaagde grap.

‘Jij,’ zeg ik, mijn lippen dicht bij zijn oor, ‘bent de enige held in dit verhaal.’

Die nacht kan ik niet slapen. Met een verhalenbundel van Amy Hempel onder mijn arm sluip ik de logeerkamer uit. Als ik de trap zie die naar hun slaapkamer leidt, blijf ik stilstaan. Ik zet een voet op de onderste trede. Het hout kraakt. Ik trek mijn voet terug.

Ik loop door naar de serre, knip een lamp aan en ga op de bank liggen, een kussen onder mijn beurse rug.

Hij is een lichte slaper. Misschien volstond het kraken om hem te wekken, te lokken. Misschien wil hij ook komen lezen. Alleen dat: naast elkaar zitten lezen op de bank, misschien met benen die elkaar raken, dat zou genoeg zijn.

Hempels ik-figuur is in een afkickkliniek een eindeloze liefdesbrief aan het schrijven aan een beroemde schilder die ze één keer heeft ontmoet. Voordat we hier kwamen, heb ik in totaal vijf dagen met Sylvain doorgebracht. Daarna pleegden we nog acht telefoontjes – zijn stem in mijn kamers, zijn stem in mijn hoofd. ‘Ik droomde van je,’ appte hij, terwijl ik in een trein zat, aan de andere kant van zijn land. ‘Ik denk dat jij het was.’

In die trein, glijdend over glinsterende bergmeren, uitgestrekte vlaktes vol wilde bloemen, vossen die in de schemering uit hun holen omhoog sprongen, had ik het gevoeld alsof alles mogelijk was: van iemand houden, verliefd zijn op een ander, en dat iedereen die gevoelens alleen maar toejuicht – waarom niet? Ik liep over van liefde, ik wás liefde.

Bij de derde pagina die ik omsla, hoor ik de deur opengaan.

Het is Claudettes kater.

Hij springt op de bank, klimt over mijn benen, drukt zich spinnend tegen mijn borst. Nu niet aaien zou onmenselijk zijn. Ik aai. Eerst zuinigjes, daarna met grote halen. Ik geef me over, ik ga erin mee. Hij is onwaarschijnlijk zacht.

Alles wat we hebben, is wat aanwezig is.

Buiten wordt het langzaam licht. De kater zet zijn pootje tegen mijn arm, zijn nagels, om me inniger te laten aaien. Rode streepjes verschijnen. Ik aai. Ik aai al.

‘Consolation is a beautiful word,’ schrijft Hempels hoofdpersoon. ‘Everyone skins his knee – that doesn’t make yours hurt any less.’

De laatste schemer trekt weg, de koolmezen vliegen van boom naar boom, hun hoge zingen hoorbaar door de dunne ruiten. Ik ben kalmer dan ik in maanden was.

De kater opent zijn ogen, rekt zich uit en springt van de bank. Hij landt zonder geluid, alsof hij geen enkel gewicht heeft. Ik kijk toe hoe hij de kamer uit waggelt, hoe zijn pluizige staart langs de deurpost strijkt.


We drinken koffie in een café in zijn stad, Sylvain en ik, met z’n tweeën, omdat ik daarop heb aangedrongen. Hij wil het liefst alleen nog met z’n vieren afspreken en ook die afspraken worden door hem afgehouden, verschoven, geannuleerd.

Er zijn wegwerkzaamheden, drilboren overstemmen Chris Isaaks Wicked Game.

‘Typisch,’ zeg ik, naar buiten knikkend.

‘De realiteit breekt door alles heen,’ zucht hij.

‘Waarom kun je het Claudette niet gewoon vertellen?’ vraag ik. ‘We voelden iets, maar er is niets gebeurd en nu is het klaar? Daar komt het toch op neer. Nu moeten we allemaal tegen haar liegen.’

‘Ze zou het niet begrijpen.’

‘Het is juist een compliment. Je hebt iets níét gedaan wat je wel wilde, voor haar.’

‘Wat er tussen ons is,’ zegt hij, ‘wat ik voor jou voel, dat is alleen van mij, dat hoef ik met niemand anders te delen.’

Hij weet dat ik het heb gedeeld met Martin. Hij weet niet dat ik het inmiddels wil delen met iedereen die ik vertrouw, of simpelweg met iedereen, ik wil het van de daken schreeuwen, blozend van schaamte, van schuld, van opwinding. Ik probeer me in alle openheid te verhouden tot heel gewone menselijke gevoelens, vertel ik mezelf.

‘Wat we voelen is toch irrelevant,’ zegt Sylvain, alsof hij me uitvaagt, en zichzelf erbij.

Ik wil hem vastgrijpen en roepen: wie heeft het leven in jou gesmoord, waarom laat je dat gebeuren? In plaats daarvan staar ik naar het veel te grote stuk worteltaart dat ik heb besteld. Wie ben ik om te beweren dat de lust van de vrouw een oerkracht is die gerespecteerd moet worden?

Ik kijk hem aan. Zijn ogen lijken vochtig, maar ik vertrouw mijn eigen waarneming al lang niet meer. Met mijn vork wijs ik naar de taart.

‘Ga je me helpen dit op te eten?’

Als hij zijn hand uitsteekt om de vork aan te pakken, strijkt zijn huid langs de mijne.

‘Dit is de enige manier waarop we met elkaar kunnen omgaan,’ benadrukt hij. ‘Zij vindt jou geweldig, trouwens.’

‘Als ze er alsnog achter komt,’ zeg ik, ‘zal ze ons alle drie haten.’

‘Ze komt er nooit achter.’

Ik droom dat Claudette in mijn woonkamer staat, mijn Nederlandse woonkamer. Ze heeft alleen een zwarte handdoek omgeslagen. Ze loopt achteruit, laat zich op de bank zakken en spreidt haar benen. Ik kniel bij haar neer, begraaf mijn gezicht in haar schoot.

‘Dat is allemaal best geil,’ zegt Martin als ik hem over de droom vertel, ‘maar ben je nu dan verliefd op haar?’


Het is de laatste avond dat we hen kunnen zien, de laatste avond in hun stad. Zij heeft een Haïtiaans restaurant uitgezocht waar ze met al haar allergieën terechtkan. Ze zitten er al als wij aankomen, zij op een stoel, hij op een bankje. Hij draagt het mouwloze T-shirt dat hij heel de zomer al draagt, zij draagt – zoals altijd – geen bh onder haar jurk. Er zijn twee mogelijkheden voor ons: de plaats naast hem op het bankje of de andere stoel. Martin kiest voor de stoel.

Het is een klein bankje. Ik kijk Sylvain niet aan, probeer genoeg ruimte tussen ons te laten bestaan. Millimeters. Het lichaam is hardleers, hoopt ergens nog op een gestolen aanraking.

Hij bestelt een fles rum. Deze keer drinkt Claudette mee.

Ze wil het hebben over Dworkins Intercourse, over hoe belachelijk het is dat anticonceptie door de vrouw geregeld moet worden, en dat heteroseksuele seks een gewelddaad is voor de vrouw, omdat… ze hapert. ‘Ik kan het nog steeds niet goed uitleggen.’

‘Omdat je binnengedrongen wordt,’ zeg ik, ‘entered.’

‘Wat?’

‘Entered,’ zeg ik nog eens, harder nu.

Haar blik is leeg, zonder begrip. Martin herhaalt het, Sylvain herhaalt het, we herhalen alle drie het woord ‘entered’.

Penetrated,’ voeg ik toe.

‘Ah ja,’ zegt ze, ‘bij enter denk ik aan computers.’

‘Dat hoeft natuurlijk niet per se, alleen gepenetreerd worden,’ zeg ik, ‘er zijn nog allerlei andere mogelijkheden. Seks hoeft geen gewelddaad te zijn.’

‘Dat is wel wat de cultuur ons inprent,’ zegt zij, ‘dat geweld opwindend is.’

‘Ja,’ zeg ik, ‘maar geweld is niet voorbehouden aan de heteroman. En geweld kán ook opwindend zijn. Seks is zo persoonlijk… we hebben de vrijheid, in deze tijd, hier, om het persoonlijk in te vullen. Als we ellendige seks hebben, kunnen we dat niet alleen afschuiven op een maatschappelijke norm dat er gepenetreerd moet worden.’

Sylvain neemt een forse slok rum.

‘Het is ook gewoon veel uitproberen voordat je doorhebt wat je allemaal fijn vindt, of daar nu geweld bij hoort of niet,’ ratel ik verder. Martin prikt in zijn ceviche.

‘Penetratie op zich lijkt me het probleem niet,’ concludeer ik nog, voordat ik me terugtrek in mijn rijst.

‘Claudette nipt van haar rum. Als ze haar glas neerzet, zegt ze dat ze ons appartement wil zien.

‘Het stelt niets voor,’ zegt Martin.

‘Het is maar één kamer,’ beaam ik, ‘maar wel met een balkon.’

Sylvain schenkt zichzelf nog wat bij. Zij vraagt ook om meer. Fronsend geeft hij toe, als een vader bij een puberdochter. ‘Maar dan is het klaar.’

‘Kus!’ roept ze tegen hem, en ze gaat over de tafel hangen. Hij komt haar tegemoet. Ze zoenen. Ik ontsnap naar de wc.

Als ik terugkom, plukt ze vol overgave aan de plant die naast de tafel staat. Blaadjes vallen op de stoelen, de grond, de borden. Ze kijkt me aan met haar lome kattenblik. Of ze nu dan ons appartement mag zien.

We lopen naar het appartement, zij en ik voorop. Ze begint opnieuw over anticonceptie, haar spiraaltje dat recentelijk is verwijderd.

‘Ik wil geen kinderen,’ verkondigt ze.

Ik zwem niet, denk ik, ik drink niet. ‘Dan moeten jullie dus oppassen, de komende tijd,’ mompel ik.

Sylvains gezicht is grauw. Bij het wegzetten van zijn fiets, zegt hij: ‘Ik gebruik maar één slot, we blijven niet lang.’

Ik negeer hem, haak een arm in de hare, toets de code van de deur in.

‘Wat voor de vrouw verloren gaat wanneer ze een seksobject wordt,’ schreef Dworkin in Intercourse, ‘en door neuken in die status wordt bevestigd, is onherroepelijk verloren.’

‘O ja,’ zegt ze, als ze in onze kamer staat, ‘niet zo groot nee, maar alles wat je nodig hebt.’

De ruimte wordt vrijwel geheel ingenomen door een tweepersoonsbed.

‘Eh ja, dit is het,’ zeg ik, ongemakkelijk leunend op het statafeltje naast het bed. Ik gooi een slaapshirt aan de kant en vraag me af, terwijl ik het doe, waar ik mee bezig ben. Sylvain blijft zo dicht mogelijk bij de deur staan, zijn blik op oneindig. Martin staat niet ver van hem af, plukt stilletjes een polaroid van mij in mijn ondergoed van de muur, legt die omgedraaid op een plank.

We hebben maar twee stoelen. Claudette is de enige die gaat zitten; op het bed.

Ik vraag haar of ze iets wil drinken, ‘thee of zo?’.

Ze wil niets drinken, strijkt met een hand over het dekbed, schijnbaar gedachteloos.

Sylvain wendt zijn hoofd verder af.

‘Er is dus ook een balkon,’ zeg ik tegen haar en ik loop langs de mannen heen de kamer uit. Claudette staat op, ze loopt met me mee.

We zitten in tuinstoelen op het balkon, zij en ik. De bovenburen hebben lichtjes over hun klimop gehangen, ik hoor ze proosten op het leven en op de liefde. Ze klinken niet erg enthousiast.

Claudette vraagt hoe ik het vond, in hun stad. Ik twijfel over mijn antwoord. Als ik haar iets wil vertellen over hem, over hem en mij, is dit mijn kans. Ik kijk in haar halfgesloten ogen.

Ze zou het niet begrijpen.

Uit het duister van de stad borrelen de geluiden op van een zaterdagavond, gedempt alsof ik oordopjes draag. Dit is een straat vol cafés en clubs, maar er is geen sirene te horen en niemand schreeuwt. De beats dreunen niet, ze tikken, de mensen joelen niet, ze kwetteren.

Wat valt er nu nog te vertellen?

‘Het is een geweldige stad,’ zeg ik, ‘maar ik ben wel weer toe aan Hollandse directheid.’

Ze knikt. ‘Martin heeft mooie ogen,’ zegt ze.

‘Eh, ja,’ zeg ik. ‘Ja, dat klopt.’

Ik kijk opzij, de kamer in. Binnen staan Martin en Sylvain op vrijwel dezelfde plek als eerder, vlak bij de deur. Ze staan er ingetogen bij, met hun armen achter hun ruggen. Ze spreken rustig, beheerst, en tegelijkertijd zijn op allebei hun gezichten lachrimpeltjes te zien.

Claudette kucht. Als ik Intercourse op dit moment al zou hebben gelezen, dan had ik kunnen zeggen dat Dworkin wel degelijk lijkt te geloven in seks zonder objectivering, in lust die niet vernederend is; in tederheid. ‘De tederheid is de innerlijke heftigheid die door liefde en zelfkennis wordt getransformeerd tot complexe en meedogende hartstocht; en de hartstocht is teder in zoverre dat hij niet vernietigt,’ schreef ze. Hoe komen we daar? had ik misschien durven vragen. Hoe voorkomen we dat we vernietigen?

Nu zwijg ik, ik wacht af wat zij te zeggen heeft.

Ze buigt zich naar me toe.

‘Ik kan niet wachten om jullie te bezoeken,’ zegt ze.

Even rust haar hand op mijn bovenbeen. Even ligt alles open.

Dan gaat ze koninklijk rechtop zitten, met een blik die ik niet kan peilen. Ze is prachtig, zoals een ijssculptuur prachtig is.

‘And I’m sure he’d like to see you again as well,’ zegt ze.

Ik heb niets om terug te zeggen. Ik knik en lach beleefd.

Ze laat zich languit in de tuinstoel vallen en grijpt naar haar buik.

‘Ik ben ineens zo moe,’ zegt ze, in het Frans, haar fatiguée luid en uitgerekt.

Binnen drie tellen staat Sylvain op het balkon. Hij laat zijn sleutels rinkelen. ‘Tijd om naar huis te gaan!’

Ons afscheid, dat van Sylvain en mij, is snel en slordig, een kortere omhelzing dan ooit tevoren. Martin slaat Sylvain twee keer op zijn schouder, kust Claudettes wangen. Als zij mij omhelst, drukken haar handen stevig op mijn onderrug, op de plek van de bloeduitstorting.

‘It was wonderful meeting you!’ roept ze nog, uitgelaten, terwijl Sylvain haar de deur uit duwt.

Emy Koopman (1985) is schrijver, journalist en gepromoveerd literatuurwetenschapper. Haar boeken werden genomineerd voor onder meer de Bronzen Uil, de Fintro Literatuurprijs, de Boon voor literatuur en de BNG Bank Literatuurprijs. In haar meest recente boek, de novelle Kindertrein uit Boedapest (2023), volgt ze de reis van haar Hongaarse grootmoeder, die als kind met een hulpactie naar Nederland kwam. 

Meer van deze auteur